Езекиїла 21
Kulish and Puluj Bible (1905)Translation
Kulish and Puluj Bible (1905)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1І надійшло до мене слово Господнє:
1Toen werd dit woord van Jahweh tot mij gericht:
2Сину чоловічий! повернись лицем проти Ерусалиму й проповідуй проти сьвятинь, й пророкуй проти землї Ізраїлської
2Mensenkind, richt dan uw gelaat naar Jerusalem, en laat uw woorden kletteren tegen hun heiligdom; profeteer tegen Israëls bodem,
3І скажи землї Ізраїлській: Так говорить Господь Бог: Ось, я — на тебе, й добуду меча мого з піхви та й повигублюю в тебе праведного й безбожного.
3en zeg tot het land van Israël: Zo spreekt Jahweh, de Heer! Ik kom op u af; Ik trek mijn zwaard uit de schede, en delg uit u weg zowel goeden als kwaden.
4На те, щоб вигубити в тебе й праведного й безбожного, вдарить меч мій із піхви проти всякого тїла від полудня та й до півночі.
4Om uit u te verdelgen zowel goeden als kwaden, daarom gaat mijn zwaard uit de schede tegen alle schepselen van zuid tot noord.
5І зрозуміє всяке тїло, що то я, Господь, добув із піхви меча мого й він уже туди не вернеться.
5Dan zullen alle schepselen erkennen, dat Ik, Jahweh, mijn zwaard uit de schede heb getrokken! Neen, het gaat er niet meer in terug!
6Ти ж, сину чоловічий, стогни, наче б костї в крижах твоїх ломались, стогни гірко перед їх очима.
6Mensenkind. ge moet in hun bijzijn gaan kreunen; kreunen alsof u de lenden breken, alsof ge weeën lijdt.
7І як питати муть у тебе: Чого стогнеш? скажи: від того, що чую, — і заниє всяке серце, й усї руки поопускаються, й струхлїє всяка душа, й усї колїна, наче вода, задрожать. Ось, воно прийде й справдиться, говорить Господь Бог.
7En als ze u dan vragen: Waarom kreunt ge? moet ge zeggen: Over een tijding die komt, waardoor aller hart het besterft, hun handen slap hangen, hun moed versaagt, hun knieën knikken. Waarachtig, het komt, het zal gebeuren, zegt Jahweh, de Heer!
8І надійшло до мене Господнє слово:
8Het woord van Jahweh werd tot mij gericht:
9Сину чоловічий! пророкуй і скажи: Так говорить Господь Бог — скажи: Меч, меч — нагострений і вичищений!
9Menschenzoon, profeteer en zeg: Zo spreekt Jahweh: Een zwaard, een zwaard is geslepen, Een zwaard is gewet;
10Вигострений, щоб багато стинати; вичищений, щоб блищав, наче блискавиця. Хиба нам радуватись, що мечу сина мого всяке дерево нї-за-що?
10Om te slachten is het geslepen, Om te bliksemen is het gewet! Het slaat onheelbare wonden, Het spot met elke knuppel.
11Я дав його вичистити, щоб узяти в руку; вже вигострений той меч і вичищений, щоб віддати його в руку вбиваючому.
11Het is geslepen, om het in de vuist te vatten, Gewet, om het een moordenaar in de hand te drukken.
12Стогни й голоси, сину чоловічий, бо він ійде проти мого люду, проти всїх князїв Ізрайлевих. Подано їх під меч вкупі з моїм людом; тим то ударься об поли руками.
12Schreeuw en jammer, mensenkind, Want het keert zich tegen mijn volk, En tegen alle vorsten van Israël: Aan het zwaard zijn ze vervallen, tegelijk met mijn volk!
13Бо він уже витрібуваний. Йому нї-за-що й жезло; воно не устоїть, говорить Господь Бог.
13Daarom, sla op uw heup, Want de proef is genomen; En als de knuppel het begeeft, Het zwaard doet het niet, zegt Jahweh, de Heer!
14Ти ж, сину чоловічий, пророкуй і сплесни руками; меч той подвоїться й потроїться; се меч на тих, що мають погинути, на побиваннє великого, він добереться в середину осад їх.
14En gij, mensenkind, profeteer, En klap in uw handen; Verdubbel het zwaard in tweeën en drieën, Dat het een moordzwaard mag zijn! Het grote moordzwaard suist om hen heen,
15Щоб серця струхлїли, та й щоб полягло як найбільше, то я поуставляю у кожних воротях грізного меча. Ой горе! він блищить блискавкою, — вигострений до бою.
15Opdat aller hart het besterft, En tallozen vallen: Aan al hun poorten heb Ik een slachtbank gezet! Gij zwaard, gevormd om te bliksemen, En om te slachten gewet,
16Рубай-сїчи праворуч, побивай лїворуч, усюди, куди сягоне лезво твоє!
16Sla achteruit en naar rechts, Naar voren, naar links. Waarheen uw snede zich richt,
17І сам я плескати му руками й угашу досаду мою; я, Господь, сказав се.
17Klap ook Ik in mijn handen, En koel Ik mijn woede: Ik, Jahweh, heb het gezegd!
18І надійшло Господнє слово до мене:
18Het woord van Jahweh werd tot mij gericht:
19Ти ж, сину чоловічий, начеркни собі два шляхи, якими має йти меч царя Вавилонського. Із однієї землї мають оба виходити. І начеркни шляхову ручку при починї шляху, що веде в міста.
19Mensenkind, leg twee wegen aan, waarlangs het zwaard van Babels koning kan komen; van één land moeten ze beiden uitgaan. Zet een handwijzer aan het beginpunt van de weg naar de stad.
20Начеркни шлях, яким ійти мечеві на Раву Аммонїйську й в Юдею, в утверджений Ерусалим, —
20Eén weg moet ge banen, waarlangs het zwaard naar Rabba der Ammonieten komt; en een andere weg, waarlangs het naar Juda met haar middelpunt Jerusalem komt.
21Бо царь Вавилонський стоїть на роздорожжі при починї двох шляхів, а щоб угадати, перемішує (в сагайдацї) стріли, питає в терафима, зазирає в печінку.
21Want de koning van Babel staat aan de tweesprong, aan de kop der beide wegen, om een orakel uit te lokken. Hij schudt de pijlen, ondervraagt de huisgoden, en bekijkt de lever.
22По правій руцї в його жереб, що ворожить: у Ерусалим, щоб там поставити тарани, отворити уста до боєвих криків, взивати голосно до побою, поставити тарани проти брами, насипати вал, побудувати облягові башти.
22In zijn rechterhand heeft hij het lot “Jerusalem” gekregen, en nu heft hij een moordgeroep aan, en stoot hij de oorlogskreet uit, om aan de poorten stormrammen te plaatsen, een wal op te werpen en verschansingen te bouwen.
23Сеся ворожба буде видаватись ув очах їх пустою; та позаяк вони поклялись були, то він пригадав про їх віроломність, і постановив його здобути.
23En ofschoon het in hun ogen maar een loos orakel is: want hùn zijn de heiligste eden; toch brengt het hun schuld in herinnering, opdat ze gegrepen worden.
24Тим то ось як говорить Господь Бог: Позаяк ви самі пригадуєте беззаконства ваші, чините явними проступки ваші, і всїми вчинками вашими гріхи свої на вид виставляєте й усе те самі пригадуєте, то й мусите попастись у ворожі руки.
24Daarom, zegt Jahweh, de Heer: Daar gij aan uw schuld hebt herinnerd, omdat uw zonden openbaar zijn geworden en het slechte in al uw daden aan de dag is gekomen, daarom zult ge met de vuist gegrepen worden!
25Ти ж, негідний, безбожний князю Ізрайлїв, що на тебе прийшов день твій, і твоїй безбожностї настав конець, —
25En gij, verworpeling, misdadiger, vorst van Israël, wiens tijd gekomen is, nu de schuld het toppunt bereikt heeft:
26Так говорить Господь Бог: Здійми з голови корону, скинь царський вінець! се вже минулось: угору пійде низьке, униз високе!
26Zo spreekt Jahweh, de Heer! Weg met de diadeem en weg met de kroon! Dat is het echte niet! Het lage omhoog; het hoge omlaag!
27Скину, скину, скину, й не буде його, покіль прийде той, що має до його право й кому віддам його!
27Omkeer, omkeer, omkeer zal Ik bewerken. Wee over haar! Zo zal ze blijven, totdat Hij komt, die er recht op heeft; Hem zal Ik ze geven.
28А тепер, сину чоловічий, пророкуй і промов: Так говорить Господь Бог про Аммонїї і насьміхи їх, і скажи: Меч, меч уже добутий на вбиваннє, вичищений до затрачування, щоб блищав блискавицею, —
28Mensenkind, ge moet profeteren en zeggen: Zo spreekt Jahweh, de Heer, over de Ammonieten en hun schande: Een zwaard, een zwaard is getrokken om te slachten, Gewet om af te maken, gewet om te bliksemen:
29Щоб тим часом, як тебе обдурюють пустими видивами й марними ворожбами, — й тебе прилучено до тих постинаних безбожників, що їх день прийшов, коли їх безбожностї конець настане.
29Terwijl men loze visioenen voor u schouwt, En valse voorspellingen doet. Men zal het aan de hals der verdoemden leggen, En van goddelozen: Wier dag is gekomen, Nu de schuld haar toppunt bereikt!
30Сховати ж його назад у піхву? Нї, на тому місцї, де сотворено тебе, у землї, де постав єси, — там я буду судити тебе,
30Keer terug naar uw steden, Naar de plek waar ge werdt geschapen; Want in het land van uw oorsprong Zal Ik u richten!
31І зжену на тобі досаду мою, дихну на тебе огнем пересердя мого та й подам тебе на поталу людям жорстоким, що вправні в убиванню.
31Ik zal u mijn woede laten voelen, Met mijn gloeiende toorn op u blazen, U overleveren in de macht van barbaren, Die verderf zullen smeden.
32Пійдеш на пожир огня, кров твоя розлиється по землї, не буде й згадки про тебе; я бо, Господь, сказав так.
32Het vuur zult ge tot brandstof dienen, Uw bloed zal midden in uw land stromen, En niemand zal meer aan u denken: Waarachtig, Ik, Jahweh. heb het gezegd.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.