Hebreeen
Chapter 11
Petrus Canisius Bible, 1…
vs Kralice Bible (1613)
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kralice Bible (1613)
1Het geloof is een vaste grond voor wat men hoopt; een overtuiging over dingen, die men niet ziet.
1Víra pak jest nadějných věcí podstata, a důvod neviditelných.
2Om het geloof zijn de Ouden met ere vermeld;
2Pro ni zajisté svědectví došli předkové.
3hierdoor ook erkennen we, dat de wereld door Gods Woord is geschapen, dat het zichtbare uit het Onzichtbare is ontstaan.
3Věrou rozumíme, že učiněni jsou věkové slovem Božím, takže z ničeho jest to, což vidíme, učiněno.
4Door het geloof heeft Abel meer dan Kaïn aan God een voortreffelijk offer gebracht. Daardoor werd van hem getuigd, dat hij rechtvaardig was; want om zijn gave heeft God zelf dit betuigd. Door het geloof spreekt hij ook nog na zijn dood.
4Věrou lepší obět Bohu obětoval Abel, nežli Kain, skrze kteroužto svědectví obdržel, že jest spravedlivý, jakž sám Bůh darům jeho svědectví vydal. A skrze tu víru, již umřev, ještě mluví.
5Door het geloof werd Henok opgenomen, zodat hij de dood niet heeft gezien; hij werd niet meer gevonden, omdat God hem opgenomen had. Want voordat hij opgenomen werd, is van hem getuigd, dat hij welgevallig was aan God.
5Věrou Enoch přenesen jest, aby neviděl smrti, a není nalezen, proto že jej Bůh přenesl. Prvé zajisté, než jest přenesen, svědectví měl, že se líbil Bohu.
6Welnu, zonder geloof is het onmogelijk, welgevallig te zijn; want wie tot God wil naderen, moet geloven, dat Hij bestaat, en Beloner is voor hen, die Hem zoeken.
6Bez víry pak nemožné jest líbiti se Bohu; nebo přistupující k Bohu věřiti musí, že jest Bůh, a těm, kteříž ho hledají, že odplatu dává.
7Door het geloof heeft Noë, toen hem geopenbaard werd, wat nog niet was te zien, dit ter harte genomen, en tot redding van zijn huis de ark gebouwd; waardoor hij de wereld veroordeelde, en deelachtig werd aan de gerechtigheid door het geloof.
7Věrou napomenut jsa od Boha Noé o tom, čehož ještě nebylo viděti, boje se, připravoval koráb k zachování domu svého; skrze kterýžto koráb odsoudil svět, a spravedlnosti té, kteráž jest z víry, učiněn jest dědicem.
8Door het geloof ging Abraham, toen hij geroepen werd, gehoorzaam uit naar de plaats, die hij tot erfdeel zou ontvangen; hij vertrok. zonder te weten, waarheen hij ging.
8Věrou, povolán jsa Abraham, uposlechl Boha, aby odšel na to místo, kteréž měl vzíti za dědictví; i šel, nevěda, kam příjde.
9Door het geloof vestigde hij zich in het land der beloften als in den vreemde, en woonde daar in tenten tezamen met Isaäk en Jakob, de medeërfgenamen derzelfde belofte;
9Věrou bydlil v zemi zaslíbené jako v cizí v staních přebývaje s Izákem a s Jákobem, spoludědici téhož zaslíbení.
10want hij wachtte op de stad met grondslagen, wier kunstenaar en bouwheer God is.
10Nebo očekával města základy majícího, jehožto řemeslník a stavitel jest Bůh.
11Door het geloof heeft zelfs Sara, en nog wel boven de bepaalde leeftijd, de kracht tot zwangerschap ontvangen, omdat ze Hem, die het beloofd had, voor getrouw heeft gehouden.
11Věrou také i Sára moc ku početí semene přijala, a mimo čas věku porodila, když věřila, že jest věrný ten, jenž zaslíbil.
12Daarom ook is uit één man, en nog wel uit een, die afgeleefd was, een geslacht ontsproten, talrijk als de sterren aan de hemel en als het ontelbare zand aan het strand van de zee.
12A protož i z jednoho, a to již téměř umrtveného, rozplozeno jest potomků množství veliké, jako jest množství hvězd nebeských, a jako písek nesčíslný, kterýž jest na břehu mořském.
13In het geloof zijn ze allen gestorven, zonder het beloofde te hebben ontvangen; maar ze hebben het slechts gezien en begroet uit de verte, en beleden, dat ze vreemdelingen zijn en zwervelingen op aarde.
13Podle víry zemřeli ti všickni, nevzavše zaslíbení, ale zdaleka je viděvše, jim i věřili, i je vítali, a vyznávali, že jsou hosté a příchozí na zemi.
14Waarlijk, die zó iets zeggen, tonen wel degelijk, op zoek te zijn naar een vaderland.
14Nebo ti, kteříž tak mluví, zjevně to prokazují, že vlasti hledají.
15En zo ze daarbij gedacht hadden aan het land, dat ze waren uitgetrokken, dan hadden ze tijd genoeg gehad, om daarheen terug te keren;
15A jistě, kdyby se byli na onu rozpomínali, z kteréž vyšli, měli dosti času zase se navrátiti.
16maar feitelijk hebben ze naar een beter gesmacht, naar het hemelse. Daarom schaamt God Zich niet, hun God te worden genoemd; want Hij heeft voor hen een stad bereid.
16Ale oni lepší vlasti žádají, to jest nebeské. Protož i sám Bůh nestydí se slouti jejich Bohem; nebo jim připravil město.
17Door het geloof heeft Abraham, toen hij op de proef werd gesteld, Isaäk opgeofferd en zijn ééngeborene opgedragen,
17Věrou obětoval Abraham Izáka, byv pokoušín, a to jednorozeného obětoval ten, kterýž byl zaslíbení přijal,
18ofschoon hij de belofte had ontvangen, en tot hem was gezegd: “In Isaäk zal uw naam worden voortgeplant.”
18K němuž bylo řečeno: V Izákovi nazváno bude tobě símě,
19Want hij was overtuigd, dat God machtig was, hem op te wekken zelfs uit de doden; vanwaar hij hem dan ook, om zo te zeggen, terug heeft ontvangen.
19Tak o tom smýšleje, že jest mocen Bůh i z mrtvých vzkřísiti; odkudžto jej jako z mrtvých vzkříšeného přijal.
20Door het geloof heeft Isaäk een zegening uitgesproken over Jakob en Esau, zelfs met betrekking tot de toekomstige dingen.
20Věrou o budoucích věcech požehnání dal Izák Jákobovi a Ezau.
21Door het geloof heeft de stervende Jakob beide zonen van Josef gezegend, en bad hij, steunend op de knop van zijn staf.
21Věrou Jákob, umíraje, každému z synů Jozefových požehnání dával, a poklonil se podepřev se na vrch hůlky své.
22Door het geloof heeft Josef bij zijn sterven nog aan de uittocht der zonen Israëls gedacht, en bevelen gegeven met betrekking tot zijn gebeente.
22Věrou Jozef, dokonávaje, o vyjití synů Izraelských zmínku učinil, a o kostech svých poručil.
23Door het geloof werd Moses na zijn geboorte drie maanden lang door zijn ouders verborgen, daar ze zagen, “dat het knaapje schoon was;” en ze hebben het bevel van den koning niet gevreesd.
23Věrou Mojžíš, narodiv se, ukryt byl za tři měsíce od rodičů svých, protože viděli krásné pacholátko, a nebáli se rozkazu královského.
24Door het geloof heeft Moses, toen hij groot was geworden, geweigerd, den zoon van Fárao’s dochter te heten,
24Věrou Mojžíš, dorostlý již jsa, odepřel slouti synem dcery faraonovy,
25en wilde hij liever smaad lijden met Gods volk dan een vergankelijk voordeel trekken uit de zonde;
25Vyvoliv sobě raději protivenství trpěti s lidem Božím, nežli časné a hříšné pohodlí míti,
26hij stelde de smaad van Christus boven de schatten van Egypte, want hij hield het oog op de beloning gevestigd.
26Větší sobě pokládaje zboží nad Egyptské poklady pohanění Kristovo; nebo prohlédal k hojné odplatě.
27Door het geloof verliet hij Egypte zonder de toorn van den koning te vrezen; want hij stond pal, daar hij als het ware den Onzichtbare had gezien.
27Věrou opustil Egypt, neboje se hněvu královského; nebo jako by viděl Neviditelného, tak se utvrdil.
28Door het geloof heeft hij het Pascha verordend en het bestrijken met bloed, opdat de verderver hun eerstgeborenen niet zou treffen.
28Věrou slavil hod beránka a vylití krve, aby ten, jenž hubil prvorozené, nedotekl se jich.
29Door het geloof zijn ze de Rode Zee doorgetrokken als door het droge; toen de Egyptenaren het beproefden, verdronken ze.
29Věrou přešli moře červené jako po suchu; o čež pokusivše se Egyptští, ztonuli.
30Door het geloof vielen de muren van Jéricho om na een rondgang van zeven dagen.
30Věrou zdi Jericha padly, když je obcházeli za sedm dní.
31Door het geloof kwam de ontuchtige Rachab niet met de ongehoorzamen om, daar ze de verspieders in vrede ontving.
31Věrou Raab nevěstka nezahynula s neposlušnými, pokojně přijavši špehéře.
32En wat zal ik nog zeggen? De tijd zou me ontbreken, zo ik verhalen ging van Gédeon, Barak, Samson, Jefte, David, Samuël en de Profeten.
32A coť mám více praviti? Nepostačíť mi zajisté čas k vypravování o Gedeonovi, a Barákovi, a Samsonovi a Jefte, a Davidovi, a Samuelovi, a prorocích.
33Door het geloof hebben ze koninkrijken overweldigd, gerechtigheid uitgeoefend, beloften zien vervullen, leeuwenmuilen gestopt;
33Kteříž skrze víru vybojovávali království, činili spravedlnost, docházeli zaslíbení, zacpávali ústa lvům,
34hebben ze het geweld van het vuur geblust, de scherpte van het zwaard kunnen ontgaan, nieuwe krachten na zwakheid bekomen, sterkte ontvangen in de strijd, heirscharen van vreemden doen wijken.
34Uhašovali moc ohně, utekli ostrosti meče, zmocněni bývali v mdlobách, silní učiněni v boji, vojska zaháněli cizozemců.
35Vrouwen ontvingen haar doden door opstanding terug. Anderen lieten zich folteren en namen de vrijspraak niet aan, om een betere opstanding te bekomen.
35Ženy přijímaly mrtvé své vzkříšené. Jiní pak roztahováni jsou, neoblíbivše sobě vysvobození, aby lepšího dosáhli vzkříšení.
36Anderen weer leden bespotting en geseling, boeien zelfs en gevangenis;
36Jiní pak posměchy a mrskáním trápeni, ano i vězeními a žaláři.
37ze werden gestenigd, door midden gezaagd, op de pijnbank beproefd, door het moordend zwaard gedood. Ze zwierven rond in schapenvachten en geitenvellen, verlaten, verdrukt en mishandeld:
37Kamenováni jsou, sekáni, pokoušíni, mečem zmordováni; chodili v kožích ovčích a kozelčích, opuštěni, souženi, a zle s nimi nakládáno,
38de wereld was hunner niet waardig; dus doolden ze rond in woestijnen en bergen, spelonken en holen.
38Jichžto nebyl svět hoden, po pustinách bloudíce, i po horách, a jeskyních, i v doupatech země.
39En toch heeft geen van hen de belofte in vervulling zien gaan. ofschoon ze om hun geloof met ere worden vermeld.
39A ti všickni svědectví dosáhše skrze víru, neobdrželi zaslíbení,
40Want daar God voor ons iets beters beschikt had, mochten zij niet zonder ons tot verheerlijking komen.
40Protože Bůh něco lepšího nám obmýšlel, aby oni bez nás nepřišli k dokonalosti.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.