Johannes 6
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Douay-Rheims Bible, American Edition (1899)
1Daarna begaf Jesus Zich naar de overkant van het meer van Galilea of van Tibérias.
1After these things Jesus went over the sea of Galilee, which is that of Tiberias.
2Een grote schare volgde Hem, omdat ze de wonderen hadden gezien, die Hij voor de zieken verricht had.
2And a great multitude followed him, because they saw the miracles which he did on them that were diseased.
3En Jesus besteeg het gebergte, en zette Zich daar met zijn leerlingen neer.
3Jesus therefore went up into a mountain, and there he sat with his disciples.
4Het was kort voor Pasen, het feest van de Joden.
4Now the pasch, the festival day of the Jews, was near at hand.
5Toen Jesus nu de ogen opsloeg en een talrijke menigte tot Zich zag komen, sprak Hij tot Filippus: Waar zullen we brood kopen, zodat ze kunnen eten?
5When Jesus therefore had lifted up his eyes, and seen that a very great multitude cometh to him, he said to Philip: Whence shall we buy bread, that these may eat?
6Dit zeide Hij echter, om hem op de proef te stellen; want zelf wist Hij goed, wat Hij doen zou.
6And this he said to try him; for he himself knew what he would do.
7Filippus antwoordde Hem: Voor tweehonderd tienlingen brood is niet genoeg, als ieder van hen een stukje krijgt.
7Philip answered him: Two hundred pennyworth of bread is not sufficient for them, that every one may take a little.
8Een zijner leerlingen, Andreas, de broer van Simon Petrus, zeide tot Hem:
8One of his disciples, Andrew, the brother of Simon Peter, saith to him:
9Hier is een jongen, die vijf gerstebroden heeft en twee vissen; maar wat betekent dat voor zo velen?
9There is a boy here that hath five barley loaves, and two fishes; but what are these among so many?
10Jesus sprak: Laat de mensen gaan zitten. Er stond nu veel gras op die plaats. Ze gingen dus zitten; er waren ongeveer vijf duizend mannen.
10Then Jesus said: Make the men sit down. Now there was much grass in the place. The men therefore sat down, in number about five thousand.
11Nu nam Jesus de broden, sprak een dankgebed uit, en deelde ze rond aan hen die daar zaten; zo ook van de vissen, zoveel ze wilden.
11And Jesus took the loaves: and when he had given thanks, he distributed to them that were set down. In like manner also of the fishes, as much as they would.
12En toen ze waren verzadigd, zeide Hij tot zijn leerlingen: Verzamelt de overgeschoten brokken, opdat er niets verloren gaat.
12And when they were filled, he said to his disciples: Gather up the fragments that remain, lest they be lost.
13Zij verzamelden ze dus, en vulden twaalf korven met de brokken der vijf gerstebroden, die na het eten waren overgebleven.
13They gathered up therefore, and filled twelve baskets with the fragments of the five barley loaves, which remained over and above to them that had eaten.
14Bij het zien van het teken, dat Jesus gewrocht had, zeiden de mensen: Deze is waarlijk de profeet, die in de wereld moet komen!
14Now those men, when they had seen what a miracle Jesus had done, said: This is of a truth the prophet, that is to come into the world.
15Daar nu Jesus voorzag, dat ze Hem zouden meevoeren, om Hem tot koning uit te roepen, trok Hij Zich heel alleen weer in het gebergte terug.
15Jesus therefore, when he knew that they would come to take him by force, and make him king, fled again into the mountain himself alone.
16Maar toen het avond werd, daalden zijn leerlingen af naar het meer,
16And when evening was come, his disciples went down to the sea.
17gingen de boot in, en hielden koers naar Kafárnaum aan de overkant van het meer. Reeds was de duisternis ingevallen, en nog was Jesus niet bij hen gekomen.
17And when they had gone up into a ship, they went over the sea to Capharnaum; and it was now dark, and Jesus was not come unto them.
18De zee was onstuimig, want er woei een hevige wind.
18And the sea arose, by reason of a great wind that blew.
19Toen ze dan ongeveer vijf en twintig of dertig stadiën hadden afgelegd, zagen ze Jesus over het meer wandelen en nabij het vaartuig komen; ze werden er angstig van.
19When they had rowed therefore about five and twenty or thirty furlongs, they see Jesus walking upon the sea, and drawing nigh to the ship, and they were afraid.
20Maar Hij sprak tot hen: Ik ben het; weest niet bang.
20But he saith to them: It is I; be not afraid.
21Gewillig namen ze Hem nu in hun vaartuig op, en terstond landde de boot aan de kust, waar ze op afgestevend waren.
21They were willing therefore to take him into the ship; and presently the ship was at the land to which they were going.
22De volgende morgen drong het door tot de schare, die aan de overkant van het meer was gebleven, dat er buiten dit éne geen ander vaartuig was geweest, en dat Jesus niet met zijn leerlingen aan boord was gegaan, maar dat zijn leerlingen alleen waren vertrokken.
22The next day, the multitude that stood on the other side of the sea, saw that there was no other ship there but one, and that Jesus had not entered into the ship with his disciples, but that his disciples were gone away alone.
23Intussen kwamen er van Tibérias andere boten dicht bij de plaats, waar men het brood had gegeten, na het dankgebed des Heren.
23But other ships came in from Tiberias; nigh unto the place where they had eaten the bread, the Lord giving thanks.
24Toen dus de menigte zag, dat Jesus daar niet meer was en zijn leerlingen evenmin, gingen ze scheep, en voeren naar Kafárnaum, om Jesus te zoeken.
24When therefore the multitude saw that Jesus was not there, nor his disciples, they took shipping, and came to Capharnaum, seeking for Jesus.
25En toen ze Hem aan de andere kant van het meer hadden gevonden, spraken ze tot Hem: Rabbi, wanneer zijt Gij hier gekomen?
25And when they had found him on the other side of the sea, they said to him: Rabbi, when camest thou hither?
26Jesus antwoordde hun en sprak: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Gij zoekt Mij, niet omdat gij tekenen hebt gezien, maar omdat gij van de broden gegeten en u verzadigd hebt.
26Jesus answered them, and said: Amen, amen I say to you, you seek me, not because you have seen miracles, but because you did eat of the loaves, and were filled.
27Arbeidt niet voor de spijs die vergaat, maar voor de spijs die blijft tot in het eeuwige leven, en die de Mensenzoon u zal geven. Want op Hem heeft God, heeft de Vader zijn zegel gedrukt.
27Labour not for the meat which perisheth, but for that which endureth unto life everlasting, which the Son of man will give you. For him hath God, the Father, sealed.
28Ze zeiden Hem dan: Wat moeten we doen, om de werken Gods te verrichten?
28They said therefore unto him: What shall we do, that we may work the works of God?
29Jesus antwoordde hun: Dit is het werk van God: dat gij gelooft in Hem, dien Hij gezonden heeft.
29Jesus answered, and said to them: This is the work of God, that you believe in him whom he hath sent.
30Ze zeiden Hem: Wat voor teken verricht Gij dan wel, dat ons overtuigt, zodat we in U geloven? Wat doet Gij eigenlijk?
30They said therefore to him: What sign therefore dost thou shew, that we may see, and may believe thee? What dost thou work?
31Onze vaderen hebben in de woestijn het manna gegeten, zoals er geschreven staat: “Brood uit de hemel heeft Hij hun te eten gegeven”.
31Our fathers did eat manna in the desert, as it is written: He gave them bread from heaven to eat.
32Nu sprak Jesus tot hen: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Moses heeft u geen brood gegeven, dat uit de hemel kwam, maar mijn Vader geeft u het ware brood uit de hemel;
32Then Jesus said to them: Amen, amen I say to you; Moses gave you not bread from heaven, but my Father giveth you the true bread from heaven.
33want het brood, dat uit de hemel neerdaalt, is het brood van God, dat leven aan de wereld schenkt.
33For the bread of God is that which cometh down from heaven, and giveth life to the world.
34Ze zeiden Hem dan: Heer, geef ons dit brood voor immer.
34They said therefore unto him: Lord, give us always this bread.
35Jesus sprak tot hen: Ik ben het brood des levens; wie tot Mij komt, zal geen honger meer hebben, en wie in Mij gelooft zal nimmer meer dorst lijden.
35And Jesus said to them: I am the bread of life: he that cometh to me shall not hunger: and he that believeth in me shall never thirst.
36Maar Ik heb het u gezegd: gij hebt Mij gezien, en toch gelooft gij niet.
36But I said unto you, that you also have seen me, and you believe not.
37Al wat de Vader Mij geeft, zal tot Mij komen; en wie tot Mij komt, zal Ik niet buiten werpen.
37All that the Father giveth to me shall come to me; and him that cometh to me, I will not cast out.
38Want Ik ben uit de hemel neergedaald, niet om mijn eigen wil te doen, maar de wil van Hem, die Mij heeft gezonden.
38Because I came down from heaven, not to do my own will, but the will of him that sent me.
39Welnu, dit is de wil van Hem, die Mij heeft gezonden, dat Ik niets verloren laat gaan van wat Hij Mij heeft gegeven, maar dat Ik het op de jongste dag doe verrijzen.
39Now this is the will of the Father who sent me: that of all that he hath given me, I should lose nothing; but should raise it up again in the last day.
40Dit is de wil van den Vader, die Mij gezonden heeft, dat wie den Zoon aanschouwt en in Hem gelooft, het eeuwige leven heeft, en dat Ik hem op de jongste dag zal doen verrijzen.
40And this is the will of my Father that sent me: that every one who seeth the Son, and believeth in him, may have life everlasting, and I will raise him up in the last day.
41Maar de Joden morden over Hem, omdat Hij gezegd had: Ik ben het brood, dat uit de hemel is neergedaald.
41The Jews therefore murmured at him, because he had said: I am the living bread which came down from heaven.
42En ze zeiden: Is deze niet Jesus, de zoon van Josef, wiens vader en moeder we kennen? Hoe zegt Hij dan: Ik ben uit de hemel neergedaald?
42And they said: Is not this Jesus, the son of Joseph, whose father and mother we know? How then saith he, I came down from heaven?
43Jesus antwoordde hun, en sprak: Mort toch niet onder elkander.
43Jesus therefore answered, and said to them: Murmur not among yourselves.
44Niemand kan tot Mij komen, zo de Vader, die Mij zond, hem niet trekt; en Ik zal hem op de jongste dag doen verrijzen.
44No man can come to me, except the Father, who hath sent me, draw him; and I will raise him up in the last day.
45Er staat geschreven bij de profeten: “En allen zullen zij onderricht worden door God”. Wie naar den Vader luistert en door Hem is onderricht, hij komt tot Mij.
45It is written in the prophets: And they shall all be taught of God. Every one that hath heard of the Father, and hath learned, cometh to me.
46Niet dat iemand den Vader gezien heeft; alleen Hij die van God stamt, Hij heeft den Vader gezien.
46Not that any man hath seen the Father; but he who is of God, he hath seen the Father.
47Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Wie gelooft, heeft het eeuwige leven.
47Amen, amen I say unto you: He that believeth in me, hath everlasting life.
48Ik ben het brood des levens.
48I am the bread of life.
49Uw vaderen hebben het manna gegeten in de woestijn, en ze zijn gestorven.
49Your fathers did eat manna in the desert, and are dead.
50Dit is het brood, dat uit de hemel nederdaalt: eet men daarvan, dan sterft men niet.
50This is the bread which cometh down from heaven; that if any man eat of it, he may not die.
51Ik ben het levend brood, dat uit de hemel is neergedaald; zo iemand eet van dit brood, zal hij in eeuwigheid leven. En het brood, dat Ik zal geven, is mijn vlees voor het leven der wereld.
51I am the living bread which came down from heaven.
52Maar de Joden twistten onder elkander, en zeiden: Hoe kan Hij ons zijn vlees te eten geven?
52If any man eat of this bread, he shall live for ever; and the bread that I will give, is my flesh, for the life of the world.
53Jesus sprak tot hen: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Zo gij het vlees van den Mensenzoon niet eet en zijn bloed niet drinkt, dan hebt gij het leven niet in u.
53The Jews therefore strove among themselves, saying: How can this man give us his flesh to eat?
54Wie mijn vlees eet en mijn bloed drinkt, heeft het eeuwige leven, en Ik zal hem op de jongste dag doen verrijzen.
54Then Jesus said to them: Amen, amen I say unto you: Except you eat the flesh of the Son of man, and drink his blood, you shall not have life in you.
55Want mijn vlees is waarlijk spijs, en mijn bloed is waarlijk drank.
55He that eateth my flesh, and drinketh my blood, hath everlasting life: and I will raise him up in the last day.
56Wie mijn vlees eet en mijn bloed drinkt, blijft in Mij en Ik in hem.
56For my flesh is meat indeed: and my blood is drink indeed.
57Zoals de Vader die leeft, Mij heeft gezonden, en Ik leef door den Vader, zó zal ook hij, die Mij eet, leven door Mij.
57He that eateth my flesh, and drinketh my blood, abideth in me, and I in him.
58Dit is het brood, dat uit de hemel is neergedaald. Niet een brood als de vaders hebben gegeten en toch zijn gestorven; wie dit brood eet zal leven in eeuwigheid.
58As the living Father hath sent me, and I live by the Father; so he that eateth me, the same also shall live by me.
59Zo sprak Hij bij zijn onderrichting in de synagoge van Kafárnaum.
59This is the bread that came down from heaven. Not as your fathers did eat manna, and are dead. He that eateth this bread, shall live for ever.
60Velen van zijn leerlingen, die het hadden gehoord, zeiden: Dit woord is hard; wie kan naar zo iets luisteren?
60These things he said, teaching in the synagogue, in Capharnaum.
61Maar Jesus, die wist dat zijn leerlingen daarover morden, sprak tot hen: Ergert u dit?
61Many therefore of his disciples, hearing it, said: This saying is hard, and who can hear it?
62En wanneer gij nu den Mensenzoon eens ziet opstijgen naar waar Hij vroeger was?
62But Jesus, knowing in himself, that his disciples murmured at this, said to them: Doth this scandalize you?
63Het is de geest, die leven brengt; het vlees brengt niets daartoe bij. De woorden, die Ik tot u sprak, zijn geest en leven.
63If then you shall see the Son of man ascend up where he was before?
64Maar daar zijn er sommigen onder u, die niet geloven. Want Jesus wist van de aanvang af, wie het waren, die niet geloofden; en wie het was, die Hem verraden zou.
64It is the spirit that quickeneth: the flesh profiteth nothing. The words that I have spoken to you, are spirit and life.
65En Hij vervolgde: Daarom heb Ik u gezegd, dat niemand tot Mij kan komen, tenzij het hem door mijn Vader is gegeven.
65But there are some of you that believe not. For Jesus knew from the beginning, who they were that did not believe, and who he was, that would betray him.
66Van dat ogenblik af trokken velen zijner leerlingen zich terug, en bleven niet langer bij Hem.
66And he said: Therefore did I say to you, that no man can come to me, unless it be given him by my Father.
67Nu sprak Jesus tot de twaalf: Wilt ook gij misschien heengaan?
67After this many of his disciples went back; and walked no more with him.
68Simon Petrus antwoordde Hem: Heer, naar wien zouden we gaan? Gij hebt woorden van eeuwig leven;
68Then Jesus said to the twelve: Will you also go away?
69we geloven en weten: Gij zijt de Heilige Gods.
69And Simon Peter answered him: Lord, to whom shall we go? thou hast the words of eternal life.
70Jesus hernam: Heb Ik u alle twaalf niet uitverkoren? En toch, één uwer is een duivel.
70And we have believed and have known, that thou art the Christ, the Son of God.
71Hiermee bedoelde Hij Judas, den zoon van Simon Iskáriot. Want deze, één van de twaalf, zou Hem verraden.
71Jesus answered them: Have not I chosen you twelve; and one of you is a devil?
no verse 72 in this text
72Now he meant Judas Iscariot, the son of Simon: for this same was about to betray him, whereas he was one of the twelve.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.