Hebreeen
Chapter 6
Petrus Canisius Bible, 1…
vs King James Version…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
King James Version with Apocrypha
1Daarom willen we de aanvangsleer over Christus laten rusten en tot het volmaakte overgaan, zonder opnieuw een grondslag te leggen van: bekering uit dode werken, geloof in God,
1Therefore leaving the principles of the doctrine of Christ, let us go on unto perfection; not laying again the foundation of repentance from dead works, and of faith toward God,
2de leer over doopsels, handoplegging, opstanding der doden en eeuwig oordeel.
2Of the doctrine of baptisms, and of laying on of hands, and of resurrection of the dead, and of eternal judgment.
3En dit gaan we nu ondernemen, zo God het wil.
3And this will we do, if God permit.
4Want het is toch onmogelijk, om hen, die eenmaal verlicht zijn geweest, de hemelse gaven hebben gesmaakt, den heiligen Geest hebben ontvangen,
4For it is impossible for those who were once enlightened, and have tasted of the heavenly gift, and were made partakers of the Holy Ghost,
5het heerlijk woord Gods en de krachten der toekomstige wereld hebben geproefd,
5And have tasted the good word of God, and the powers of the world to come,
6maar afgevallen zijn: het is onmogelijk, om hen een tweede maal tot bekering op te wekken, daar ze, zover het hùn betreft, den Zoon van God opnieuw hebben gekruisigd en bespot.
6If they shall fall away, to renew them again unto repentance; seeing they crucify to themselves the Son of God afresh, and put him to an open shame.
7De bodem immers, die de overvloedig neervallende regen heeft opgezogen, en nuttig gewas voortbrengt voor hen, door wie hij werd bebouwd, hij ontvangt zegen van God;
7For the earth which drinketh in the rain that cometh oft upon it, and bringeth forth herbs meet for them by whom it is dressed, receiveth blessing from God:
8maar zo hij doornen en distels voortbrengt, dan wordt hij afgekeurd en is de vloek nabij, die uitloopt op verbranding.
8But that which beareth thorns and briers is rejected, and is nigh unto cursing; whose end is to be burned.
9Maar al spreken we zó, geliefden, toch zijn we over u van iets beters overtuigd, iets dat tot zaligheid strekt.
9But, beloved, we are persuaded better things of you, and things that accompany salvation, though we thus speak.
10Want God is niet onrechtvaardig; en Hij zal dus uw arbeid niet vergeten noch de liefde, die gij om zijn Naam hebt getoond door het dienen der heiligen vroeger en thans.
10For God is not unrighteous to forget your work and labour of love, which ye have shewed toward his name, in that ye have ministered to the saints, and do minister.
11We wensen echter, dat gij allen dezelfde ijver aan de dag blijft leggen, om de volle zekerheid der hoop te bewaren ten einde toe;
11And we desire that every one of you do shew the same diligence to the full assurance of hope unto the end:
12en dat gij niet traag moogt worden, maar navolgers van hen, die door geloof en volharding de belofte hebben verkregen.
12That ye be not slothful, but followers of them who through faith and patience inherit the promises.
13Want toen God aan Abraham de belofte deed, zwoer Hij bij Zichzelf, daar Hij bij geen hogere kon zweren en Hij sprak:
13For when God made promise to Abraham, because he could swear by no greater, he sware by himself,
14“Voorwaar, rijk zal Ik u zegenen, Overvloedig u vermenigvuldigen,”
14Saying, Surely blessing I will bless thee, and multiplying I will multiply thee.
15en zo verkreeg Abraham de vervulling der belofte door volharding.
15And so, after he had patiently endured, he obtained the promise.
16De mensen toch zweren bij hem die hoger staat, en de eed dient hun tot bevestiging, en sluit verdere tegenspraak uit.
16For men verily swear by the greater: and an oath for confirmation is to them an end of all strife.
17Daarom ook heeft God een eed tot waarborg gegeven, toen Hij aan de erfgenamen der belofte nog duidelijker de onveranderlijkheid van zijn Raadsbesluit wilde tonen;
17Where in God, willing more abundantly to shew unto the heirs of promise the immutability of his counsel, confirmed it by an oath:
18opdat wij door twee onwrikbare zaken, waardoor het God onmogelijk is te bedriegen, een krachtige aansporing zouden ontvangen, om onze toevlucht te nemen en ons vast te klampen aan de hoop op wat ons is weggelegd.
18That by two immutable things, in which it was impossible for God to lie, we might have a strong consolation, who have fled for refuge to lay hold upon the hope set before us:
19Haar toch behouden we als een veilig en zeker anker onzer ziel, vastzittend in het binnenste achter het Voorhangsel,
19Which hope we have as an anchor of the soul, both sure and stedfast, and which entereth into that within the veil;
20waar terwille van ons onze Voorloper is binnengegaan: Jesus, “Hogepriester voor eeuwig naar de Orde van Melkisedek.”
20Whither the forerunner is for us entered, even Jesus, made an high priest for ever after the order of Melchisedec.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.