Jeremia 46
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Freedom Bible (フリーダム・バイブル)
1Het woord van Jahweh tegen de volken, dat tot den profeet Jeremias werd gericht.
1諸国民について預言者エレミヤに臨んだ主の言葉。
2Over Egypte. Over het leger van den Farao Neko, den koning van Egypte, dat aan de Eufraat bij Karkemisj stond, en dat Nabukodonosor, de koning van Babel, in het vierde jaar van Jojakim, den zoon van Josias en koning van Juda, heeft verslagen.
2エジプトについて。ユダの王ヨシヤの子エホヤキムの治世第四年に、バビロンの王ネブカドネザルがユーフラテス川のほとりのカルケミシュで打ち破った、エジプトの王ファラオ・ネコの軍隊について。
3Klaar met schild en rondas; op, tot de strijd,
3「小盾と大盾を備え、 戦いに近づけ。
4De paarden gespannen, de rossen bestegen; In het gelid, de helmen op, De lansen gewet, de pantsers aan!
4馬に馬具をつけよ。 騎兵たちよ、馬に乗れ。 かぶとをかぶって立て。 槍を磨き、 よろいを着よ。
5Wat: ze beven, ze wijken; Hun helden worden verslagen, Ze vluchten, zonder om te zien? Verschrikking alom, is de godsspraak van Jahweh!
5なぜ、このような光景が見えるのか。 彼らはうろたえ、後ろへ退いている。 勇士たちは打ち倒され、 急いで逃げ、 振り返ることもしない。 恐怖が四方にある」と、 主は言われる。
6Zelfs de vlugge kan niet ontsnappen, De held zich niet redden; In het noorden, aan de oever van de Eufraat, Wankelen ze, en storten ze neer!
6「足の速い者も逃げ去るな。 勇士も逃れるな。 北のユーフラテス川のほとりで、 彼らはつまずき、倒れた。
7Wie golft daar aan als de Nijl, Als stromen met bruisende wateren?
7ナイル川のように増水し、 水が逆巻く川々のように押し寄せる者はだれか。
8Egypte golft aan als de Nijl, Als stromen met klotsende golven! Het roept: Omhoog wil ik stijgen, Om de aarde te overstromen; Ik wil steden vernielen, Met de bewoners er in.
8エジプトはナイル川のように増水し、 水が逆巻く川々のように押し寄せる。 彼は言う。『私は上って行き、地を覆おう。 町々とその住民を滅ぼそう。』
9Paarden vooruit; wagens raast door, De helden naar voren: Ethiopiërs en Poetiërs, het schild in de hand, Lydiërs, de bogen gespannen en gericht!
9馬たちよ、駆け上れ。 戦車たちよ、荒れ狂え。 勇士たちは進み出よ。 盾を取るクシュ人とプテ人、 弓を取り、引き絞るルデ人よ。
10Maar dit is de dag van den Heer, Van Jahweh der heirscharen: Een dag van vergelding, Om zich te wreken op zijn bestrijders! Het zwaard verslindt, tot zijn honger gestild is, Het drinkt zich zat aan hun bloed; Want Jahweh richt een offer aan In het land van het noorden, aan de Eufraat.
10その日は万軍の主 なる神の日、 復讐の日であり、 敵に報復する日である。 剣は食い尽くして満ち足り、 彼らの血を存分に飲む。 万軍の主なる神が、北の地、 ユーフラテス川のほとりで、いけにえの宴を設けられるからだ。
11Trek op naar Gilad, om balsem te halen, Jonkvrouw, dochter van Egypte! Vergeefs verspilt gij medicijnen; Geen genezing voor u.
11エジプトの乙女よ、 ギレアデに上り、香油を取れ。 多くの薬を使っても無駄であり、 あなたには癒やしがない。
12De volken horen uw schande, De aarde is vol van uw klagen; Want de ene held is over den ander gestruikeld, En beiden zijn ze gevallen!
12諸国民はあなたの恥を聞き、 地はあなたの叫び声で満ちている。 勇士が勇士につまずき、 二人とも一緒に倒れたからだ。」
13Het woord, dat Jahweh tot den profeet Jeremias sprak over de veldtocht van Nabukodonosor, den koning van Babel, om het land van Egypte te teisteren!
13バビロンの王ネブカドネザルが来てエジプトの地を打つことについて、主が預言者エレミヤに語られた言葉。
14Verkondigt het in Egypte, meldt het in Migdol, Bericht het in Nof en Tachpanches; Roept: Stel u te weer, en houd u gereed, Want het zwaard verslindt om u heen!
14「エジプトで告げ、 ミグドルで知らせ、 メンフィスとタフパンヘスで知らせよ。 『立って備えよ。 剣があなたの周囲を食い尽くしたからだ』と言え。
15Wat: uw sterke gevallen, hij houdt geen stand? Neen, Jahweh heeft hem neergestoten.
15なぜ、あなたの強い者たちは押し流されたのか。 彼らは立てなかった。 主が彼らを押し倒されたからだ。
16Ook zijn huurtroepen struikelen en vallen, De een op den ander. Ze roepen: Voort, terug naar ons volk, Naar ons geboorteland voor het moordende zwaard!
16主は多くの者をつまずかせた。 彼らは互いの上に倒れた。 彼らは言った。『立て。 虐げる剣を逃れて、 自分たちの民、生まれ故郷へ帰ろう。』
17Noemt Farao, den koning van Egypte: “Lawaai, dat zijn tijd liet voorbijgaan!”
17彼らはそこで叫んだ。 『エジプトの王ファラオは、ただ騒ぎ立てるだけだ。 彼は定められた時を逃した。』
18Zo waar Ik leef, is de godsspraak des Konings, Jahweh der heirscharen is zijn Naam: Als een Tabor onder de bergen, Als een Karmel aan zee rukt er een aan.
18「わたしは生きている」と、 万軍の主という名を持つ王は言われる。 山々の中のタボルのように、 海辺のカルメルのように、 彼は必ず来る。
19Maak uw pak voor de ballingschap klaar, Bevolking, dochter van Egypte; Want Nof zal een wildernis worden, Vernield en ontvolkt.
19エジプトに住む娘よ、 捕囚に行く支度をせよ。 メンフィスは荒れ果て、 焼き払われ、 住む者がいなくなるからだ。
20Egypte is een prachtige koe: Maar een horzel uit het noorden valt op haar aan;
20エジプトは非常に美しい雌の子牛だ。 しかし、北から滅びが来た。 まさに来た。
21Ook op haar troepen in haar land Als op vetgemeste kalveren. Waarachtig, allen lopen ze weg, Ze vluchten heen, en houden geen stand; Want hun onheilsdag is gekomen, De tijd van hun straf!
21彼女の中にいる雇われ兵も、 肥育された子牛のようだ。 しかし、彼らも背を向け、 一緒に逃げ去った。 彼らは立ち向かわなかった。 災いの日、 罰せられる時が彼らに臨んだからだ。
22Hoort, als een sissende slang Schuiven ze voort langs het strand; Met bijlen gewapend, Trekken ze als houthakkers op haar af.
22エジプトの声は、 蛇が這う音のようになる。 敵が軍勢を率いて進み、 木を切る者のように、 斧を手にして彼女に向かって来るからだ。
23Ze vellen haar woud, is de godsspraak van Jahweh, Hoe ondoordringbaar het is; Want ze zijn talrijker nog dan een sprinkhanen-zwerm, Ze zijn niet te tellen.
23彼らはその森を切り倒す」と、主は言われる。 「それは探り尽くせないほど茂っていても、 彼らはばったよりも多く、 数え切れないからだ。
24De dochter van Egypte wordt te schande gemaakt, Overgeleverd aan het volk uit het noorden:
24娘なるエジプトは辱められ、 北の民の手に渡される。」
25Jahweh der heirscharen, Israëls God heeft het gezegd! Ik ga Mij wreken op Amon in No, Op Farao en op Egypte, Op zijn goden en vorsten, Op allen, die op hem vertrouwen!
25イスラエルの神、万軍の主はこう言われる。「見よ、わたしはノのアモンとファラオとエジプト、その神々と王たち、ファラオと彼に信頼する者たちを罰する。
26Ik lever ze uit aan wie hun leven belagen, Aan Nabukodonosor, den koning van Babel, en zijn vazallen. Eerst later wordt het weer vredig bewoond Als in vroegere dagen: is de godsspraak van Jahweh!
26わたしは彼らを、その命を狙う者たちの手、バビロンの王ネブカドネザルとその家来たちの手に渡す。しかし、その後、エジプトは昔のように人が住むようになる」と、主は言われる。
27Jakob, mijn dienaar, wees niet bang, Israël, gij behoeft niet te vrezen; Want Ik ga u verlossen uit verre gewesten, Uw kroost uit het land hunner ballingschap. Jakob keert terug, en vindt weer zijn rust, Onbekommerd, door niemand verschrikt.
27「しかし、わたしのしもべヤコブよ、恐れてはならない。 イスラエルよ、うろたえてはならない。 見よ、わたしは遠くからあなたを救い、 あなたの子孫を捕囚の地から救う。 ヤコブは帰り、 静かに安らかに暮らす。 彼を恐れさせる者はいない。
28Jakob, mijn dienaar, wees niet bang; want Ik ben met u, spreekt Jahweh! Ja, Ik ga alle volken vernielen, Waaronder Ik u heb verstrooid. Maar u zal Ik nimmer vernielen; Ik tuchtig u enkel, zoals ge verdient; Neen, Ik laat u niet ongestraft!
28わたしのしもべヤコブよ、恐れてはならない」と、主は言われる。 「わたしはあなたとともにいる。 わたしがあなたを追いやったすべての国々を完全に滅ぼしても、 あなたを完全には滅ぼさない。 しかし、あなたをしかるべき程度に懲らしめ、 決して罰せずに済ませることはしない。」
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.