Deuteronomium
Chapter 33
Petrus Canisius Bible, 1…
vs Freedom Bible (フリー…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Freedom Bible (フリーダム・バイブル)
1Dit is de zegen, die Moses, de man Gods, voor zijn dood over Israëls kinderen uitsprak.
1神の人モーセが死ぬ前に、イスラエルの子らを祝福した言葉は次のとおりである。
2Hij zeide: Toen Jahweh van de Sinaï kwam, Voor zijn volk van Seïr oprees, Van het gebergte Paran verscheen, Van Meribat-Kadesj optrok: Schoot een laaiend vuur uit zijn rechterhand,
2彼は言った。 「主はシナイから来られ、 セイルから彼らのために昇られた。 パラン山から光を放ち、 幾万もの聖なる者たちとともに来られた。 その右手には、彼らのための燃える律法があった。
3En vernielde zijn gramschap de volken. Maar al zijn heiligen waren in uw hand, En zaten neer aan uw voeten; Het volk nam uw uitspraken aan.
3まことに、主は民を愛される。 聖なる者たちはみな、あなたの御手のうち。 彼らはあなたの足もとに伏し、 あなたの言葉を受ける。
4En Moses gaf ons een wet. De gemeente van Jakob werd zijn bezit
4モーセはわたしたちに律法を命じた。 ヤコブの集会が受け継ぐ宝。
5Hij zelf werd koning in Jesjoeroen Toen de hoofden van het volk zich verzamelden, De stammen van Israël zich aaneen sloten. Over Ruben sprak hij:
5民のかしらたちが集い、 イスラエルの全部族が一つとなったとき、 主はエシュルンの王となられた。
6Moge Ruben leven en niet sterven, Al telt hij slechts weinig mannen.
6「ルベンを生かし、死なせないでください。 その民を少なくしないでください。」
7Over Juda sprak hij aldus: Hoor Jahweh het smeken van Juda, En verenig hem met zijn volk, Strijd voor hem met eigen hand, En help hem tegen zijn vijand.
7ユダについてはこう言った。 「主よ、ユダの声を聞き、 彼をその民のもとへ導き入れてください。 彼は自分の手で戦います。 どうか敵に対する助けとなってください。」
8Over Levi sprak hij: Geef aan Levi uw Toemmim, Uw Oerim aan uw gunsteling, Die Gij bij Massa op de proef hebt gesteld, Met wie Gij bij het water van Meriba hebt getwist;
8レビについてはこう言った。 「あなたのトンミムとウリムを、忠実な者にお与えください。 あなたはマサで彼を試し、 メリバの水で彼と争われた。
9Die van zijn vader en moeder zeide: Ik zie ze niet; Die zijn broeders niet erkende, En van zijn zoon niets wilde weten. Maar die uw woord hebben bewaard, Uw Verbond onderhouden!
9彼は父と母について、 『私は彼を見ない』と言い、 兄弟を顧みず、 自分の子供さえ認めなかった。 彼らはあなたの言葉を守り、 あなたの契約を保った。
10Zij leren aan Jakob uw voorschriften, En uw Wet aan Israël. Zij brengen wierookgeur in uw neus, En brandoffers op uw altaar.
10彼らはヤコブにあなたの法を、 イスラエルにあなたの律法を教える。 あなたの前に香をたき、 祭壇の上に全焼のささげ物を献げる。
11Jahweh, zegen zijn kracht, Heb welgevallen aan het werk zijner handen, Verlam de heupen van zijn vijanden Van die hem haten, zodat ze geen stand houden.
11主よ、彼の力を祝福し、 その手の業を受け入れてください。 立ち向かう者の腰を打ち砕き、 彼を憎む者を二度と立ち上がらせないでください。」
12Over Benjamin sprak hij: De lieveling van Jahweh Zal in veiligheid bij Hem wonen; Hij beschermt hem voor immer, En woont tussen zijn heuvels.
12ベニヤミンについてはこう言った。 「主に愛される者は、そのそばで安らかに住む。 主は一日中彼を覆い、 彼はその両肩の間に住む。」
13Over Josef sprak hij: Zijn land zij door Jahweh gezegend! Het kostelijkste van de hemel daarboven, En van de zee die zich uitstrekt omlaag,
13ヨセフについてはこう言った。 「その地が主に祝福されるように。 天の最良のもの、露、 地の底に横たわる淵の恵みによって。
14Het kostelijkste dat de zon doet ontspruiten, Het kostelijkste dat de manen doen rijpen,
14太陽が実らせる最良のもの、 月ごとに生み出される尊いものによって。
15Het beste der oude bergen, Het kostelijkste der eeuwige heuvelen,
15いにしえの山々の最良のもの、 とこしえの丘々の尊いものによって。
16Het kostelijkste der aarde met wat zij bevat, En de genade van Hem, die in een doornstruik woonde, Mogen komen op het hoofd van Josef, Op de schedel van den vorst zijner broeders.
16地とそこに満ちるものの尊いもの、 柴の中に住まわれた方 の恵みによって。 これらがヨセフの頭に、 兄弟たちから選び分けられた者の頭の頂に臨むように。
17Als het eerste jong van een stier is zijn pracht, Met hoornen als die van een buffel; Daarmee stoot hij volken neer, Allen, tot aan de grenzen der aarde. Zo zijn de tienduizenden van Efraïm, Zo de duizenden van Manasse!
17彼の初子の雄牛には威厳があり、 その角は野牛の角。 それによって諸国の民を、地の果てまで突き倒す。 それはエフライムの幾万、 マナセの幾千。」
18Over Zabulon sprak hij: Verheug u, Zabulon, over uw tochten, Gij Issakar, over uw tenten.
18ゼブルンについてはこう言った。 「ゼブルンよ、出て行くときに喜べ。 イッサカルよ、天幕の中で喜べ。
19Volken nodigen zij uit op de berg, Om daar gerechte offers te brengen; Want de overvloed der zeeën zuigen zij in, Met de verborgen schatten van het strand.
19彼らは民を山へ招き、 そこで義のいけにえを献げる。 海の豊かさを吸い上げ、 砂に隠された宝を得る。」
20Over Gad sprak hij: Gezegend Hij, die Gad ruimte verschaft, Zodat hij zich neervlijt als een leeuwin, En arm en schedel verscheurt,
20ガドについてはこう言った。 「ガドの領土を広げる方は、ほめたたえられる。 ガドは雌獅子のように伏し、 腕も頭の頂も引き裂く。
21Maar voor zich het beste deel behoudt, Want een vorstelijk deel lag daar bewaard. Hij kwam met de hoofden van het volk Voltrok de gerechtigheid van Jahweh En zijn gerichten met Israël samen.
21彼は自分のために最良の地を選んだ。 指導者の分がそこに取っておかれた。 彼は民のかしらたちとともに来て、 主の義を行い、 イスラエルとともに主の法を守った。」
22Over Dan sprak hij: Dan is een jonge leeuw, Die opspringt uit Basjan.
22ダンについてはこう言った。 「ダンは若獅子、 バシャンから躍り出る。」
23Over Neftali sprak hij: Neftali is verzadigd van gunst, En vervuld van de zegen van Jahweh, Het meer met de zuidstreek is zijn bezit.
23ナフタリについてはこう言った。 「ナフタリよ、恵みに満ち足り、 主の祝福に満ちている者よ、 西と南を所有せよ。」
24Over Aser sprak hij: De meest gezegende zoon is Aser, De meest begunstigde onder zijn broeders. Hij dompelt zijn voet in de olie.
24アシェルについてはこう言った。 「アシェルは息子たちの中で祝福されるように。 兄弟たちに愛され、 その足を油に浸すように。
25Van ijzer en koper zijn uw sloten, En heel uw leven woont gij veilig.
25あなたのかんぬきは鉄と青銅。 あなたの日々に応じて、力も続く。
26Niemand is gelijk aan God, O Jesjoeroen: Die de hemelen bestijgt om u te helpen, De wolken in zijn majesteit!
26「エシュルンよ、神に並ぶ者はいない。 神は天を駆けてあなたを助け、 威光のうちに雲を進まれる。
27Een toevlucht is de oude God, Met eeuwig uitgestrekte armen. Hij dreef den vijand voor u uit, En sprak: Verdelg!
27永遠の神があなたの住まい、 下にはとこしえの御腕。 神は敵をあなたの前から追い払い、 『滅ぼせ』と言われた。
28Zo woonde Israël zonder zorg, Jakobs bron in veiligheid, In een land van koren en most, Waarop zijn hemel dauw laat druppelen.
28イスラエルは安らかに住み、 ヤコブの泉はただ一人、 穀物と新しいぶどう酒の地に住む。 その天は露を滴らす。
29Israël, wie is gelukkig als gij, Een volk door Jahweh gered? Hij is het schild van uw hulp, Het zwaard van uw glorie: Vijanden zullen u vleien En gij zult hun toppen betreden.
29イスラエルよ、あなたは幸い。 だれがあなたのようであろう。 主に救われた民、 主はあなたを助ける盾、あなたの威光の剣。 敵はあなたに服し、 あなたは彼らの高き所を踏みつける。」

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.