Hebreeen 11
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Douay-Rheims Bible, American Edition (1899)
1Het geloof is een vaste grond voor wat men hoopt; een overtuiging over dingen, die men niet ziet.
1Now faith is the substance of things to be hoped for, the evidence of things that appear not.
2Om het geloof zijn de Ouden met ere vermeld;
2For by this the ancients obtained a testimony.
3hierdoor ook erkennen we, dat de wereld door Gods Woord is geschapen, dat het zichtbare uit het Onzichtbare is ontstaan.
3By faith we understand that the world was framed by the word of God; that from invisible things visible things might be made.
4Door het geloof heeft Abel meer dan Kaïn aan God een voortreffelijk offer gebracht. Daardoor werd van hem getuigd, dat hij rechtvaardig was; want om zijn gave heeft God zelf dit betuigd. Door het geloof spreekt hij ook nog na zijn dood.
4By faith Abel offered to God a sacrifice exceeding that of Cain, by which he obtained a testimony that he was just, God giving testimony to his gifts; and by it he being dead yet speaketh.
5Door het geloof werd Henok opgenomen, zodat hij de dood niet heeft gezien; hij werd niet meer gevonden, omdat God hem opgenomen had. Want voordat hij opgenomen werd, is van hem getuigd, dat hij welgevallig was aan God.
5By faith Henoch was translated, that he should not see death; and he was not found, because God had translated him: for before his translation he had testimony that he pleased God.
6Welnu, zonder geloof is het onmogelijk, welgevallig te zijn; want wie tot God wil naderen, moet geloven, dat Hij bestaat, en Beloner is voor hen, die Hem zoeken.
6But without faith it is impossible to please God. For he that cometh to God, must believe that he is, and is a rewarder to them that seek him.
7Door het geloof heeft Noë, toen hem geopenbaard werd, wat nog niet was te zien, dit ter harte genomen, en tot redding van zijn huis de ark gebouwd; waardoor hij de wereld veroordeelde, en deelachtig werd aan de gerechtigheid door het geloof.
7By faith Noe, having received an answer concerning those things which as yet were not seen, moved with fear, framed the ark for the saving of his house, by the which he condemned the world; and was instituted heir of the justice which is by faith.
8Door het geloof ging Abraham, toen hij geroepen werd, gehoorzaam uit naar de plaats, die hij tot erfdeel zou ontvangen; hij vertrok. zonder te weten, waarheen hij ging.
8By faith he that is called Abraham, obeyed to go out into a place which he was to receive for an inheritance; and he went out, not knowing whither he went.
9Door het geloof vestigde hij zich in het land der beloften als in den vreemde, en woonde daar in tenten tezamen met Isaäk en Jakob, de medeërfgenamen derzelfde belofte;
9By faith he abode in the land, dwelling in cottages, with Isaac and Jacob, the co-heirs of the same promise.
10want hij wachtte op de stad met grondslagen, wier kunstenaar en bouwheer God is.
10For he looked for a city that hath foundations; whose builder and maker is God.
11Door het geloof heeft zelfs Sara, en nog wel boven de bepaalde leeftijd, de kracht tot zwangerschap ontvangen, omdat ze Hem, die het beloofd had, voor getrouw heeft gehouden.
11By faith also Sara herself, being barren, received strength to conceive seed, even past the time of age; because she believed that he was faithful who had promised,
12Daarom ook is uit één man, en nog wel uit een, die afgeleefd was, een geslacht ontsproten, talrijk als de sterren aan de hemel en als het ontelbare zand aan het strand van de zee.
12For which cause there sprung even from one (and him as good as dead) as the stars of heaven in multitude, and as the sand which is by the sea shore innumerable.
13In het geloof zijn ze allen gestorven, zonder het beloofde te hebben ontvangen; maar ze hebben het slechts gezien en begroet uit de verte, en beleden, dat ze vreemdelingen zijn en zwervelingen op aarde.
13All these died according to faith, not having received the promises, but beholding them afar off, and saluting them, and confessing that they are pilgrims and strangers on the earth.
14Waarlijk, die zó iets zeggen, tonen wel degelijk, op zoek te zijn naar een vaderland.
14For they that say these things, do signify that they seek a country.
15En zo ze daarbij gedacht hadden aan het land, dat ze waren uitgetrokken, dan hadden ze tijd genoeg gehad, om daarheen terug te keren;
15And truly if they had been mindful of that from whence they came out, they had doubtless time to return.
16maar feitelijk hebben ze naar een beter gesmacht, naar het hemelse. Daarom schaamt God Zich niet, hun God te worden genoemd; want Hij heeft voor hen een stad bereid.
16But now they desire a better, that is to say, a heavenly country. Therefore God is not ashamed to be called their God; for he hath prepared for them a city.
17Door het geloof heeft Abraham, toen hij op de proef werd gesteld, Isaäk opgeofferd en zijn ééngeborene opgedragen,
17By faith Abraham, when he was tried, offered Isaac: and he that had received the promises, offered up his only begotten son;
18ofschoon hij de belofte had ontvangen, en tot hem was gezegd: “In Isaäk zal uw naam worden voortgeplant.”
18(To whom it was said: In Isaac shall thy seed be called.)
19Want hij was overtuigd, dat God machtig was, hem op te wekken zelfs uit de doden; vanwaar hij hem dan ook, om zo te zeggen, terug heeft ontvangen.
19Accounting that God is able to raise up even from the dead. Whereupon also he received him for a parable.
20Door het geloof heeft Isaäk een zegening uitgesproken over Jakob en Esau, zelfs met betrekking tot de toekomstige dingen.
20By faith also of things to come, Isaac blessed Jacob and Esau.
21Door het geloof heeft de stervende Jakob beide zonen van Josef gezegend, en bad hij, steunend op de knop van zijn staf.
21By faith Jacob dying, blessed each of the sons of Joseph, and adored the top of his rod.
22Door het geloof heeft Josef bij zijn sterven nog aan de uittocht der zonen Israëls gedacht, en bevelen gegeven met betrekking tot zijn gebeente.
22By faith Joseph, when he was dying, made mention of the going out of the children of Israel; and gave commandment concerning his bones.
23Door het geloof werd Moses na zijn geboorte drie maanden lang door zijn ouders verborgen, daar ze zagen, “dat het knaapje schoon was;” en ze hebben het bevel van den koning niet gevreesd.
23By faith Moses, when he was born, was hid three months by his parents; because they saw he was a comely babe, and they feared not the king’s edict.
24Door het geloof heeft Moses, toen hij groot was geworden, geweigerd, den zoon van Fárao’s dochter te heten,
24By faith Moses, when he was grown up, denied himself to be the son of Pharao’s daughter;
25en wilde hij liever smaad lijden met Gods volk dan een vergankelijk voordeel trekken uit de zonde;
25Rather choosing to be afflicted with the people of God, than to have the pleasure of sin for a time,
26hij stelde de smaad van Christus boven de schatten van Egypte, want hij hield het oog op de beloning gevestigd.
26Esteeming the reproach of Christ greater riches than the treasure of the Egyptians. For he looked unto the reward.
27Door het geloof verliet hij Egypte zonder de toorn van den koning te vrezen; want hij stond pal, daar hij als het ware den Onzichtbare had gezien.
27By faith he left Egypt, not fearing the fierceness of the king: for he endured as seeing him that is invisible.
28Door het geloof heeft hij het Pascha verordend en het bestrijken met bloed, opdat de verderver hun eerstgeborenen niet zou treffen.
28By faith he celebrated the pasch, and the shedding of the blood; that he, who destroyed the firstborn, might not touch them.
29Door het geloof zijn ze de Rode Zee doorgetrokken als door het droge; toen de Egyptenaren het beproefden, verdronken ze.
29By faith they passed through the Red Sea, as by dry land: which the Egyptians attempting, were swallowed up.
30Door het geloof vielen de muren van Jéricho om na een rondgang van zeven dagen.
30By faith the walls of Jericho fell down, by the going round them seven days.
31Door het geloof kwam de ontuchtige Rachab niet met de ongehoorzamen om, daar ze de verspieders in vrede ontving.
31By faith Rahab the harlot perished not with the unbelievers, receiving the spies with peace.
32En wat zal ik nog zeggen? De tijd zou me ontbreken, zo ik verhalen ging van Gédeon, Barak, Samson, Jefte, David, Samuël en de Profeten.
32And what shall I yet say? For the time would fail me to tell of Gedeon, Barac, Samson, Jephthe, David, Samuel, and the prophets:
33Door het geloof hebben ze koninkrijken overweldigd, gerechtigheid uitgeoefend, beloften zien vervullen, leeuwenmuilen gestopt;
33Who by faith conquered kingdoms, wrought justice, obtained promises, stopped the mouths of lions,
34hebben ze het geweld van het vuur geblust, de scherpte van het zwaard kunnen ontgaan, nieuwe krachten na zwakheid bekomen, sterkte ontvangen in de strijd, heirscharen van vreemden doen wijken.
34Quenched the violence of fire, escaped the edge of the sword, recovered strength from weakness, became valiant in battle, put to flight the armies of foreigners:
35Vrouwen ontvingen haar doden door opstanding terug. Anderen lieten zich folteren en namen de vrijspraak niet aan, om een betere opstanding te bekomen.
35Women received their dead raised to life again. But others were racked, not accepting deliverance, that they might find a better resurrection.
36Anderen weer leden bespotting en geseling, boeien zelfs en gevangenis;
36And others had trial of mockeries and stripes, moreover also of bands and prisons.
37ze werden gestenigd, door midden gezaagd, op de pijnbank beproefd, door het moordend zwaard gedood. Ze zwierven rond in schapenvachten en geitenvellen, verlaten, verdrukt en mishandeld:
37They were stoned, they were cut asunder, they were tempted, they were put to death by the sword, they wandered about in sheepskins, in goatskins, being in want, distressed, afflicted:
38de wereld was hunner niet waardig; dus doolden ze rond in woestijnen en bergen, spelonken en holen.
38Of whom the world was not worthy; wandering in deserts, in mountains, and in dens, and in caved of the earth.
39En toch heeft geen van hen de belofte in vervulling zien gaan. ofschoon ze om hun geloof met ere worden vermeld.
39And all these being approved by the testimony of faith, received not the promise;
40Want daar God voor ons iets beters beschikt had, mochten zij niet zonder ons tot verheerlijking komen.
40God providing some better thing for us, that they should not be perfected without us.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.