1 Letopisu 7
Kralice Bible (1613)Translation
Kralice Bible (1613)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Synové pak Izacharovi: Tola, Fua, Jasub a Simron, čtyři.
1De zonen van Issakar waren: Tola, Poea, Jasjoeb en Sjimron, in het geheel vier.
2Synové pak Tolovi: Uzi, Refaia, Jeriel, Jachmai, Jipsam, Samuel, knížata po domích otců jejich, pošlí od Toly, muži udatní v pokoleních svých. Počet jejich ve dnech Davidových byl dvamecítma tisíců a šest set.
2De zonen van Tola waren: Oezzi, Refaja, Jeriël, Jachmai, Jibsam en Sjemoeël. Ze waren familiehoofden van het geslacht Tola, en dappere mannen; het aantal van hun afstammelingen bedroeg ten tijde van David twee en twintigduizend zeshonderd.
3Synové Uzovi: Izrachiáš. Synové pak Izrachiášovi: Michael, Abdiáš, Joel a Isia, všech pět knížat.
3De zoon van Oezzi was Jizrachja; de zonen van Jizrachja waren: Mikaël, Obadja, Joël en Jisji-ja; in het geheel vijf opperhoofden.
4A s nimi v pokoleních jejich, po čeledech jejich otcovských, mužů válečných třidceti šest tisíců; nebo mnoho měli žen a synů.
4Tot de verschillende families van hun afstammelingen behoorden zes en dertigduizend man krijgsvolk; zoveel vrouwen en kinderen hadden ze!
5Bratří také jejich po všech čeledech Izachar, mužů udatných osmdesáte sedm tisíců, všech vyčtených.
5Al hun stamgenoten, die van Issakar afstamden, waren dappere mannen; in het geheel werden er zeven en tachtigduizend in het stamregister opgenomen.
6Synové Beniaminovi: Béla, Becher, Jediael, tři.
6De zonen van Benjamin waren: Bela, Béker en Je-diaël, in het geheel drie.
7Synové pak Bélovi: Ezbon, Uzi, Uziel, Jerimot a Iri, pět knížat čeledí otcovských, muži udatní; načteno jich dvamecítma tisíců, třidceti a čtyři.
7De zonen van Bela waren: Esbon, Oezzi, Oezziël, Jerimot en Iri, in het geheel vijf. Ze waren familiehoofden en dappere mannen; twee en twintigduizend vier en dertig stonden er in het stamregister.
8Potom synové Becherovi: Zemira, Joas, Eliezer, Elioenai, Amri, Jeremot, Abiáš, Anatot a Alemet, všickni synové Becherovi.
8De zonen van Béker waren: Zemira, Joasj, Eliézer, Eljoënai, Omri, Jeremot, Abi-ja, Anatot en Alémet; allen zonen van Béker en familiehoofden.
9Kterýchž počet po pokoleních jejich, a po knížatech v domě čeledí otcovských, mužů udatných, dvadceti tisíců a dvě stě.
9Hun afstammelingen waren dappere mannen; twintigduizend tweehonderd stonden er in het stamregister.
10Synové také Jediaelovi: Bilan. Synové pak Bilanovi: Jeus, Beniamin, Ahod, Kenan, Zetan, Tarsis a Achisachar.
10De zoon van Jediaël was Bilhan; de zonen van Bilhan waren: Jeöesj, Binjamin, Ehoed, Kenaäna, Zetan, Tarsjisj en Achisjáchar:
11Všech těch synů Jediaelových po knížatech čeledí, mužů udatných, sedmnáct tisíc a dvě stě, vycházejících na vojnu k bitvě,
11allen zonen van Jediaël en familiehoofden. Hun afstammelingen waren dappere mannen, en telden zeventienduizend tweehonderd dienstplichtigen.
12Kromě Suppim a Chuppim, synů doma zrozených, a Chusim, synů vně zplozených.
12Sjoeppim en Choeppim waren zonen van Ira; Choesjim was de zoon van Acher.
13Synové Neftalímovi: Jasiel, Guni, Jezer a Sallum, synové Bály.
13De zonen van Neftali waren: Jachaziël, Goeni, Jéser en Sjalloem; ze waren kinderen van Bilha.
14Synové Manassesovi: Asriel, kteréhož mu manželka porodila. (Ženina též jeho Syrská porodila Machira, otce Galád.
14De zonen van Manasse waren vooreerst Asriël, die een ongenoemde hem schonk. Dan schonk zijn aramese bijvrouw hem Makir, den stamvader van Gilad.
15Machir pak vzal manželku Chuppimovu a Suppimovu, a jméno sestry jeho Maacha.) Jméno pak druhého Salfad, a měl Salfad dcery.
15Makir nam een vrouw voor Choeppim en Sjoeppim; zijn ene zuster heette Maäka, de andere Selofchad. Selofchad kreeg dochters,
16Porodila pak Maacha manželka Machirova syna, kteréhož nazvala Fáres, a jméno bratra jeho Sáres, synové pak jeho Ulam a Rekem.
16maar Maäka, de vrouw van Makir, kreeg een zoon, dien ze Péresj noemde; zijn broer heette Sjéres, en zijn zonen: Oelam en Rékem.
17Synové pak Ulamovi: Bedan. Tiť jsou synové Galád syna Machirova, syna Manassesova.
17De zoon van Oelam was Bedan. Dit waren de afstammelingen van Gilad, den zoon van Makir, zoon van Manasse.
18Sestra pak jeho Molechet porodila Ishoda a Abiezera a Machla.
18Zijn zuster Hammoléket schonk het leven aan Isjhod, Abiézer en Machla.
19Byli pak synové Semidovi: Achian, Sechem, Likchi a Aniam.
19De kinderen van Sjemida heetten Achjan, Sjekem, Likchi en Aniam.
20Synové pak Efraimovi: Sutelach, a Bered syn jeho, Tachat syn jeho, Elada syn jeho, Tachat syn jeho,
20De zoon van Efraïm was Sjoetélach. De zoon van Sjoetélach was Béred; die van Béred was Táchat; die van Táchat was Elada; die van Elada was Táchat; die van Táchat was Zabad;
21Též Zabad syn jeho, Sutelach syn jeho, Ezer a Elad. I zbili je muži Gát, kteříž zrozeni byli v zemi té; nebo sstoupili byli, aby zajali dobytky jejich.
21die van Zabad waren Sjoetélach, Ézer en Elad. Dezen werden door de burgers van Gat, de inheemse bevolking, gedood, toen ze uitgetrokken waren, om hun vee te roven.
22Protož kvílil Efraim otec jejich za mnohé dny, a přišli bratří jeho, aby ho těšili.
22Efraïm, hun vader, betreurde ze lange tijd; maar toen zijn broeders hem waren komen troosten,
23Potom všel k manželce své, kteráž počala a porodila syna, a nazval jméno jeho Beria, že byl v zámutku pro rodinu svou.
23had hij weer gemeenschap met zijn vrouw. Zij werd zwanger, en schonk het leven aan een zoon, dien zij Beria noemde, omdat zij in zijn huis een kwade tijd had beleefd.
24Dceru také Seeru, kteráž vystavěla Betoron dolní i horní, a Uzen Seera.
24De dochter van Beria was Sjeëra; zij bouwde Boven- en Beneden Bet-Choron en Oezzen-Sjeëra.
25A Refacha syna jeho, Resefa, Telecha, a Tachana syna jeho,
25De zoon van Beria was Réfach; die van Réfach waren Résjef en Télach; die van Télach was Táchan;
26Ladana syna jeho, Amiuda syna jeho, Elisama syna jeho,
26die van Táchan was Ladan; die van Ladan was Ammihoed; die van Ammihoed was Elisjama;
27Non syna jeho, Jozue syna jeho.
27die van Elisjama was Non; die van Non was Jehosjóea.
28Vládařství pak jejich a bydlení jejich Bethel s vesnicemi svými, a k východu Náran, a k západu Gázer a vesnice jeho, Sichem s vesnicemi svými, až do Gázy a vesnic jeho.
28Hun erfgoed en woonplaatsen waren Betel met bijbehorende plaatsen; verder Naäran in het oosten, en Gézer, Sikem en Ajja in het westen, alle met bijbehorende plaatsen.
29A v místech naproti synům Manassesovým: Betsan s vesnicemi svými, Tanach s vesnicemi svými, Mageddo s vesnicemi svými, Dor s vesnicemi svými. V těch bydlili synové Jozefa syna Izraelova.
29In het bezit van de Manassieten waren ook Bet-Sjean, Taänak, Megiddo en Dor, alle met bijbehorende plaatsen; in deze steden waren de zonen van Josef gevestigd, den zoon van Israël.
30Synové Asser: Jemna, Jesua, Jesui, Beria, a Serach sestra jejich.
30De zonen van Aser waren: Jimna, Jisjwa, Jisjwi en Beria; ze hadden een zuster Sérach.
31Synové pak Beriovi: Heber, Melchiel. Onť jest otec Birzavitův.
31De zonen van Beria waren Chéber en Malkiël. Malkiël was de vader van Birzáit.
32Heber pak zplodil Jafleta, Somera, Chotama, a Suu sestru jejich.
32Chéber was de vader van Jaflet, Sjomer en Chotam; dezen hadden een zuster Sjóea.
33Synové pak Jafletovi: Pasach, Bimhal, a Asvat. Ti jsou synové Jafletovi.
33De zonen van Jaflet waren: Pasak, Bimhal en Asjwat, allen zonen van Jaflet.
34Synové pak Somerovi: Achi, Rohaga, Jehubba a Aram.
34De zonen van Sjomer waren: Achi, Rogga, Jechoebba en Aram.
35Synové pak Helema, bratra jeho: Zofach, Jimna, Seles a Amal.
35De zonen van Chélem, zijn broeder, waren: Sofach, Jimna, Sjélesj en Amal.
36Synové Zofachovi: Suach, Charnefer, Sual, Beri a Jimra,
36De zonen van Sofach waren: Sóeach, Charnéfer, Sjoeal, Beri, Jimra,
37Bezer, Hod, Samma, Silsa, Jitran a Béra.
37Béser, Hod, Sjamma, Sjilsja, Jitran en Beëra.
38Synové Jeterovi: Jefunne, Fispa a Ara.
38De zonen van Jéter waren: Jefoenne, Pispa en Ara;
39Synové pak Ulla: Arach, Haniel a Riziáš.
39die van Oella waren: Arach, Channiël en Ris-ja.
40Všickni ti synové Asser, knížata domů otcovských, vybraní, udatní, přední z knížat, kteříž vyčteni do vojska k bitvě, v počtu šest a dvadceti tisíc mužů.
40Het waren allen zonen van Aser: uitstekende familiehoofden, dappere mannen en hoofden der vorsten. In hun stamregister stond een aantal van zes en twintigduizend dienstplichtigen.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.