Jesaja
Chapter 7
Petrus Canisius Bible, 1…
vs Bíblia Portuguesa …
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Bíblia Portuguesa Mundial (Brazilian Portuguese)
1In de tijd, dat Achaz, de zoon van Jotam, zoon van Ozias, over Juda regeerde, trok Resin, de koning van Aram, met Pekach, den zoon van Remaljáhoe en koning van Israël, tegen Jerusalem op, om het te belegeren. Ze hebben het niet kunnen overwinnen.
1Nos dias de Acaz, filho de Jotão, filho de Uzias, rei de Judá, Rezim, o rei da Síria, e Peca, filho de Remalias, rei de Israel, subiram a Jerusalém para guerrear contra ela, mas não puderam prevalecer contra ela.
2Toen men het huis van David berichtte, dat Aram zich met Efraïm had verbonden, beefde zijn hart en dat van zijn volk, zoals de bomen in het woud door stormvlagen trillen.
2Foi dito à casa de Davi: “A Síria está aliada a Efraim.” O coração dele estremeceu, e o coração do seu povo, como as árvores da floresta estremecem com o vento.
3Maar Jahweh sprak tot Isaias: Ga met uw zoon “Een-rest-bekeert-zich” naar de monding van het kanaal in de Bovenvijver, op de weg naar het Blekersveld, om Achaz daar te ontmoeten.
3Então o SENHOR disse a Isaías: “Saia agora para encontrar Acaz, você e seu filho Sear-Jasube, no fim do aqueduto do tanque superior, na estrada do campo do lavandeiro.
4Ge moet hem zeggen: Blijf kalm en wees niet bang, En laat uw hart niet ontsteld worden Voor die twee stompen rokend brandhout, Voor de woede van Resin van Aram en den zoon van Remaljáhoe:
4Diga a ele: ‘Tenha cuidado e mantenha a calma. Não tenha medo, nem deixe o seu coração desfalecer por causa destes dois restos de tições fumegantes, por causa da ira furiosa de Rezim e da Síria, e do filho de Remalias.
5Omdat Aram kwaad tegen u smeedt Met Efraïm en den zoon van Remaljáhoe, en zegt:
5Porque a Síria, Efraim e o filho de Remalias tramaram o mal contra você, dizendo:
6Laat ons naar Juda trekken, het benauwen, overmeesteren, En het den zoon van Tabeël tot koning geven!
6“Vamos subir contra Judá e despedaçá-lo, e vamos dividi-lo entre nós, e estabelecer um rei no meio dele, o filho de Tabeel.”
7Want dit zegt Jahweh, de Heer: Het zal niet gebeuren, het zal niet bestaan!
7Assim diz o Senhor DEUS: “Isso não subsistirá, nem acontecerá.”
8Want het hoofd van Aram is Damascus, Het hoofd van Damascus is Resin,
8Pois a cabeça da Síria é Damasco, e a cabeça de Damasco é Rezim. Dentro de sessenta e cinco anos Efraim será despedaçado, de modo que não será mais um povo.
9Het hoofd van Efraïm is Samaria, Het hoofd van Samaria de zoon van Remaljáhoe: Over vijf en zestig jaar is Efraïm verwoest en ontvolkt: Vertrouwt ge het niet, dan houdt ge het niet!
9A cabeça de Efraim é Samaria, e a cabeça de Samaria é o filho de Remalias. Se vocês não crerem, certamente não estarão firmes.’”
10En Isaias vervolgde tot Achaz:
10O SENHOR falou novamente a Acaz, dizendo:
11Vraag een teken van Jahweh, uw God: diep in het dodenrijk, of hoog aan de hemel.
11“Peça um sinal ao SENHOR, seu Deus; peça-o nas profundezas, ou nas alturas em cima.”
12Maar Achaz zeide: Ik zal er geen vragen, en Jahweh niet tarten.
12Mas Acaz disse: “Eu não pedirei. Não tentarei o SENHOR.”
13Toen sprak hij: Luister dan, huis van David! Is het u niet genoeg, mensen ongeduldig te maken, dat gij ook het geduld van mijn God op de proef stelt?
13Ele disse: “Ouçam agora, casa de Davi. Não lhes basta provar a paciência dos homens, para que provem também a paciência do meu Deus?
14Daarom geeft de Heer zelf u een teken: Zie, de maagd zal ontvangen, en een zoon baren; zij zal hem noemen: “God-met-ons”.
14Portanto, o próprio Senhor lhes dará um sinal. Eis que a virgem conceberá e dará à luz um filho, e chamará o seu nome Emanuel.
15Stremsel van melk en wilde honing zal hij eten, totdat hij het kwade weet te verwerpen, en het goede te kiezen.
15Ele comerá manteiga e mel quando souber rejeitar o mal e escolher o bem.
16Maar voordat de knaap het kwade weet te verwerpen en het goede te kiezen, zal het land ontvolkt zijn, waarvan gij de twee koningen vreest.
16Pois antes que o menino saiba rejeitar o mal e escolher o bem, a terra cujos dois reis você abomina será desamparada.
17Jahweh zal dagen doen komen Over u en uw volk En over het huis van uw vader, Zoals er nog nooit zijn geweest, Sinds Efraïm afviel van Juda: “Den koning van Assjoer!”
17O SENHOR trará sobre você, sobre o seu povo e sobre a casa de seu pai dias que não vieram, desde o dia em que Efraim se separou de Judá, a saber, o rei da Assíria.
18Op die dag fluit Jahweh de muskieten Van de verre stromen van Egypte bijeen, Met de wespen uit het land van Assjoer.
18Acontecerá naquele dia que o SENHOR assobiará para a mosca que está nos confins dos rios do Egito, e para a abelha que está na terra da Assíria.
19Ze komen en strijken in drommen neer In de kloven der dalen, in de spleten der rotsen, Op alle struiken en dreven.
19Elas virão e todas pousarão nos vales desolados, nas fendas das rochas, em todas as cercas de espinhos e em todos os pastos.
20Op die dag scheert de Heer Met een mes, dat Hij huurt Aan de overkant van de Eufraat: “Den koning van Assjoer”, De hoofd- en schaamharen af, En de baard neemt Hij weg.
20Naquele dia, o Senhor rapará com uma navalha alugada nas regiões além do Rio, a saber, com o rei da Assíria, a cabeça e os pelos dos pés; e ela também consumirá a barba.
21Op die dag zal een ieder Een koetje en een paar geiten houden,
21Acontecerá naquele dia que um homem manterá vivas uma novilha e duas ovelhas.
22En van de melk, die overschiet, Het stremsel gebruiken. Ja, men zal stremsel van melk en wilde honing moeten eten, Iedereen, die overblijft in het land.
22Acontecerá que, por causa da abundância de leite que elas darão, ele comerá manteiga, pois todos os que restarem na terra comerão manteiga e mel.
23Op die dag zal iedere plek, Waar duizend wijnstokken stonden, En die duizend sikkels kostte, Bedekt zijn met doornen en distels.
23Acontecerá naquele dia que todo lugar onde havia mil videiras valendo mil siclos de prata, será para sarças e espinheiros.
24Enkel met pijlen en boog Trekt men daar rond. Ja het hele land zal bedekt zijn met doornen en distels,
24As pessoas irão para lá com flechas e com arco, porque toda a terra será de sarças e espinheiros.
25En alle bergen, die met de spade werden bewerkt. Men zal er niet heengaan Uit vrees voor de doornen en distels; Ze zullen enkel nog dienen, om er het vee in te jagen, En door de schapen te worden vertrapt.
25A todas as colinas que eram cultivadas com a enxada, você não irá lá por medo das sarças e espinheiros; mas servirão para soltar os bois, e para as ovelhas pisarem.”

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.