Jeremia
Chapter 8
Petrus Canisius Bible, 1…
vs Freedom Bible (フリー…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Freedom Bible (フリーダム・バイブル)
1In die tijd, spreekt Jahweh, zal men het gebeente van Juda’s koningen en vorsten uit de graven halen, met het gebeente der priesters en profeten, met het gebeente van Jerusalems burgers.
1「その時」と、主は言われる。「人々はユダの王たちの骨、高官たちの骨、祭司たちの骨、預言者たちの骨、エルサレムの住民の骨を墓から取り出す。
2Men zal ze uitstallen voor zon en maan en heel het heir van de hemel, waarvan ze zoveel hebben gehouden, die ze hebben gediend en gevolgd, die ze hebben gezocht en aanbeden. Ze zullen niet worden verzameld, niet worden begraven, maar ze blijven liggen als mest op het land.
2彼らが愛し、仕え、従って歩み、求め、拝んだ太陽、月、天の万象の前に、それらをさらす。それらは集められることも葬られることもなく、地の表の糞のようになる。
3En de dood zal welkom zijn boven het leven voor de hele rest, die overblijft van dit boze geslacht, overal waar Ik ze heendrijf, is de godsspraak van Jahweh!
3わたしが追いやったすべての場所に残っている、この悪い一族の残りの者は皆、生きることよりも死ぬことを選ぶ」と、万軍の主は言われる。
4Ge moet hun zeggen: Zo spreekt Jahweh! Staat iemand, die valt, nooit meer op; Keert iemand, die heengaat, niet terug?
4「さらに、彼らにこう言え。『主はこう言われる。 「人は倒れたまま、再び立ち上がらないだろうか。 道をそれたまま、帰らないだろうか。
5Waarom valt dan dit volk, Valt dan Jerusalem altijd af? Waarom houden ze dan aan leugens vast, En weigeren ze, zich te bekeren?
5それなのに、なぜエルサレムのこの民は、 絶え間ない背信によって背き続けるのか。 彼らは欺きに固くすがり、 帰ることを拒んでいる。
6Ik luisterde en hoorde toe: Nooit spreken ze waarheid; Niemand heeft berouw van zijn boosheid, En zegt: Wat heb ik gedaan? Allen draven ze weg, Als een ros, dat stormt naar de strijd.
6わたしは耳を傾けて聞いたが、 彼らは正しいことを語らなかった。 だれ一人、『私は何をしてしまったのか』と言って、 自分の悪を悔い改めない。 戦いに突進する馬のように、 皆それぞれ自分の道へ向かう。
7Zelfs de ooievaar in de lucht Kent zijn vaste tijden; Trekduif, zwaluw en gans Houden vast aan de tijd van hun komst. Maar mijn volk weet niet eens, Wat het Jahweh verplicht is!
7空のコウノトリでさえ、自分の定められた時を知っている。 山鳩も、つばめも、鶴も、 自分たちが帰って来る時を守る。 しかし、わたしの民は主の律法を知らない。
8Hoe durft ge zeggen: We zijn wijs, Wij hebben de wet van Jahweh toch? Zeker, maar ze is in leugen veranderd Door de leugenstift der schriftgeleerden.
8あなたがたはどうして、 『私たちは知恵があり、主の律法が私たちとともにある』と言えるのか。 見よ、書記たちの偽りの筆が、それを偽りに変えてしまった。
9De wijzen worden te schande, verslagen, verstrikt; Ze hebben Jahweh’s woord veracht: wat wijsheid hebben ze dan?
9知恵ある者たちは恥を受け、 おびえ、捕らえられる。 見よ、彼らは主の言葉を退けた。 彼らにどんな知恵があるというのか。
10Daarom geef Ik hun vrouwen aan vreemden, Hun akkers aan nieuwe bezitters; Want van klein tot groot Azen allen op winst, Profeet en priester, Plegen allen bedrog;
10それゆえ、わたしは彼らの妻をほかの者に与え、 彼らの畑をそれを所有する者たちに与える。 小さい者から大きい者まで、 皆、利得をむさぼっている。 預言者から祭司に至るまで、 皆、偽りを行っている。
11Ze menen, de wonde van mijn volk te genezen, Door lichtzinnig te roepen: Vrede, vrede! En er is geen vrede!
11彼らは娘なるわたしの民の傷を上辺だけで癒やし、 平和がないのに、『平和だ、平和だ』と言う。
12Ze worden te schande, omdat ze zich schandelijk gedragen, Omdat ze niet blozen, en geen schaamte meer kennen. Daarom zullen ze vallen, als alles ineen valt; Struikelen, als Ik op hen afkom, spreekt Jahweh!
12彼らは忌まわしいことを行った時、恥じただろうか。 いや、少しも恥じず、 顔を赤らめることさえできなかった。 それゆえ、彼らは倒れる者たちの中で倒れる。 わたしが彼らを罰する時、彼らは倒される」と、主は言われる。
13Nu haal Ik de oogst bij hen in: Is de godsspraak van Jahweh! Aan de wijnstok geen druiven, Aan de vijgeboom geen vijgen, De blaren verdord: Ik geef ze aan de voorbijgangers weg!
13「わたしは彼らをことごとく滅ぼす」と、主は言われる。 「ぶどうの木にはぶどうがなく、 いちじくの木にはいちじくがなく、 葉もしおれる。 わたしが彼らに与えたものは、 彼らから取り去られる。」』」
14Waarom blijven we zitten? Verzamelt u; wij vluchten de vestingen in, En komen daar om; Want Jahweh, onze God, laat ons sterven. Hij geeft ons een gifdrank te drinken, Omdat wij tegen Jahweh hebben gezondigd.
14「なぜ、私たちはじっと座っているのか。 集まれ。 城壁のある町々に入り、 そこで黙っていよう。 私たちの神、主が私たちを沈黙させ、 毒の水を飲ませられたからだ。 私たちが主に罪を犯したからだ。
15Op heil nog hopen? Geen goed te verwachten! Op een tijd van genezing? Neen, van verschrikking!
15私たちは平和を待ち望んだが、良いことは何も来なかった。 癒やしの時を待ち望んだが、見よ、恐怖が来た。
16Uit Dan hoort men reeds Het gesnuif van zijn paarden; Van het gebries zijner hengsten Davert heel het land. Ze komen het land, met wat er op staat, verslinden, De stad met die er in wonen.
16ダンから敵の馬の鼻息が聞こえる。 その強い馬たちのいななきの音に、全地が震える。 彼らは来て、地とそこにあるすべてのもの、 町とそこに住む者たちを食い尽くした。」
17Want zie, Ik laat giftige slangen op u los, Waartegen geen bezwering zal baten; Die zullen u bijten: Is de godsspraak van Jahweh!
17「見よ、わたしはあなたがたの中に蛇を、 呪文の効かないまむしを送る。 それらがあなたがたにかみつく」と、主は言われる。
18Ongeneeslijk mijn smart, Mijn hart is zo ziek,
18ああ、悲しみの中で自分を慰めることができたなら。 私の心は内で弱り果てている。
19Hoort het jammeren van de dochter van mijn volk Uit verre gewesten: Is Jahweh dan niet meer in Sion, Is zijn Koning daar niet? Waarom hebben ze Hem toch getart met hun beelden, Met die nietigheden uit de vreemde?
19見よ、はるか遠い国から、 娘なるわたしの民の叫び声が聞こえる。 「主はシオンにおられないのか。 その王はそこにおられないのか。」 「なぜ、彼らは刻んだ像と 外国の偶像によって、わたしを怒らせたのか。」
20De oogst is voorbij, de zomer ten einde, En we zijn nòg niet gered.
20「刈り入れは過ぎ、 夏も終わった。 それでも、私たちは救われていない。」
21Ik ben gewond door de wonde van de dochter van mijn volk, In rouw, en met ontzetting geslagen.
21娘なる私の民の傷のために、 私も傷ついている。 私は嘆き、 恐れに捕らえられている。
22Is er geen balsem, geen geneesheer in Gilad; Waarom is de wonde van de dochter van mijn volk niet genezen?
22ギレアデに香油はないのか。 そこに医者はいないのか。 それなのに、なぜ娘なるわたしの民の傷は 癒やされないのか。

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.