Hebreeen
Chapter 6
Petrus Canisius Bible, 1…
vs Kralice Bible (1613)
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kralice Bible (1613)
1Daarom willen we de aanvangsleer over Christus laten rusten en tot het volmaakte overgaan, zonder opnieuw een grondslag te leggen van: bekering uit dode werken, geloof in God,
1Protož opustíce řeč počátku Kristova, k dokonalosti se nesme, ne opět zakládajíce gruntu pokání z skutků mrtvých, a víry v Boha,
2de leer over doopsels, handoplegging, opstanding der doden en eeuwig oordeel.
2Křtů učení, vzkládání rukou, a vzkříšení z mrtvých, i soudu věčného.
3En dit gaan we nu ondernemen, zo God het wil.
3A toť učiníme, dopustí-li Bůh.
4Want het is toch onmogelijk, om hen, die eenmaal verlicht zijn geweest, de hemelse gaven hebben gesmaakt, den heiligen Geest hebben ontvangen,
4Nebo nemožné jest jednou již osvíceným, kteříž i zakusili daru nebeského, a účastníci učiněni byli Ducha svatého,
5het heerlijk woord Gods en de krachten der toekomstige wereld hebben geproefd,
5Okusili také dobrého Božího slova, a moci věka budoucího,
6maar afgevallen zijn: het is onmogelijk, om hen een tweede maal tot bekering op te wekken, daar ze, zover het hùn betreft, den Zoon van God opnieuw hebben gekruisigd en bespot.
6Kdyby padli, zase obnoviti se ku pokání, jakožto těm, kteříž opět sobě znovu křižují Syna Božího, a v porouhání vydávají.
7De bodem immers, die de overvloedig neervallende regen heeft opgezogen, en nuttig gewas voortbrengt voor hen, door wie hij werd bebouwd, hij ontvangt zegen van God;
7Země zajisté, kteráž často na sebe přicházející déšť pije, a rodí bylinu příhodnou těm, od kterýchž bývá dělána, dochází požehnání od Boha.
8maar zo hij doornen en distels voortbrengt, dan wordt hij afgekeurd en is de vloek nabij, die uitloopt op verbranding.
8Ale vydávající trní a bodláky zavržená jest, a blízká zlořečení, jejížto konec bývá spálení.
9Maar al spreken we zó, geliefden, toch zijn we over u van iets beters overtuigd, iets dat tot zaligheid strekt.
9My pak, nejmilejší, nadějemeť se o vás lepších věcí, a náležejících k spasení, ač pak koli tak mluvíme.
10Want God is niet onrechtvaardig; en Hij zal dus uw arbeid niet vergeten noch de liefde, die gij om zijn Naam hebt getoond door het dienen der heiligen vroeger en thans.
10Neboť není nespravedlivý Bůh, aby se zapomenul na práci vaši a na pracovitou lásku, kteréž jste dokazovali ke jménu jeho, slouživše svatým, a ještě sloužíce.
11We wensen echter, dat gij allen dezelfde ijver aan de dag blijft leggen, om de volle zekerheid der hoop te bewaren ten einde toe;
11Žádámeť pak, aby jeden každý z vás až do konce prokazoval tu opravdovou pilnost k nabytí plné jistoty naděje,
12en dat gij niet traag moogt worden, maar navolgers van hen, die door geloof en volharding de belofte hebben verkregen.
12Tak abyste nebyli líní, ale následovníci těch, kteříž skrze víru a snášelivost obdrželi dědictví zaslíbené.
13Want toen God aan Abraham de belofte deed, zwoer Hij bij Zichzelf, daar Hij bij geen hogere kon zweren en Hij sprak:
13Abrahamovi zajisté zaslíbení čině Bůh, když neměl skrze koho většího přisáhnouti, přisáhl skrze sebe samého,
14“Voorwaar, rijk zal Ik u zegenen, Overvloedig u vermenigvuldigen,”
14Řka: Jistě požehnám velmi tobě, a velice rozmnožím tebe.
15en zo verkreeg Abraham de vervulling der belofte door volharding.
15A tak trpělivě očekávaje, dosáhl zaslíbení.
16De mensen toch zweren bij hem die hoger staat, en de eed dient hun tot bevestiging, en sluit verdere tegenspraak uit.
16Lidé zajisté skrze většího, nežli jsou sami, přisahají, a všeliké rozepře mezi nimi konec jest, když bývá potvrzena přísahou.
17Daarom ook heeft God een eed tot waarborg gegeven, toen Hij aan de erfgenamen der belofte nog duidelijker de onveranderlijkheid van zijn Raadsbesluit wilde tonen;
17A takž Bůh, chtěje dostatečně ukázati dědicům zaslíbení svých neproměnitelnost rady své, vložil mezi to přísahu,
18opdat wij door twee onwrikbare zaken, waardoor het God onmogelijk is te bedriegen, een krachtige aansporing zouden ontvangen, om onze toevlucht te nemen en ons vast te klampen aan de hoop op wat ons is weggelegd.
18Abychom skrze ty dvě věci nepohnutelné, (v nichž nemožné jest, aby Bůh klamal), měli přepevné potěšení, my, kteříž jsme se utekli k obdržení předložené naděje.
19Haar toch behouden we als een veilig en zeker anker onzer ziel, vastzittend in het binnenste achter het Voorhangsel,
19Kteroutož máme jako kotvu duše, i bezpečnou i pevnou, a vcházející až do vnitřku za oponu,
20waar terwille van ons onze Voorloper is binnengegaan: Jesus, “Hogepriester voor eeuwig naar de Orde van Melkisedek.”
20Kdežto předchůdce náš pro nás všel Ježíš, jsa učiněn podle řádu Melchisedechova nejvyšším knězem na věky.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.