Hebreeen 8
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Douay-Rheims Bible, American Edition (1899)
1Hoofdzaak echter van wat gesproken wordt, is het volgende: Een zo groot Hogepriester hebben we, dat Hij gezeten is ter rechterzijde van de troon der Majesteit in de hemelen,
1Now of the things which we have spoken, this is the sum: We have such an high priest, who is set on the right hand of the throne of majesty in the heavens,
2en dat Hij Bedienaar is van het Heiligdom en van het ware Tabernakel, dat de Heer heeft opgericht, en niet een mens.
2A minister of the holies, and of the true tabernacle, which the Lord hath pitched, and not man.
3Want iedere hogepriester is aangesteld, om gaven en offers te brengen; daarom moet ook Hij iets hebben, om te offeren.
3For every high priest is appointed to offer gifts and sacrifices: wherefore it is necessary that he also should have some thing to offer.
4Welnu, indien Hij op aarde was, dan zou Hij zelfs niet eens priester zijn. Want daar zijn offeraars volgens de Wet,
4If then he were on earth, he would not be a priest: seeing that there would be others to offer gifts according to the law,
5en deze verrichten de dienst bij het afbeeldsel, de schaduw der hemelse dingen; zoals dit aan Moses, toen hij het tabernakel wilde vervaardigen, door een godsspraak werd duidelijk gemaakt, daar Hij sprak: “Zorg er voor, dat ge alles vervaardigt naar het model, dat u op de berg is getoond.”
5Who serve unto the example and shadow of heavenly things. As it was answered to Moses, when he was to finish the tabernacle: See (saith he) that thou make all things according to the pattern which was shewn thee on the mount.
6Maar thans heeft Hij een veel voortreffelijker bediening ontvangen, naarmate het Verbond, waarvan Hij Middelaar werd, volmaakter is, en op volmaaktere beloften rust.
6But now he hath obtained a better ministry, by how much also he is a mediator of a better testament, which is established on better promises.
7Want zo het eerste zonder gebrek was geweest, dan zou er geen plaats zijn gezocht voor een tweede.
7For if that former had been faultless, there should not indeed a place have been sought for a second.
8Maar Hij zegt, om hen te berispen: Ziet, de dagen komen, Spreekt de Heer, Dat Ik met het huis van Israël En met het huis van Juda Een nieuw Verbond zal sluiten.
8For finding fault with them, he saith: Behold, the days shall come, saith the Lord: and I will perfect unto the house of Israel, and unto the house of Juda, a new testament:
9Niet als het verbond, dat Ik met hun vaderen sloot, Toen Ik ze bij de hand heb gevat, Om ze uit het land van Egypte te leiden. Want zij deden mijn verbond niet gestand, En Ik bekommerde Mij niet over hen, Spreekt de Heer.
9Not according to the testament which I made to their fathers, on the day when I took them by the hand to lead them out of the land of Egypt: because they continued not in my testament: and I regarded them not, saith the Lord.
10Maar dit is het Verbond, dat Ik sluit Met Israëls huis na deze dagen, spreekt de Heer. Mijn wetten zal Ik prenten in hun verstand, Ik zal ze schrijven op hun hart; En Ik zal hun God, Zij zullen mijn volk zijn!
10For this is the testament which I will make to the house of Israel after those days, saith the Lord: I will give my laws into their mind, and in their heart will I write them: and I will be their God, and they shall be my people:
11Dan behoeven ze elkander niet meer te leren, De een tot den ander niet te zeggen: Leert den Heer kennen. Neen, dan zullen zij allen Mij kennen, Kleinen en groten;
11And they shall not teach every man his neighbour and every man his brother, saying, Know the Lord: for all shall know me from the least to the greatest of them:
12Want dan zal Ik hun ongerechtigheden genadig zijn, Hun zonden niet langer gedenken.
12Because I will be merciful to their iniquities, and their sins I will remember no more.
13Door van een nieuw Verbond te spreken, heeft Hij het vroegere verouderd verklaard; welnu, wat verouderd is en afgeleefd, is zijn opheffing nabij.
13Now in saying a new, he hath made the former old. And that which decayeth and groweth old, is near its end.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.