Jeremia 48
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Freedom Bible (フリーダム・バイブル)
1Over Moab. Zo spreekt Jahweh der heirscharen, Israëls God! Wee over Nebo, want het is verwoest, Kirjatáim te schande gemaakt en veroverd, De vesting vernield, met schande bedekt,
1モアブについて。イスラエルの神、万軍の主はこう言われる。 「ネボに災いがある。 それは荒らされた。 キルヤタイムは辱められ、 占領された。 ミスガブ は辱められ、 打ち壊された。
2De glorie van Moab verdwenen! Tegen Chesjbon hebben ze onheil beraamd: “Komt, laat ons het verdelgen uit de rij van de volken!” Dimon, ook gij wordt verwoest, Het zwaard rent achter u aan.
2モアブの誉れは、もはやない。 ヘシュボンで、人々は彼女に災いを企てた。 『来い。彼女を国でなくしてしまおう。』 マデメンよ、あなたも沈黙させられる。 剣があなたを追う。
3Hoort, uit Choronáim gejammer: Verwoesting en grote vernieling;
3ホロナイムから叫び声がする。 荒廃と大いなる破壊の声だ。
4Gebroken is Moab, Zijn kreten weerklinken tot Sóar.
4モアブは打ち砕かれた。 その幼子たちの叫び声が聞こえる。
5Ach, de bergpas van Loechit Bestijgt men al schreiend; Op de helling van Choronáim Klinkt het gejammer om de vernieling.
5人々はルヒテの坂を、 泣き続けながら上る。 ホロナイムへの下り坂で、 破壊を嘆く苦しい叫び声を聞くからだ。
6Vliedt heen, redt uw leven, Als de wilde ezel in de woestijn;
6逃げよ。自分の命を救え。 荒野の灌木のようになれ。
7Ge hebt op uw maaksels en schatten vertrouwd; Daarom wordt gij zelf gevangen genomen, Zal Kemosj in ballingschap gaan, Met hem zijn priesters en vorsten.
7あなたは自分の行いと宝に信頼したので、 あなたも捕らえられる。 ケモシュは捕囚となって行く。 その祭司たちと高官たちもともに。
8De vernieler trekt op tegen iedere stad, Geen enkele blijft er gespaard; Het dal wordt vernield, de vlakte verwoest: Want Jahweh heeft het gezegd!
8破壊する者がすべての町に来る。 逃れられる町は一つもない。 谷は滅び、 平地は破壊される。 主が語られたとおりである。
9Geeft vleugels aan Moab, Want snel moet het vluchten. Zijn steden zullen een wildernis worden, Waar niemand woont.
9モアブに翼を与えよ。 飛び去ることができるように。 その町々は荒れ果て、 住む者がいなくなる。
10Vervloekt, wie het werk van Jahweh ten halve volbrengt, Vervloekt, wie bloed durft weigeren aan zijn zwaard!
10主の業を怠って行う者は呪われる。 剣を血に染めることを控える者も呪われる。
11Rust heeft Moab gekend Van zijn prilste jeugd af; Het lag ongestoord Op zijn droesem. Nooit werd het in een ander vat overgegoten, Nooit ging het in ballingschap; Zo heeft het steeds zijn smaak behouden, Is zijn geur niet vervlogen.
11モアブは若いころから安らかで、 澱の上に落ち着いていた。 器から器へ移し替えられず、 捕囚に行ったこともない。 それゆえ、その味は彼の中に残り、 その香りも変わらなかった。
12Maar daarom zullen de dagen komen, Is de godsspraak van Jahweh: Dat Ik tappers zend, die het af zullen tappen, Zijn vaten legen, zijn kruiken verbrijzelen!
12それゆえ、見よ、その日々が来る」と、主は言われる。 「その時、わたしは彼のもとに酒を移し替える者たちを送る。 彼らは彼を移し替え、 その器を空にし、 つぼを打ち砕く。
13Dan zal Moab om Kemosj beschaamd komen staan, Zoals het huis van Israël Te schande is geworden om Betel, Waarop het vertrouwd had.
13モアブはケモシュのことで恥を受ける。 イスラエルの家が、自分たちの頼みであったベテルのために恥を受けたように。
14Hoe durft ge nog zeggen: Helden zijn wij, Dappere mannen in de strijd!
14どうしてあなたがたは、 『私たちは勇士、戦いに強い者だ』と言えるのか。
15De vernieler van Moab trekt tegen hem op, De keur van zijn knapen wordt naar de slachtbank gesleept.
15モアブは荒らされ、 その町々には敵が攻め上った。 その選り抜きの若者たちは、屠られるために下って行った」と、 万軍の主という名を持つ王は言われる。
16Dit is de godsspraak des Konings, Jahweh der heirscharen is zijn Naam: De val van Moab is nabij, Zijn onheil nadert met spoed!
16「モアブの災いは近づき、 その苦難は急速に迫っている。
17Beklaagt het allen, gij zijn buren, Gij allen, die het kent bij zijn naam. Zegt: Hoe is zijn machtige schepter gebroken, Zijn heerlijke staf?
17その周囲にいる者たちよ、皆、彼のために嘆け。 その名を知る者たちよ、皆、こう言え。 『ああ、強い杖が、 美しい杖が折られた。』
18Daal af van uw glorie, zit neer in de drek, Bewoners van Dibon; Want de verwoester van Moab komt op u af, En vernielt uw burchten.
18ディボンに住む娘よ、 栄光の座から下り、 乾いた地に座れ。 モアブを破壊する者があなたに攻め上り、 あなたの要塞を滅ぼしたからだ。
19Ga aan de weg staan uit te kijken, Bewoners van Aroër; Vraagt aan hen die ontvlucht en ontsnapt zijn: Zegt; wat is er gebeurd?
19アロエルの住民よ、 道端に立って見張れ。 逃げて来る男と逃れた女に、 『何が起こったのか』と尋ねよ。
20“Moab vernield, met schande bedekt: Jammert en huilt; Meldt het de Arnon, Dat Moab verwoest is!”
20モアブは辱められた。 打ち砕かれたからだ。 泣き叫べ。叫べ。 アルノン川のほとりで、 モアブが荒らされたと告げよ。
21Het oordeel wordt aan de vlakte voltrokken, Aan Cholon, Jasa, Mefáat,
21裁きが平地に臨んだ。 ホロン、ヤハツ、メファアテに、
22Aan Dibon, Nebo, Bet-Diblatáim,
22ディボン、ネボ、ベテ・ディブラタイムに、
23Aan Kirjatáim, Bet-Gamoel, Bet-Meon.
23キルヤタイム、ベテ・ガムル、ベテ・メオンに、
24Aan Keri-jot, en aan Bosra, Aan alle steden van Moab, veraf of dichtbij:
24ケリヨテ、ボツラ、 また、遠く近くにあるモアブの地のすべての町々に。
25De hoorn van Moab wordt afgehouwen, Zijn arm gebroken, is de godsspraak van Jahweh!
25モアブの角は切り落とされ、 その腕は折られた」と、主は言われる。
26Maakt het dronken, Omdat het zich tegen Jahweh verhief, Zodat het in zijn eigen uitbraaksel plast, En tot bespotting zal worden.
26「彼を酔わせよ。 彼が主に向かって高ぶったからだ。 モアブは自分の吐いたものの中を転げ回り、 彼自身もあざけりの的となる。
27Of is Israël voor u geen bespotting geweest, Werd het niet onder de dieven gerekend? Ja, zo dikwijls gij het over hem hadt, Hebt ge meewarig het hoofd geschud!
27イスラエルはあなたにとって、あざけりの的ではなかったか。 彼は盗人たちの中で見つかったのか。 あなたは彼のことを語るたびに、 頭を振った。
28Verlaat nu de steden, en huist in spelonken, Bewoners van Moab; Doet als de duif, die zich nestelt Aan de rand van de afgrond.
28モアブの住民よ、町々を離れ、 岩の間に住め。 深い谷の口の上に巣を作る 鳩のようになれ。
29Wij hebben van Moabs hoogmoed gehoord, Van zijn grenzeloze trots, Van zijn waan, zijn bluffen en pochen, Van de hovaardij van zijn hart.
29われわれはモアブの高ぶりを聞いた。 彼は非常に高ぶっている。 その高慢、誇り、傲慢、 心の高ぶりを。
30Ik ken zijn snoeven, Is de godsspraak van Jahweh: Zijn ijdel gezwets, Zijn ijdel gedoe.
30わたしは彼の憤りを知っている」と、主は言われる。 「それは空しい。 彼の大言は何も成し遂げなかった。
31Daarom moet ik over heel Moab wel jammeren, Klagen en zuchten over de mannen van Kir-Chéres,
31それゆえ、わたしはモアブのために泣き叫ぶ。 モアブ全体のために叫ぶ。 キル・ヘレスの人々のために嘆く。
32Meer dan over Jazer geweend is, over u wenen, Wijnstok van Sibma! Uw ranken hingen over de zee, En reikten tot Jazer; Maar op uw gewas en uw oogst Is de vernieler gevallen!
32シブマのぶどうの木よ、 わたしはヤゼルのために泣くよりも激しく、あなたのために泣く。 あなたの枝は海を越え、 ヤゼルの海にまで達した。 破壊する者が、あなたの夏の果物と、 ぶどうの収穫に襲いかかった。
33Weg is de blijdschap en vreugd uit uw gaarden, En uit Moabs gebied; Ik laat de wijn uit de kuipen lopen, De perser treedt en juicht er niet meer.
33喜びと楽しみは、 実り豊かな畑とモアブの地から取り去られた。 わたしは酒ぶねからぶどう酒を絶えさせた。 喜び叫びながら踏む者はいない。 その叫びは喜びの叫びではない。
34Het huilen van Chesjbon dringt tot Elale door, Men hoort ze schreien tot Jáhas, Van Sóar tot Choronáim en Eglat, Want zelfs de wateren van Nimrim zijn een steppe geworden.
34ヘシュボンからエルアレまで、 ヤハツにまで彼らは声を上げる。 ツォアルからホロナイム、 エグラテ・シェリシヤにまで。 ニムリムの水も荒れ果てるからだ。
35En uit Moab verdelg Ik, Is de godsspraak van Jahweh, Al wie de offerhoogten bestijgt, En wierook brandt voor zijn god.
35わたしはモアブから、高き所でささげ物をする者と、 自分の神々に香をたく者を絶えさせる」と、主は言われる。
36Daarom kermt mijn hart Als een fluit over Moab; Kermt mijn hart over de mannen van Kir-chéres: Want wat men gespaard heeft, is verloren gegaan.
36「それゆえ、わたしの心はモアブのために笛のように鳴り、 キル・ヘレスの人々のために笛のように鳴る。 彼らが得た豊かなものが滅びたからだ。
37Ja, alle hoofden zijn kaal, Alle baarden geschoren, Alle handen gekerfd, Om alle lenden een zak.
37すべての頭はそられ、 すべてのひげは切り落とされる。 すべての手には傷があり、 腰には粗布がある。
38Op alle daken en straten van Moab Niets dan gejammer, Want Ik heb Moab verbrijzeld als een waardeloze pot, Is de godsspraak van Jahweh!
38モアブのすべての屋上と、 その広場の至る所に嘆きがある。 わたしがモアブを、 だれにも喜ばれない器のように砕いたからだ」と、主は言われる。
39Hoe is het vernield, en staat het te snikken, Hoe wendt Moab vol schaamte zich af, Hoe is Moab tot spot en tot afschuw geworden, Voor al zijn buren?
39「ああ、モアブは打ち砕かれた。 人々は泣き叫ぶ。 モアブは恥じて背を向けた。 モアブはその周囲のすべての者にとって、 あざけりの的、恐怖の的となる。」
40Want zo spreekt Jahweh: Zie, als een adelaar schiet hij toe, Slaat zijn vleugels naar Moab uit:
40主はこう言われる。 「見よ、敵は鷲のように飛び、 モアブに向かって翼を広げる。
41De steden worden ingenomen, De burchten worden veroverd Op die dag wordt het hart van Moabs helden Als het hart van een vrouw in haar weeën;
41ケリヨテは占領され、 要塞は奪われた。 その日、モアブの勇士たちの心は、 産みの苦しみにある女の心のようになる。
42Verdelgd wordt Moab uit de rij van de volken, Omdat het zich tegen Jahweh verhief.
42モアブは民でなくなるまで滅ぼされる。 主に向かって高ぶったからだ。
43Verschrikking, kuilen en strikken voor u, Bewoners van Moab, is de godsspraak van Jahweh:
43モアブの住民よ、 恐怖と穴と罠があなたを待っている」と、主は言われる。
44Wie de verschrikking ontkomt, valt in de kuil, Wie de kuil ontsnapt, wordt in de strikken gevangen. Waarachtig, dit alles zal Ik Moab berokkenen, In het jaar van zijn straf, is de godsspraak van Jahweh!
44「恐怖から逃げる者は穴に落ち、 穴から上る者は罠に捕らえられる。 わたしがモアブに、 彼らが罰せられる年をもたらすからだ」と、主は言われる。
45Dan blijven in de schaduw van Chesjbon De vluchtelingen uitgeput staan. Dan zal er een vuur uit Chesjbon laaien, En een gloed uit de muren van Sichon: Het zal de slapen van Moab verzengen, De schedel van die druktemakers!
45「逃げた者たちは力尽き、 ヘシュボンの陰に立ち止まる。 ヘシュボンから火が出て、 シホンのただ中から炎が出たからだ。 それはモアブの隅と、 騒ぎ立つ者たちの頭の頂を食い尽くした。
46Wee u, Moab, Ge zijt verloren, volk van Kemosj; Want uw zonen worden gevangen gemaakt, Uw dochters gaan de ballingschap in.
46モアブよ、あなたに災いがある。 ケモシュの民は滅びた。 あなたの息子たちは捕らわれて連れ去られ、 娘たちも捕囚となった。
47Wel keer Ik nog eenmaal het lot van Moab ten beste, Op het einde der dagen, Is de godsspraak van Jahweh: Maar tot dan duurt het gericht over Moab!
47しかし、後の日々に、 わたしはモアブを捕囚から帰らせる」と、主は言われる。 ここまでがモアブへの裁きである。
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.