Daniel 6
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Bíblia Portuguesa Mundial (Brazilian Portuguese)
1Het had Darius behaagd, over het koninkrijk honderd twintig landvoogden aan te stellen, die over het hele rijk waren verspreid.
1Pareceu bem a Dario colocar sobre o reino cento e vinte sátrapas, distribuídos por todo o reino,
2En over hen stelde hij weer drie ministers aan, aan wie die landvoogden rekenschap moesten afleggen, opdat de koning geen schade zou lijden; en Daniël was er één van.
2e sobre eles três administradores, um dos quais era Daniel, para que esses sátrapas lhes prestassem contas e o rei não sofresse prejuízo.
3Maar omdat Daniël de ministers en landvoogden ver overtrof, daar hij een buitengewone geest bezat, dacht de koning er over, hem over het hele rijk te stellen.
3Então Daniel se destacou acima dos administradores e dos sátrapas, porque nele havia um espírito extraordinário; e o rei pensava em colocá-lo sobre todo o reino.
4Daarom trachtten de ministers en landvoogden bij Daniël een reden tot aanklacht te vinden met betrekking tot zijn rijksbestuur. Maar ze konden geen enkele grond ontdekken, of iets wat verkeerd was; want hij was trouw, en er viel verzuim noch fout in hem te bespeuren.
4Então os administradores e os sátrapas procuravam encontrar algum motivo para acusar Daniel quanto aos assuntos do reino, mas não conseguiam encontrar motivo nem falha alguma, porque ele era fiel. Nenhum erro nem falha se encontrava nele.
5Toen zeiden die mannen: We zullen tegen dien Daniël geen enkele aanklacht kunnen verzinnen, als we die niet tegen hem vinden door de wet van zijn God.
5Então aqueles homens disseram: “Não encontraremos motivo algum contra este Daniel, a menos que encontremos algo relacionado à Lei de seu Deus.”
6Daarom trachtten die ministers en landvoogden den koning te overrompelen, en zeiden tot hem. Koning Darius leve voor eeuwig!
6Então esses administradores e sátrapas foram juntos ao rei e lhe disseram: “Ó rei Dario, viva para sempre!
7Alle rijksministers, bestuurders, landvoogden, staatsraden en stadhouders hebben het raadzaam geacht, dat er een koninklijk besluit wordt uitgevaardigd en een streng verbod wordt afgekondigd, dat iedereen, die gedurende dertig dagen een bede durft richten tot god of mens, wie het ook is. behalve alleen tot u, koning, in de leeuwenkuil zal worden geworpen.
7Todos os administradores do reino, prefeitos, sátrapas, conselheiros e governadores concordaram em estabelecer um estatuto real e tornar firme um decreto: durante trinta dias, qualquer pessoa que fizer petição a qualquer deus ou homem, exceto ao senhor, ó rei, será lançada na cova dos leões.
8Heb dus de goedheid, o koning, het verbod uit te vaardigen en het besluit te ondertekenen, opdat het onveranderlijk wordt en onherroepelijk als een wet van Meden en Perzen.
8Agora, ó rei, estabeleça o decreto e assine o documento, para que não possa ser mudado, conforme a lei dos medos e dos persas, que não pode ser revogada.”
9Daarom ondertekende Darius het besluit met het verbod.
9Então o rei Dario assinou o documento e o decreto.
10Zodra Daniël vernomen had, dat het bevelschrift was uitgevaardigd, ging hij naar huis, en met de vensters van zijn opperzaal in de richting van Jerusalem geopend, wierp hij zich drie maal per dag op de knieën, en aanbad en loofde zijn God, juist zoals hij dat vroeger gewoon was.
10Quando Daniel soube que o documento havia sido assinado, entrou em sua casa. As janelas de seu quarto estavam abertas em direção a Jerusalém. Três vezes por dia, ele se punha de joelhos, orava e dava graças diante de seu Deus, como costumava fazer antes.
11Zo konden die mannen Daniël bespieden, en troffen ze hem aan, terwijl hij bad en smeekte tot zijn God.
11Então aqueles homens foram juntos e encontraram Daniel fazendo petições e súplicas diante de seu Deus.
12Toen begaven ze zich naar den koning, om over het koninklijk verbod te spreken, en ze zeiden tot hem: Hebt gij niet een verbod ondertekend, dat iedereen, die gedurende dertig dagen een bede durft richten tot god of mens, wie het ook is, behalve alleen tot u, koning, in de leeuwenkuil zal worden geworpen? De koning antwoordde: Dat staat vast, en is onherroepelijk als een wet van Meden en Perzen.
12Aproximaram-se do rei e falaram a respeito do decreto real: “O senhor não assinou um decreto segundo o qual todo homem que, dentro de trinta dias, fizer petição a qualquer deus ou homem, exceto ao senhor, ó rei, será lançado na cova dos leões?” O rei respondeu: “A coisa é verdadeira, conforme a lei dos medos e dos persas, que não pode ser revogada.”
13Nu zeiden ze tot den koning: Daniël, een van de joodse ballingen, stoort zich niet aan u, o koning, noch aan het verbod door u ondertekend; hij blijft bidden, driemaal per dag.
13Então responderam diante do rei: “Aquele Daniel, que é dos filhos dos exilados de Judá, não dá atenção ao senhor, ó rei, nem ao decreto que assinou, mas faz sua petição três vezes por dia.”
14Toen de koning dit hoorde, raakte hij in grote verlegenheid; hij zon op middelen, om Daniël te redden, en tot zonsondergang toe stelde hij alles in het werk, om hem vrij te laten.
14Ao ouvir essas palavras, o rei ficou muito descontente consigo mesmo e decidiu livrar Daniel. Até o pôr do sol, esforçou-se para salvá-lo.
15Maar die mannen bleven bij den koning aandringen, en zeiden tot den koning: Denk er aan, o koning: het is een wet van Meden en Perzen, dat geen enkel verbod of besluit kan worden herroepen, dat door den koning is uitgevaardigd.
15Então aqueles homens foram juntos ao rei e lhe disseram: “Saiba, ó rei, que é lei dos medos e dos persas que nenhum decreto nem estatuto estabelecido pelo rei pode ser mudado.”
16Daarop gaf de koning bevel, Daniël te halen. Doch terwijl men Daniël in de leeuwenkuil wierp, zei de koning tot hem: Moge uw God, dien gij zo trouw hebt gediend, u redden.
16Então o rei deu ordem, e trouxeram Daniel e o lançaram na cova dos leões. O rei disse a Daniel: “Seu Deus, a quem você serve continuamente, ele o livrará.”
17Daarna haalde men een steen, en legde hem op de opening van de kuil; en de koning verzegelde hem met zijn eigen zegel en met het zegel van zijn hovelingen, opdat niemand iets tegen Daniël zou kunnen ondernemen.
17Trouxeram uma pedra e a colocaram sobre a abertura da cova. O rei a selou com seu próprio anel e com os anéis de seus nobres, para que nada fosse alterado a respeito de Daniel.
18Toen ging de koning naar zijn paleis, en bracht de nacht in vasten door; hij liet geen vrouwen bij zich brengen, en de slaap ontvlood zijn ogen.
18Então o rei voltou para seu palácio e passou a noite em jejum. Não permitiu que lhe trouxessem qualquer entretenimento, e o sono fugiu dele.
19Maar bij de eerste morgenschemering stond de koning op, en ijlde angstig naar de leeuwenkuil.
19Bem cedo pela manhã, ao raiar do dia, o rei se levantou e foi depressa à cova dos leões.
20En bij de kuil gekomen, riep de koning tot Daniël met klagende stem:Daniël, dienaar van den levenden God; heeft uw God, dien gij zo trouw hebt gediend, u van de leeuwen kunnen redden?
20Quando se aproximou da cova, chamou Daniel com voz angustiada. O rei disse: “Daniel, servo do Deus vivo, será que seu Deus, a quem você serve continuamente, pôde livrá-lo dos leões?”
21En Daniël riep den koning terug: De koning leve voor eeuwig!
21Então Daniel respondeu ao rei: “Ó rei, viva para sempre!
22Mijn God heeft zijn engel gezonden, om de muil der leeuwen te stoppen; ze hebben mij geen leed gedaan, omdat ik niet enkel voor Hem onschuldig werd bevonden, maar ook tegen u, o koning, geen kwaad heb gedaan.
22Meu Deus enviou seu anjo e fechou a boca dos leões, e eles não me fizeram mal, porque fui achado inocente diante dele. Também diante do senhor, ó rei, não cometi mal algum.”
23Uitermate verheugd gaf de koning bevel, Daniël uit de kuil te trekken. En toen men Daniël uit de kuil had getrokken, kon men aan hem geen letsel bespeuren; want hij had vertrouwd op zijn God.
23Então o rei ficou extremamente alegre e ordenou que tirassem Daniel da cova. Daniel foi retirado, e nenhum ferimento foi encontrado nele, porque havia confiado em seu Deus.
24Maar nu gaf de koning bevel, de mannen te halen, die Daniël hadden belasterd, om ze met hun kinderen en vrouwen in de leeuwenkuil te werpen. Nog hadden ze de grond van de kuil niet bereikt, of de leeuwen grepen ze aan, en kraakten al hun beenderen stuk.
24O rei deu ordem, e trouxeram os homens que haviam acusado Daniel. Lançaram na cova dos leões eles, seus filhos e suas mulheres. Antes que chegassem ao fundo da cova, os leões os atacaram e quebraram todos os seus ossos.
25Daarop richtte koning Darius een schrijven aan alle volken, naties en tongen, die over de hele aarde wonen: “Heil!
25Então o rei Dario escreveu a todos os povos, nações e línguas que habitam em toda a terra: “Que a paz de vocês se multiplique!
26Ik heb een bevel uitgevaardigd, dat men in mijn hele rijksgebied den God van Daniël moet vrezen en duchten. Want Hij is een levende God, die in eeuwigheid blijft; zijn koningschap is onverwoestbaar, en zijn heerschappij zonder eind.
26“Faço um decreto para que, em todo o domínio de meu reino, os homens tremam e temam diante do Deus de Daniel, pois ele é o Deus vivo e permanece para sempre. Seu reino não será destruído, e seu domínio permanecerá até o fim.
27Hij redt en verlost, doet tekenen en wonderen in hemel en aarde: Want Hij heeft Daniël uit de klauwen der leeuwen gered!”
27Ele livra e salva. Realiza sinais e maravilhas no céu e na terra. Ele livrou Daniel do poder dos leões.”
28En Daniël bleef in hoog aanzien onder het bestuur van Darius en onder de regering van Cyrus, den Pers.
28Assim Daniel prosperou durante o reinado de Dario e durante o reinado de Ciro, o persa.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.