Hebreeen 2
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Douay-Rheims Bible, American Edition (1899)
1Daarom moeten we ons des te steviger vastklampen aan wat we gehoord hebben; anders toch drijven we weg.
1Therefore ought we more diligently to observe the things which we have heard, lest perhaps we should let them slip.
2Want zo het woord van kracht bleef, dat door de engelen werd verkondigd, en iedere overtreding en ongehoorzaamheid gerechte straf ontving:
2For if the word, spoken by angels, became steadfast, and every transgression and disobedience received a just recompense of reward:
3hoe zullen wij dan ontkomen, wanneer we een zaligheid verwaarlozen, welke het eerst door den Heer is gepreekt, welke onder ons werd bevestigd door hen die Hem hoorden,
3How shall we escape if we neglect so great salvation? which having begun to be declared by the Lord, was confirmed unto us by them that heard him.
4en welke ook door God is betuigd door tekenen, wonderen en velerlei kracht, door gaven ook van den heiligen Geest, zoals het Hem heeft behaagd?
4God also bearing them witness by signs, and wonders, and divers miracles, and distributions of the Holy Ghost, according to his own will.
5Immers niet aan engelen onderwierp Hij de toekomstige wereld, waarover we spreken.
5For God hath not subjected unto angels the world to come, whereof we speak.
6Want er is ergens getuigd: Wat is een mens, dat Gij hem zoudt gedenken, Of een mensenkind, dat Gij acht op hem slaat?
6But one in a certain place hath testified, saying: What is man, that thou art mindful of him: or the son of man, that thou visitest him?
7Een korte tijd hebt Gij hem beneden de engelen gesteld, Hem met glorie en luister gekroond.
7Thou hast made him a little lower than the angels: thou hast crowned him with glory and honour, and hast set him over the works of thy hands:
8Alles hebt Gij onderworpen aan zijn voeten. Door hem nu alles te onderwerpen, heeft Hij niets uitgezonderd, dat hem niet onderworpen is. Zeker, nu zien we nog niet, dat alles hem onderworpen is.
8Thou hast subjected all things under his feet. For in that he hath subjected all things to him, he left nothing not subject to him. But now we see not as yet all things subject to him.
9Maar wel zien we Jesus met glorie en luister gekroond, omdat Hij de dood heeft ondergaan; Hij, die een korte tijd beneden de engelen was gesteld, om door Gods genade de dood te smaken voor allen.
9But we see Jesus, who was made a little lower than the angels, for the suffering of death, crowned with glory and honour: that, through the grace of God, he might taste death for all.
10Het lag toch voor de hand, dat Hij, om wien en door wien alles bestaat, en die vele zonen tot glorie brengt, ook hun Leidsman ter zaligheid door lijden tot glorie zou brengen.
10For it became him, for whom are all things, and by whom are all things, who had brought many children into glory, to perfect the author of their salvation, by his passion.
11Want Hij die heiligt, en zij die geheiligd worden, zijn allen uit Eén. Daarom schaamt Hij Zich niet, hen broeders te noemen,
11For both he that sanctifieth, and they who are sanctified, are all of one. For which cause he is not ashamed to call them brethren, saying:
12als Hij zegt: “Ik zal uw Naam aan mijn broeders verkondigen, In de kring der gemeente U prijzen.”
12I will declare thy name to my brethren; in the midst of the church will I praise thee.
13En wederom: “Ik zal op Hem mijn betrouwen stellen.” En vervolgens: “Zie Ik en de kinderen, Die God Mij gaf.”
13And again: I will put my trust in him. And again: Behold I and my children, whom God hath given me.
14Welnu, omdat de kinderen deel hebben aan vlees en bloed, daarom was ook Hij daaraan deelachtig, om door de Dood hem machteloos te maken, die macht had over de dood, en dat is de duivel;
14Therefore because the children are partakers of flesh and blood, he also himself in like manner hath been partaker of the same: that, through death, he might destroy him who had the empire of death, that is to say, the devil:
15en om allen te verlossen, die uit vrees voor de dood heel hun leven in slavernij zouden verkeren.
15And might deliver them, who through the fear of death were all their lifetime subject to servitude.
16Niet engelen toch trok Hij Zich aan, maar Abrahams zaad trok Hij Zich aan.
16For no where doth he take hold of the angels: but of the seed of Abraham he taketh hold.
17En daarom moest Hij in alles gelijk worden aan zijn broeders, opdat Hij in hun betrekkingen tot God een barmhartig en getrouw Hogepriester zou zijn tot uitboeting der zonde van het volk.
17Wherefore it behoved him in all things to be made like unto his brethren, that he might become a merciful and faithful priest before God, that he might be a propitiation for the sins of the people.
18Want juist omdat Hijzelf werd bekoord en zelf heeft geleden, kan Hij ook hen helpen, die worden bekoord.
18For in that, wherein he himself hath suffered and been tempted, he is able to succour them also that are tempted.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.