Езекиїла
Chapter 26
Kulish and Puluj Bible (…
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers

Езекиїла 26

Kulish and Puluj Bible (1905)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1У в одинайцятому ж роцї, на первий день первого місяця надійшло до мене слово Господнє:
1In het elfde jaar, op de eerste van de maand, werd het woord van Jahweh tot mij gericht:
2Сину чоловічий! за те, що Тир гукав про Ерусалим: Ага! поламано брами народів! До мене тепер вони обертаються; я насичуся, бо він став пусткою, —
2Mensenkind, omdat Tyrus over Jerusalem uitriep: Haha! opengebroken Is de poort der volken; Aan mij gaat over, Heel zijn heerlijkheid!
3За те, так говорить Господь Бог: Встаю я на тебе, Тире, й наведу многі народи на тебе, наче б море підняло филї свої.
3Daarom zegt Jahweh, de Heer: Tyrus, Ik kom op u af, Voer tegen u aan Talrijke volken, Zoals de zee haar golven aanspoelt.
4Збурять вони Тирові мури й повалять башти його; й вимету порох із його, й зроблю його голою скелею.
4Die zullen Tyrus’ muren slopen, Zijn torens omverhalen. Ik spoel de grond van hem af, En maak het tot een kale rots.
5Стане він хиба місцем, де рибалки свої неводи будуть серед моря розстилати; се бо я сказав так, говорить Господь Бог, і станеться він лупом народів.
5Het wordt een droogplaats van netten Midden in zee! Want Ik heb het gezegd, Is de godsspraak van Jahweh, den Heer! Het zal een prooi der volken worden,
6Дочки ж його, що в тій землї, повбиває меч, і зрозуміють, що я — Господь.
6Zijn dochters op het vasteland Zullen met het zwaard worden vermoord; Zo zullen ze erkennen, dat Ik Jahweh ben!
7Так бо говорить Господь Бог: Ось, я нашлю од півночі Навуходонозора, царя Вавилонського, царя над царями, проти Тиру з кіньми й колесницями й їздецями та з цїлим роєм народів.
7Want dit zegt Jahweh, de Heer: Zie, Ik ontbied Nabukodonosor naar Tyrus, Den koning van Babel, den koning der koningen uit het noorden: Met paarden, wagens en ruiters, Met een leger van talloze drommen.
8Він вирубає мечем дочерні міста твої, побудує проти тебе облягові башти, насипле вал кругом тебе й поставить щити проти тебе;
8Uw dochters op het vasteland Maakt hij af met het zwaard; Tegen u zelf werpt hij verschansingen op, Legt een wal om u heen, Een schilddak heft hij tegen u op!
9А до мурів твоїх прикотить тарани й порозвалює сокирами башти твої.
9De stoot van zijn stormram richt hij op uw muren, En met zijn breekijzers sloopt hij uw torens;
10Від роїв коней його покриють тебе порохи, від стуку їздецїв і коліс і колесниць тремтїти муть мури твої, як він входити ме в ворота твої, так як уходиться в опанований город.
10Door de drom van zijn paarden opgejaagd, Zal het stof u bedekken. Door het geratel van ruiters, van wielen en wagens Beginnen uw muren te dreunen, Wanneer hij uw poorten binnenrijdt, Zoals men door de bressen trekt van een stad.
11Кінськими копитами повитоптує улицї твої, повбиває мечем людей твоїх, і повалить на землю памятники сили твоєї.
11Met de hoeven van zijn paarden Slaat hij al uw plaveisels aan stukken; En uw bevolking maakt hij af met het zwaard. Uw trotse gedenktekens Smijt hij tegen de grond;
12І порозхапують скарби твої, пожакують склади товарів твоїх, порозвалюють мури твої, порозбивають пишні будинки твої, й повкидають у море каміннє з них і сволоки, ба й румовища твої.
12Hij plundert uw rijkdom, Maakt uw handelswaar buit. Hij haalt uw muren omver, Breekt uw praalhuizen af; Uw stenen en balken en puin Werpt hij midden in zee.
13І зроблю конець гомонові пісень твоїх, і голосу цитер твоїх не буде вже чути.
13Ik zal doen verstommen De klank uwer liederen; En het getokkel uwer harpen Zal nimmermeer worden gehoord.
14І зроблю тебе голою скелею, будеш порожним місцем про рибалок до розстилання неводів їх: не будеш уже наново відбудований, я бо, Господь, сказав так, говорить Господь Бог.
14Ik zal een kale rots van u maken, Ge wordt een droogplaats van netten; Nooit wordt ge meer opgebouwd, Want Ik heb het gezegd, spreekt Jahweh, de Heer!
15Так говорить Господь Бог Тирові: Хиба ж од гуку розпаду твого, від стогнання ранених, коли посеред тебе лютувати ме побій, не потрясуться (сусїдні) острови?
15Zo spreekt Jahweh, de Heer! Ja, door de dreun van uw val, Door het gekreun der gewonden, En het trekken der zwaarden binnen uw muren, Zullen de eilanden beven!
16І посходять усї князї морські з престолів своїх, і поскидають із себе царські плащі свої, й поздіймають мережану одїж свою, та й повдягаються в дрожаннє; посїдають на долівцї, й що хвилї будуть здрогатись та торопіти зза тебе.
16Van hun tronen dalen ze neer Alle gebieders der zee; Hun mantels leggen ze af, Hun bonte gewaden trekken ze uit. Ze trekken hun rouwkleding aan, Zetten zich neer op de grond; Elk ogenblik schrikken ze op, Star van ontzetting om u!
17І голосити муть про тебе, й промовляти про тебе: Як се ти повалився, ти, що винирнув із моря, ти, славний городе, потужен на морі, — сам ти й осадники твої, — ти, що всї поморяне тремтїли від тебе!
17Dan heffen ze een klaagzang over u aan, En zeggen tot u: Hoe zijt ge gevallen, van de zeeën verdwenen, Gij hooggeprezen stad! Gij, die machtig waart op de oceaan: Gijzelf en uwe bevolking; Die de schrik aanjoegt Bij al zijn bewoners.
18Тепер, в часї упаду твого, задрожали острови, поторопіли острови морські од погибелї твоєї.
18Nu ontstellen de kustlanden Op de dag van uw val, Staan de eilanden der zee verbijsterd Over uw lot.
19Так бо говорить Господь Бог: Як зроблю тебе безлюдним городом, таким як ті міста, що стоять пустками; як напущу на тебе повідь, як покриють тебе великі води,
19Want zo spreekt Jahweh, de Heer: Als Ik van u een verwoeste stad heb gemaakt, Aan onbewoonde steden gelijk; Als Ik de oceaan over u heen heb gedreven, En diepe wateren u bedekken:
20Тодї зіпхну тебе до тих, що посходили в яму, до людей, що колись були, й зложу тебе в преисподнях земних, у вічних пустинях проміж тими, що посходили в яму, щоб нїколи вже тебе не оселено, а на землї живих явлю мою славу.
20Dan stoot Ik u neer, naar die in het graf zijn gedaald, Naar het volk van weleer; Geef u een plaats in de diepte der aarde, In de oeroude puinen. Bij hen, die in het graf zijn gezonken; Opdat ge niet terugkeert, Geen plaats meer inneemt, In het land der levenden.
21О, страшно спустошу тебе, й не стане тебе; шукати муть тебе, та не знайдуть по віки, говорить Господь Бог.
21Ik maak een spookbeeld van u: ge zijt niet meer; Men zal u zoeken, maar u niet vinden, In eeuwigheid niet! Is de godsspraak van Jahweh, den Heer!

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.