Deuteronomium 24
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Freedom Bible (フリーダム・バイブル)
1Wanneer een man een vrouw huwt, maar omdat hij haar later niet meer genegen is, daar hij iets schandelijks in haar heeft ontdekt, voor haar een scheidingsbrief schrijft, haar die ter hand stelt, en haar zijn huis uitzendt:
1男が妻をめとった後、彼女に何か恥ずべきことを見いだし、彼女が彼の目にかなわなくなったなら、離縁状を書いて手に渡し、家から去らせる。
2en wanneer zij dan uit zijn huis is vertrokken, naar een anderen man is gegaan en zijn vrouw is geworden,
2彼女が彼の家を去った後、行って他の男の妻となってもよい。
3maar ook die andere man krijgt afkeer van haar, zodat ook hij haar eén scheidingsbrief schrijft en ter hand stelt, en haar zijn huis uitzendt: of die andere man, die haar tot vrouw heeft genomen sterft,
3もし後の夫が彼女を憎み、離縁状を書いて彼女の手に渡し、自分の家から去らせた場合、あるいは彼女を妻とした後の夫が死んだ場合、
4dan mag haar eerste man, die haar heeft weggezonden, haar niet voor de tweede maal huwen, nadat zij zich heeft laten bezitten. Want dat is een gruwel voor Jahweh, en gij moogt het land niet bezoedelen, dat Jahweh, uw God, u tot erfdeel geeft.
4彼女を去らせた最初の夫は、彼女が身を汚された後で、再び彼女を妻としてめとることはできない。それは主の前に忌まわしいことだからである。あなたの神、主が所有地としてあなたに与えられる地に、罪をもたらしてはならない。
5Wanneer een man pas een vrouw heeft getrouwd, behoeft hij niet te velde te trekken, of een andere verplichting op zich te nemen. Een jaar lang zal hij vrij zijn voor zijn gezin, en zal hij zijn vrouw verblijden, die hij heeft gehuwd.
5新しく妻をめとった男は軍隊に出ず、いかなる任務も課せられない。一年間は家にあって自由に過ごし、めとった妻を喜ばせる。
6Men mag geen beslag leggen op de handmolen noch op de bovenste molensteen; want dan legt men beslag op het leven.
6だれも、ひき臼や上のひき臼を質にとってはならない。それは人の命を質にとることだからである。
7Wanneer iemand er op wordt betrapt, dat hij een van zijn broeders, een Israëliet, rooft, hem als slaaf behandelt of verkoopt, dan moet die dief sterven. Zo moet ge dit kwaad uit uw midden verwijderen.
7イスラエルの子らである兄弟の一人を誘拐し、奴隷として扱うか売った者が見つかったなら、その誘拐した者は死刑に処せられる。こうして、あなたがたの中から悪を取り除け。
8Onderhoudt bij melaatsheid zorgvuldig en nauwgezet, wat de levietische priesters u voorschrijven: volbrengt zorgvuldig, wat Ik hun heb geboden.
8規定の病の患部については、レビ人の祭司たちが教えるすべてのことに注意して聞き従い、行え。わたしが彼らに命じたとおり、注意して守れ。
9Denk aan wat Jahweh, uw God, bij uw uittocht uit Egypte onderweg aan Mirjam heeft gedaan.
9あなたがたがエジプトから出て来たとき、道中であなたの神、主がミリアムになされたことを思い起こしなさい。
10Wanneer gij aan uw naaste iets hebt geleend, moogt ge zijn huis niet binnengaan, om een pand van hem te nemen.
10隣人にいかなる貸し付けを行うときも、あなたは質物を取るために彼の家に入って行ってはならない。
11Gij moet buiten blijven staan, en de man, wien ge iets hebt geleend, moet zelf het pand buiten bij u brengen.
11あなたは外に立ち、貸し付けを受ける者が質物を外へ持って来るのを待て。
12Zo het een arme is, moogt ge niet in zijn pand gaan slapen,
12もし彼が貧しい人なら、あなたはその質物を持ったまま寝てはならない。
13maar gij moet het bij zonsondergang teruggeven, zodat hij in zijn mantel kan slapen. Dan zal hij u zegenen, en zal het u tot gerechtigheid worden aangerekend voor het aanschijn van Jahweh, uw God.
13日が沈むころには、必ず質物を返せ。彼が自分の着物を着て眠り、あなたを祝福するためである。それはあなたの神、主の前で、あなたの義となる。
14Gij moogt een armen en behoeftigen dagloner, uw broeder zowel als een vreemde, die in uw land binnen uw poorten woont, niet te kort doen.
14あなたの兄弟であれ、あなたの地、あなたの町に住む寄留者であれ、貧しくて困窮している雇い人をしいたげてはならない。
15Gij moet hem iedere dag zijn loon uitbetalen, zodat de zon daarover niet ondergaat; want hij is arm en verlangt er naar. Anders klaagt hij u bij Jahweh aan, en treft u schuld.
15その日のうちに、日が沈む前に賃金を支払え。彼は貧しく、その賃金を待ち望んでいる。彼があなたを主に訴えて叫び、あなたが罪を負うことのないためである。
16Vaders mogen niet worden gedood om de schuld van de kinderen, en kinderen niet om die van de vaders; maar iedereen zal voor zijn eigen zonden worden gedood.
16父は子供のために死刑に処せられてはならず、子供も父のために死刑に処せられてはならない。人はそれぞれ自分の罪のために死刑に処せられる。
17Gij moogt het recht van den vreemdeling en van den wees niet verkrachten, en geen beslag leggen op het kleed van een weduwe.
17寄留者や孤児の裁きを曲げてはならない。また、やもめの着物を質にとってはならない。
18Denk er aan, dat gij slaaf zijt geweest in Egypte, en Jahweh, uw God, u daaruit heeft bevrijd; daarom beveel ik u, zo te handelen.
18あなたはエジプトで奴隷であったこと、そしてあなたの神、主があなたをそこから贖い出されたことを思い起こしなさい。それゆえ、わたしはこのことを行うようにあなたに命じる。
19Wanneer gij op uw akker aan het oogsten zijt, en een schoof op de akker vergeet, moogt gij niet terugkeren, om die te gaan halen. Ze komt den vreemdeling, den wees en de weduwe toe, opdat Jahweh, uw God, u zegene bij al wat ge doet.
19畑で収穫を刈り入れるとき、束を畑に忘れても、取りに戻ってはならない。それは寄留者、孤児、やもめのものとせよ。あなたの神、主があなたの手のすべての業を祝福されるためである。
20En wanneer ge uw olijven afslaat, moogt ge de takken niet verder afzoeken; dit is voor den vreemdeling, den wees en de weduwe.
20オリーブの実を打ち落とすときは、枝をもう一度調べてはならない。残った実は寄留者、孤児、やもめのものとせよ。
21Of wanneer gij uw wijngaard plukt, moogt ge geen nalezing houden; ook dit is voor den vreemdeling, den wees en de weduwe.
21ぶどう園の実を摘むときは、後から拾い集めてはならない。残った実は寄留者、孤児、やもめのものとせよ。
22Denk er aan, dat gij slaaf zijt geweest in Egypte; daarom beveel ik u, zo te handelen.
22あなたはエジプトの地で奴隷であったことを思い起こしなさい。それゆえ、わたしはこのことを行うようにあなたに命じる。
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.