Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Septuagint (Greek Old Testament), second edition
1Het had Darius behaagd, over het koninkrijk honderd twintig landvoogden aan te stellen, die over het hele rijk waren verspreid.
1ΚΑΙ ἤρεσεν ἐνώπιον Δαρείου καὶ κατέστησεν ἐπὶ τῆς βασιλείας σατράπας ἑκατὸν εἴκοσι τοῦ εἶναι αὐτοὺς ἐν ὅλῃ τῇ βασιλείᾳ αὐτοῦ
2En over hen stelde hij weer drie ministers aan, aan wie die landvoogden rekenschap moesten afleggen, opdat de koning geen schade zou lijden; en Daniël was er één van.
2καὶ ἐπάνω αὐτῶν τακτικοὺς τρεῖς, ὧν ἦν Δανιὴλ εἷς ἐξ αὐτῶν, τοῦ ἀποδιδόναι αὐτοῖς τοὺς σατράπας λόγον, ὅπως ὁ βασιλεὺς μὴ ἐνοχλῆται.
3Maar omdat Daniël de ministers en landvoogden ver overtrof, daar hij een buitengewone geest bezat, dacht de koning er over, hem over het hele rijk te stellen.
3καὶ ἦν Δανιὴλ ὑπὲρ αὐτούς, ὅτι πνεῦμα περισσὸν ἐν αὐτῷ. καὶ ὁ βασιλεὺς κατέστησεν αὐτὸν ἐφ' ὅλης τῆς βασιλείας αὐτοῦ.
4Daarom trachtten de ministers en landvoogden bij Daniël een reden tot aanklacht te vinden met betrekking tot zijn rijksbestuur. Maar ze konden geen enkele grond ontdekken, of iets wat verkeerd was; want hij was trouw, en er viel verzuim noch fout in hem te bespeuren.
4καὶ οἱ τακτικοὶ καὶ οἱ σατράπαι, ἐζήτουν πρόφασιν εὑρεῖν κατὰ Δανιήλ· καὶ πᾶσαν πρόφασιν καὶ παράπτωμα καὶ ἀμπλάκημα οὐχ εὗρον κατ' αὐτοῦ, ὅτι πιστὸς ἦν.
5Toen zeiden die mannen: We zullen tegen dien Daniël geen enkele aanklacht kunnen verzinnen, als we die niet tegen hem vinden door de wet van zijn God.
5καὶ εἶπον οἱ τακτικοί· οὐχ εὑρήσομεν κατὰ Δανιὴλ πρόφασιν, εἰ μὴ ἐν νομίμοις Θεοῦ αὐτοῦ.
6Daarom trachtten die ministers en landvoogden den koning te overrompelen, en zeiden tot hem. Koning Darius leve voor eeuwig!
6Τότε οἱ τακτικοὶ καὶ οἱ σατράπαι παρέστησαν τῷ βασιλεῖ καὶ εἶπαν αὐτῷ· Δαρεῖε βασιλεῦ, εἰς τοὺς αἰῶνας ζῆθι·
7Alle rijksministers, bestuurders, landvoogden, staatsraden en stadhouders hebben het raadzaam geacht, dat er een koninklijk besluit wordt uitgevaardigd en een streng verbod wordt afgekondigd, dat iedereen, die gedurende dertig dagen een bede durft richten tot god of mens, wie het ook is. behalve alleen tot u, koning, in de leeuwenkuil zal worden geworpen.
7συνεβουλεύσαντο πάντες οἱ ἐπὶ τῆς βασιλείας σου στρατηγοὶ καὶ σατράπαι, ὕπατοι καὶ τοπάρχαι, τοῦ στῆσαι στάσει βασιλικῇ καὶ ἐνισχῦσαι ὁρισμόν, ὅπως ὃς ἂν αἰτήσῃ αἴτημα παρὰ παντὸς θεοῦ καὶ ἀνθρώπου ἕως ἡμερῶν τριάκοντα, ἀλλ' ἢ παρὰ σοῦ, βασιλεῦ, ἐμβληθήσεται εἰς τὸν λάκκον τῶν λεόντων.
8Heb dus de goedheid, o koning, het verbod uit te vaardigen en het besluit te ondertekenen, opdat het onveranderlijk wordt en onherroepelijk als een wet van Meden en Perzen.
8νῦν οὖν, βασιλεῦ, στῆσον τὸν ὁρισμὸν καὶ ἔκθες γραφήν, ὅπως μὴ ἀλλοιωθῇ τὸ δόγμα Περσῶν καὶ Μήδων.
9Daarom ondertekende Darius het besluit met het verbod.
9τότε ὁ βασιλεὺς Δαρεῖος ἐπέταξε γραφῆναι τὸ δόγμα.
10Zodra Daniël vernomen had, dat het bevelschrift was uitgevaardigd, ging hij naar huis, en met de vensters van zijn opperzaal in de richting van Jerusalem geopend, wierp hij zich drie maal per dag op de knieën, en aanbad en loofde zijn God, juist zoals hij dat vroeger gewoon was.
10Καὶ Δανιήλ, ἡνίκα ἔγνω ὅτι ἐνετάγη τὸ δόγμα, εἰσῆλθεν εἰς τὸν οἶκον αὐτοῦ, καὶ αἱ θυρίδες ἀνεῳγμέναι αὐτῷ ἐν τοῖς ὑπερῴοις αὐτοῦ κατέναντι Ἱερουσαλήμ, καὶ καιροὺς τρεῖς τῆς ἡμέρας ἦν κάμπτων ἐπὶ τὰ γόνατα αὐτοῦ καὶ προσευχόμενος καὶ ἐξομολογούμενος ἐναντίον τοῦ Θεοῦ αὐτοῦ, καθὼς ἦν ποιῶν ἔμπροσθεν.
11Zo konden die mannen Daniël bespieden, en troffen ze hem aan, terwijl hij bad en smeekte tot zijn God.
11τότε οἱ ἄνδρες ἐκεῖνοι παρετήρησαν καὶ εὗρον τὸν Δανιὴλ ἀξιοῦντα καὶ δεόμενον τοῦ Θεοῦ αὐτοῦ.
12Toen begaven ze zich naar den koning, om over het koninklijk verbod te spreken, en ze zeiden tot hem: Hebt gij niet een verbod ondertekend, dat iedereen, die gedurende dertig dagen een bede durft richten tot god of mens, wie het ook is, behalve alleen tot u, koning, in de leeuwenkuil zal worden geworpen? De koning antwoordde: Dat staat vast, en is onherroepelijk als een wet van Meden en Perzen.
12καὶ προσελθόντες λέγουσι τῷ βασιλεῖ· βασιλεῦ, οὐχ ὁρισμὸν ἔταξας, ὅπως πᾶς ἄνθρωπος, ὃς ἂν αἰτήσῃ παρὰ παντὸς θεοῦ καὶ ἀνθρώπου αἴτημα ἕως ἡμερῶν τριάκοντα, ἀλλ' ἢ παρὰ σοῦ, βασιλεῦ, ἐμβληθήσεται εἰς τὸν λάκκον τῶν λεόντων; καὶ εἶπεν ὁ βασιλεύς· ἀληθινὸς ὁ λόγος, καὶ τὸ δόγμα Μήδων καὶ Περσῶν οὐ παρελεύσεται.
13Nu zeiden ze tot den koning: Daniël, een van de joodse ballingen, stoort zich niet aan u, o koning, noch aan het verbod door u ondertekend; hij blijft bidden, driemaal per dag.
13τότε ἀπεκρίθησαν καὶ λέγουσιν ἐνώπιον τοῦ βασιλέως· Δανιὴλ ὁ ἀπὸ τῶν υἱῶν τῆς αἰχμαλωσίας τῆς Ἰουδαίας οὐχ ὑπετάγη τῷ δόγματί σου, καὶ καιροὺς τρεῖς τῆς ἡμέρας αἰτεῖ παρὰ τοῦ Θεοῦ αὐτοῦ τὰ αἰτήματα αὐτοῦ.
14Toen de koning dit hoorde, raakte hij in grote verlegenheid; hij zon op middelen, om Daniël te redden, en tot zonsondergang toe stelde hij alles in het werk, om hem vrij te laten.
14τότε ὁ βασιλεύς, ὡς τὸ ρῆμα ἤκουσε, πολὺ ἐλυπήθη ἐπ' αὐτῷ καὶ περὶ τοῦ Δανιὴλ ἠγωνίσατο τοῦ ἐξελέσθαι αὐτὸν καὶ ἕως ἑσπέρας ἦν ἀγωνιζόμενος τοῦ ἐξελέσθαι αὐτόν.
15Maar die mannen bleven bij den koning aandringen, en zeiden tot den koning: Denk er aan, o koning: het is een wet van Meden en Perzen, dat geen enkel verbod of besluit kan worden herroepen, dat door den koning is uitgevaardigd.
15τότε οἱ ἄνδρες ἐκεῖνοι λέγουσι τῷ βασιλεῖ· γνῶθι, βασιλεῦ, ὅτι τὸ δόγμα Μήδοις καὶ Πέρσαις τοῦ πᾶν ὁρισμὸν καὶ στάσιν, ἣν ἂν ὁ βασιλεὺς στήσῃ, οὐ δεῖ παραλλάξαι.
16Daarop gaf de koning bevel, Daniël te halen. Doch terwijl men Daniël in de leeuwenkuil wierp, zei de koning tot hem: Moge uw God, dien gij zo trouw hebt gediend, u redden.
16Τότε ὁ βασιλεὺς εἶπε καὶ ἤγαγον τὸν Δανιὴλ καὶ ἐνέβαλον αὐτὸν εἰς τὸν λάκκον τῶν λεόντων· καί εἶπεν ὁ βασιλεὺς τῷ Δανιήλ· ὁ Θεός σου, ᾧ σὺ λατρεύεις ἐνδελεχῶς, αὐτὸς ἐξελεῖταί σε.
17Daarna haalde men een steen, en legde hem op de opening van de kuil; en de koning verzegelde hem met zijn eigen zegel en met het zegel van zijn hovelingen, opdat niemand iets tegen Daniël zou kunnen ondernemen.
17καὶ ἤνεγκαν λίθον καὶ ἐπέθηκαν ἐπὶ τὸ στόμα τοῦ λάκκου, καὶ ἐσφραγίσατο ὁ βασιλεὺς ἐν τῷ δακτυλίῳ αὐτοῦ καὶ ἐν τῷ δακτυλίῳ τῶν μεγιστάνων αὐτοῦ, ὅπως μὴ ἀλλοιωθῇ πρᾶγμα ἐν τῷ Δανιήλ.
18Toen ging de koning naar zijn paleis, en bracht de nacht in vasten door; hij liet geen vrouwen bij zich brengen, en de slaap ontvlood zijn ogen.
18καὶ ἀπῆλθεν ὁ βασιλεὺς εἰς τὸν οἶκον αὐτοῦ καὶ ἐκοιμήθη ἄδειπνος, καὶ ἐδέσματα οὐκ εἰσήνεγκαν αὐτῷ καὶ ὁ ὕπνος ἀπέστη ἀπ' αὐτοῦ. καὶ ἔκλεισεν ὁ Θεὸς τὰ στόματα τῶν λεόντων, καὶ οὐ παρηνώχλησαν τῷ Δανιήλ.
19Maar bij de eerste morgenschemering stond de koning op, en ijlde angstig naar de leeuwenkuil.
19τότε ὁ βασιλεὺς ἀνέστη τὸ πρωΐ ἐν τῷ φωτὶ καὶ ἐν σπουδῇ ἦλθεν ἐπὶ τὸν λάκκον τῶν λεόντων·
20En bij de kuil gekomen, riep de koning tot Daniël met klagende stem:Daniël, dienaar van den levenden God; heeft uw God, dien gij zo trouw hebt gediend, u van de leeuwen kunnen redden?
20καὶ ἐν τῷ ἐγγίζειν αὐτὸν τῷ λάκκῳ ἐβόησε φωνῇ ἰσχυρᾷ· Δανιήλ, ὁ δοῦλος τοῦ Θεοῦ τοῦ ζῶντος, ὁ Θεός σου, ᾧ σὺ λατρεύεις ἐνδελεχῶς, εἰ ἠδυνήθη ἐξελέσθαι σε ἐκ τοῦ στόματος τῶν λεόντων;
21En Daniël riep den koning terug: De koning leve voor eeuwig!
21καὶ εἶπε Δανιὴλ τῷ βασιλεῖ· βασιλεῦ, εἰς τοὺς αἰῶνας ζῆθι.
22Mijn God heeft zijn engel gezonden, om de muil der leeuwen te stoppen; ze hebben mij geen leed gedaan, omdat ik niet enkel voor Hem onschuldig werd bevonden, maar ook tegen u, o koning, geen kwaad heb gedaan.
22ὁ Θεός μου ἀπέστειλε τὸν ἄγγελον αὐτοῦ, καὶ ἐνέφραξε τὰ στόματα τῶν λεόντων, καὶ οὐκ ἐλυμήναντό με, ὅτι κατέναντι αὐτοῦ εὐθύτης εὑρέθη ἐμοί· καὶ ἐνώπιον δέ σου, βασιλεῦ, παράπτωμα οὐκ ἐποίησα.
23Uitermate verheugd gaf de koning bevel, Daniël uit de kuil te trekken. En toen men Daniël uit de kuil had getrokken, kon men aan hem geen letsel bespeuren; want hij had vertrouwd op zijn God.
23τότε ὁ βασιλεὺς πολὺ ἠγαθύνθη ἐπ' αὐτῷ, καὶ τὸν Δανιὴλ εἶπεν ἀνενέγκαι ἐκ τοῦ λάκκου. καὶ ἀνηνέχθη Δανιὴλ ἐκ τοῦ λάκκου, καὶ πᾶσα διαφθορὰ οὐχ εὑρέθη ἐν αὐτῷ, ὅτι ἐπίστευσεν ἐν τῷ Θεῷ αὐτοῦ.
24Maar nu gaf de koning bevel, de mannen te halen, die Daniël hadden belasterd, om ze met hun kinderen en vrouwen in de leeuwenkuil te werpen. Nog hadden ze de grond van de kuil niet bereikt, of de leeuwen grepen ze aan, en kraakten al hun beenderen stuk.
24καὶ εἶπεν ὁ βασιλεύς, καὶ ἠγάγοσαν τοὺς ἄνδρας τοὺς διαβαλόντας τὸν Δανιήλ, καὶ εἰς τὸν λάκκον τῶν λεόντων ἐνεβλήθησαν, αὐτοὶ καὶ οἱ υἱοὶ αὐτῶν καὶ αἱ γυναῖκες αὐτῶν· καὶ οὐκ ἔφθασαν εἰς τὸ ἔδαφος τοῦ λάκκου, ἕως οὗ ἐκυρίευσαν αὐτῶν οἱ λέοντες καὶ πάντα τὰ ὀστᾶ αὐτῶν ἐλέπτυναν.
25Daarop richtte koning Darius een schrijven aan alle volken, naties en tongen, die over de hele aarde wonen: “Heil!
25Τότε Δαρεῖος ὁ βασιλεὺς ἔγραψε πᾶσι τοῖς λαοῖς, φυλαῖς, γλώσσαις, τοῖς οἰκοῦσιν ἐν πάσῃ τῇ γῇ· εἰρήνη ὑμῖν πληθυνθείη·
26Ik heb een bevel uitgevaardigd, dat men in mijn hele rijksgebied den God van Daniël moet vrezen en duchten. Want Hij is een levende God, die in eeuwigheid blijft; zijn koningschap is onverwoestbaar, en zijn heerschappij zonder eind.
26ἐκ προσώπου μου ἐτέθη δόγμα τοῦτο ἐν πάσῃ ἀρχῇ τῆς βασιλείας μου εἶναι τρέμοντας καὶ φοβουμένους ἀπὸ προσώπου τοῦ Θεοῦ Δανιήλ, ὅτι αὐτός ἐστι Θεὸς ζῶν καὶ μένων εἰς τοὺς αἰῶνας, καὶ ἡ βασιλεία αὐτοῦ οὐ διαφθαρήσεται, καὶ ἡ κυριεία αὐτοῦ ἕως τέλους·
27Hij redt en verlost, doet tekenen en wonderen in hemel en aarde: Want Hij heeft Daniël uit de klauwen der leeuwen gered!”
27ἀντιλαμβάνεται καὶ ρύεται καὶ ποιεῖ σημεῖα καὶ τέρατα ἐν τῷ οὐρανῷ καὶ ἐπὶ τῆς γῆς, ὅστις ἐξείλατο τὸν Δανιὴλ ἐκ χειρὸς τῶν λεόντων.
28En Daniël bleef in hoog aanzien onder het bestuur van Darius en onder de regering van Cyrus, den Pers.
28καὶ Δανιὴλ κατηύθυνεν ἐν τῇ βασιλείᾳ Δαρείου καὶ ἐν τῇ βασιλείᾳ Κύρου τοῦ Πέρσου.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.