Daniel 2
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Septuagint (Greek Old Testament), second edition
1In het twaalfde jaar zijner regering had Nabukodonosor een droom, waardoor zijn geest werd ontsteld, zodat hij niet meer kon slapen.
1ΕΝ τῷ ἔτει τῷ δευτέρῳ τῆς βασιλείας Ναβουχοδονόσορ ἐνυπνιάσθη Ναβουχοδονόσορ ἐνύπνιον, καὶ ἐξέστη τὸ πνεῦμα αὐτοῦ, καὶ ὁ ὕπνος αὐτοῦ ἐγένετο ἀπ' αὐτοῦ.
2Daarom gaf de koning bevel, de zieners, waarzeggers, tovenaars en magiërs te ontbieden, om den koning zijn droom te verklaren. Toen ze voor den koning waren verschenen,
2καὶ εἶπεν ὁ βασιλεὺς καλέσαι τοὺς ἐπαοιδοὺς καὶ τοὺς μάγους καὶ τοὺς φαρμακοὺς καὶ τοὺς Χαλδαίους τοῦ ἀναγγεῖλαι τῷ βασιλεῖ τὰ ἐνύπνια αὐτοῦ, καὶ ἦλθαν καὶ ἔστησαν ἐνώπιον τοῦ βασιλέως.
3zeide hij hun: Ik heb een droom gehad; en mijn geest is er zo van ontsteld, dat ik de droom wil begrijpen.
3καὶ εἶπεν αὐτοῖς ὁ βασιλεύς· ἠνυπνιάσθην, καὶ ἐξέστη τὸ πνεῦμά μου τοῦ γνῶναι τὸ ἐνύπνιον.
4De magiërs gaven den koning ten antwoord: De koning leve voor eeuwig! Verhaal de droom aan uw dienaars, dan zullen wij er de uitleg van geven.
4καὶ ἐλάλησαν οἰ Χαλδαῖοι τῷ βασιλεῖ συριστί· βασιλεῦ, εἰς τοὺς αἰῶνας ζῆθι· σὺ εἰπὸν τὸ ἐνύπνιον τοῖς παισί σου, καὶ τὴν σύγκρισιν ἀναγγελοῦμεν.
5Maar de koning sprak tot de magiërs: Mijn besluit is genomen! Wanneer gij me niet zowel de droom als de uitleg kunt zeggen, zult ge in stukken worden gehouwen, en zullen uw huizen in puin worden gelegd;
5ἀπεκρίθη ὁ βασιλεὺς τοῖς Χαλδαίοις· ὁ λόγος ἀπ' ἐμοῦ ἀπέστη· ἐὰν μὴ γνωρίσητέ μοι τὸ ἐνύπνιον καὶ τὴν σύγκρισιν αὐτοῦ, εἰς ἀπώλειαν ἔσεσθε, καὶ οἱ οἶκοι ὑμῶν διαρπαγήσονται·
6doch wanneer ge mij de droom en zijn uitleg kunt geven, dan zult ge rijke geschenken van mij krijgen, en met eer worden overladen. Vertel me derhalve de droom en zijn uitleg.
6ἐὰν δὲ τὸ ἐνύπνιον καὶ τὴν σύγκρισιν αὐτοῦ γνωρίσητέ μοι, δόματα καὶ δωρεὰς καὶ τιμὴν πολλὴν λήψεσθε παρ' ἐμοῦ· πλὴν τὸ ἐνύπνιον καὶ τὴν σύγκρισιν αὐτοῦ ἀπαγγείλατέ μοι.
7Maar ze zeiden opnieuw: De koning moge eerst de droom aan zijn dienaars vertellen, dan zullen wij er de uitleg van geven.
7ἀπεκρίθησαν δεύτερον καὶ εἶπαν· ὁ βασιλεὺς εἰπάτω τὸ ἐνύπνιον τοῖς παισὶν αὐτοῦ, καὶ τὴν σύγκρισιν αὐτοῦ ἀναγγελοῦμεν.
8Toen sprak de koning: Ik weet heel goed, dat ge maar tijd zoekt te winnen, omdat ge ziet, dat mijn besluit is genomen,
8καὶ ἀπεκρίθη ὁ βασιλεὺς καὶ εἶπεν· ἐπ' ἀληθείας οἶδα ἐγὼ ὅτι καιρὸν ὑμεῖς ἐξαγοράζετε, καθότι εἴδετε ὅτι ἀπέστη ἀπ' ἐμοῦ τὸ ρῆμα.
9u allen met hetzelfde vonnis te treffen, wanneer ge mij de droom niet kunt zeggen. Ge hebt afgesproken, mij te beliegen en te bedriegen, totdat ik misschien van inzicht verander. Derhalve, vertelt mij de droom; dan weet ik meteen, dat ge mij ook zeggen kunt, wat hij beduidt.
9ἐὰν οὖν τὸ ἐνύπνιον μὴ ἀναγγείλητέ μοι, οἶδα ὅτι ρῆμα ψευδὲς καὶ διεφθαρμένον συνέθεσθε εἰπεῖν ἐνώπιόν μου, ἕως οὗ ὁ καιρὸς παρέλθῃ· τὸ ἐνύπνιόν μου εἴπατέ μοι, καὶ γνώσομαι ὅτι τὴν σύγκρισιν αὐτοῦ ἀναγγελεῖτέ μοι.
10De magiërs gaven den koning ten antwoord: Er is niemand ter wereld, die kan vertellen wat de koning verlangt; daarom heeft nog nooit een koning, hoe groot en machtig hij ook was, zo iets van zijn zieners, waarzeggers of magiërs geëist.
10ἀπεκρίθησαν οἱ Χαλδαῖοι ἐνώπιον τοῦ βασιλέως καὶ λέγουσιν· οὐκ ἔστιν ἄνθρωπος ἐπὶ τῆς ξηρᾶς, ὅστις τὸ ρῆμα τοῦ βασιλέως δυνήσεται γνωρίσαι, καθότι πᾶς βασιλεὺς μέγας καὶ ἄρχων ρῆμα τοιοῦτον οὐκ ἐπερωτᾷ ἐπαοιδόν, μάγον καὶ Χαλδαῖον·
11Wat de koning verlangt, is veel te moeilijk, en er is niemand, die het den koning kan zeggen dan de goden alleen; maar die hebben geen omgang met mensen.
11ὅτι ὁ λόγος, ὃν ὁ βασιλεὺς ἐπερωτᾷ, βαρύς, καὶ ἕτερος οὐκ ἔστιν, ὃς ἀναγγελεῖ αὐτὸν ἐνώπιον τοῦ βασιλέως, ἀλλ' οἱ θεοί, ὧν οὐκ ἔστιν ἡ κατοικία μετὰ πάσης σαρκός.
12Nu werd de koning zo woedend en boos, dat hij bevel gaf, alle wijzen van Babel te doden.
12τότε ὁ βασιλεὺς ἐν θυμῷ καὶ ὀργῇ εἶπεν ἀπολέσαι πάντας τοὺς σοφοὺς Βαβυλῶνος·
13Toen het bevel was uitgevaardigd, de wijzen te doden, werden ook Daniël en zijn vrienden gezocht, om te worden vermoord.
13καὶ τὸ δόγμα ἐξῆλθε, καὶ οἱ σοφοὶ ἀπεκτέννοντο, καὶ ἐζήτησαν Δανιὴλ καὶ τοὺς φίλους αὐτοῦ ἀνελεῖν.
14Maar Daniël verzette zich met veel beleid en verstand tegen Arjok, het hoofd van de koninklijke lijfwacht, die er op uit was getrokken, om de wijzen van Babel te doden.
14τότε Δανιὴλ ἀπεκρίθη βουλὴν καὶ γνώμην τῷ Ἀριὼχ τῷ ἀρχιμαγείρῳ τοῦ βασιλέως, ὃς ἐξῆλθεν ἀναιρεῖν τοὺς σοφοὺς Βαβυλῶνος·
15En hij zeide tot Arjok, den bevelhebber des konings: Waarom heeft de koning toch zo’n hard bevel gegeven? Arjok vertelde Daniël, wat er gebeurd was,
15ἄρχων τοῦ βασιλέως, περὶ τίνος ἐξῆλθεν ἡ γνώμη ἡ ἀναιδὴς ἐκ προσώπου τοῦ βασιλέως; ἐγνώρισε δὲ ὁ Ἀριὼχ τὸ ρῆμα τῷ Δανιήλ.
16Nu liet Daniël den koning verzoeken, hem enige tijd te laten, om den koning de uitleg te geven.
16καὶ Δανιὴλ εἰσῆλθε καὶ ἠξίωσε τὸν βασιλέα, ὅπως χρόνον δῷ αὐτῷ, καὶ τὴν σύγκρισιν αὐτοῦ ἀναγγείλῃ τῷ βασιλεῖ.
17Daarop ging Daniël naar huis, en deelde Chananja, Misjaël en Azarja, zijn vrienden, mede, wat er gebeurd was.
17καὶ εἰσῆλθε Δανιὴλ εἰς τὸν οἶκον αὐτοῦ καὶ τῷ Ἀνανίᾳ καὶ τῷ Μισαὴλ καὶ τῷ Ἀζαρίᾳ τοῖς φίλοις αὐτοῦ τὸ ρῆμα ἐγνώρισε·
18Ze moesten God in de hemel om ontferming smeken met betrekking tot dit geheim, opdat men Daniël en zijn vrienden niet zou vermoorden met de overige wijzen van Babel.
18καὶ οἰκτιρμοὺς ἐζήτουν παρὰ τοῦ Θεοῦ τοῦ οὐρανοῦ ὑπὲρ τοῦ μυστηρίου τούτου, ὅπως ἂν μὴ ἀπόλωνται Δανιὴλ καὶ οἱ φίλοι αὐτοῦ μετὰ τῶν ἐπιλοίπων σοφῶν Βαβυλῶνος.
19Toen werd in een nachtelijk visioen aan Daniël het geheim geopenbaard. En Daniël loofde God in de hemel,
19τότε τῷ Δανιὴλ ἐν ὁράματι τῆς νυκτὸς τὸ μυστήριον ἀπεκαλύφθη· καὶ εὐλόγησε τὸν Θεὸν τοῦ οὐρανοῦ Δανιὴλ
20en sprak: De Naam van God moet worden geprezen In de eeuwen der eeuwen; Want Hem is de wijsheid en kracht!
20καὶ εἶπεν· εἴη τὸ ὄνομα τοῦ Θεοῦ εὐλογημένον ἀπὸ τοῦ αἰῶνος καὶ ἕως τοῦ αἰῶνος, ὅτι ἡ σοφία καὶ ἡ σύνεσις αὐτοῦ ἐστι·
21Hij is het, die tijden en stonden verandert, Die koningen afzet en koningen aanstelt; Die wijsheid verleent aan de wijzen, En inzicht aan de verstandigen.
21καὶ αὐτὸς ἀλλοιοῖ καιροὺς καὶ χρόνους, καθιστᾷ βασιλεῖς καὶ μεθιστᾷ, διδοὺς σοφίαν τοῖς σοφοῖς καὶ φρόνησιν τοῖς εἰδόσι σύνεσιν·
22Hij is het, die openbaart wat diep en geheim is, Die weet wat in ‘t duister geschiedt: Bij hem woont het licht!
22αὐτὸς ἀποκαλύπτει βαθέα καὶ ἀπόκρυφα, γινώσκων τὰ ἐν τῷ σκότει, καὶ τὸ φῶς μετ' αὐτοῦ ἐστι·
23U, den God mijner vaderen, loof ik en prijs ik, Want Gij hebt mij wijsheid geschonken en kracht; Gij hebt mij aanstonds doen weten, waarom wij U smeekten, Ons geopenbaard, waar de koning naar vroeg!
23σοί, ὁ Θεὸς τῶν πατέρων μου, ἐξομολογοῦμαι καὶ αἰνῶ, ὅτι σοφίαν καὶ δύναμιν δέδωκάς μοι καὶ νῦν ἐγνώρισάς μοι ἃ ἠξιώσαμεν παρὰ σοῦ καὶ τὸ ὅραμα τοῦ βασιλέως ἐγνώρισάς μοι.
24Daarop ging Daniël naar Arjok toe, wien de koning had opgedragen, de wijzen van Babel te doden. En hij zeide tot hem: Ge moet de wijzen van Babel niet doden; breng mij voor den koning, dan zal ik den koning de uitleg geven.
24καὶ ἦλθε Δανιὴλ πρὸς Ἀριώχ, ὃν κατέστησεν ὁ βασιλεὺς ἀπολέσαι τοὺς σοφοὺς Βαβυλῶνος, καὶ εἶπεν αὐτῷ· τοὺς σοφοὺς Βαβυλῶνος μὴ ἀπολέσῃς, εἰσάγαγε δέ με ἐνώπιον τοῦ βασιλέως, καὶ τὴν σύγκρισιν τῷ βασιλεῖ ἀναγγελῶ.
25Toen bracht Arjok zo gauw mogelijk Daniël voor den koning, en sprak tot hem: Ik heb onder de ballingen van Juda iemand gevonden, die den koning uitleg kan geven.
25τότε Ἀριὼχ ἐν σπουδῇ εἰσήγαγε τὸν Δανιὴλ ἐνώπιον τοῦ βασιλέως καὶ εἶπεν αὐτῷ· εὕρηκα ἄνδρα ἐκ τῶν υἱῶν τῆς αἰχμαλωσίας τῆς Ἰουδαίας, ὅστις τὸ σύγκριμα τῷ βασιλεῖ ἀναγγελεῖ.
26Nu richtte de koning het woord tot Daniël, die Beltsjassar werd genoemd: Zijt gij in staat mij te zeggen, wat voor droom ik gehad heb, en wat hij betekent?
26καὶ ἀπεκρίθη ὁ βασιλεὺς καὶ εἶπε τῷ Δανιήλ, οὗ τὸ ὄνομα Βαλτάσαρ· εἰ δύνασαί μοι ἀναγγεῖλαι τὸ ἐνύπνιον, ὃ εἶδον, καὶ τὴν σύγκρισιν αὐτοῦ;
27Maar Daniël gaf den koning ten antwoord: Het geheim, waar de koning naar vraagt, kunnen geen wijzen, geen waarzeggers, zieners of sterrenwichelaars den koning doen kennen.
27καὶ ἀπεκρίθη Δανιὴλ ἐνώπιον τοῦ βασιλέως καὶ εἶπε· τὸ μυστήριον, ὃ ὁ βασιλεὺς ἐπερωτᾷ, οὐκ ἔστι σοφῶν, μάγων, ἐπαοιδῶν, γαζαρηνῶν ἀναγγεῖλαι τῷ βαασιλεῖ,
28Maar er is een God in de hemel, die geheimen openbaart, en Hij heeft aan koning Nabukodonosor bekend willen maken, wat in de toekomst zal geschieden. Uw droom en uw visioenen, die gij op uw legerstede hadt, ontstonden,
28ἀλλ' ἤ ἐστι Θεὸς ἐν οὐρανῷ ἀποκαλύπτων μυστήρια καὶ ἐγνώρισε τῷ βασιλεῖ Ναβουχοδονόσορ ἃ δεῖ γενέσθαι ἐπ' ἐσχάτων τῶν ἡμερῶν. τὸ ἐνύπνιόν σου καὶ αἱ ὁράσεις τῆς κεφαλῆς σου ἐπὶ τῆς κοίτης σου, τοῦτό ἐστι.
29toen gij op uw legerstede laagt te denken over hetgeen de toekomst zal brengen. Toen heeft Hij, die de geheimen ontsluiert, U bekend gemaakt, wat er zal geschieden.
29σύ, βασιλεῦ, οἱ διαλογισμοί σου ἐπὶ τῆς κοίτης σου ἀνέβησαν τί δεῖ γενέσθαι μετὰ ταῦτα, καὶ ὁ ἀποκαλύπτων μυστήρια ἐγνώρισέ σοι ἃ δεῖ γενέσθαι.
30En mij is dit geheim bekend, niet door een wijsheid, die ik zou vóór hebben boven andere schepselen, maar het is mij geopenbaard, opdat den koning de uitleg daarvan zou worden geschonken, en gij de gedachten van uw hart zoudt verstaan.
30καὶ ἐμοὶ δὲ οὐκ ἐν σοφίᾳ τῇ οὔσῃ ἐν ἐμοὶ παρὰ πάντας τοὺς ζῶντας τὸ μυστήριον τοῦτο ἀπεκαλύφθη, ἀλλ' ἕνεκεν τοῦ τὴν σύγκρισιν τῷ βασιλεῖ γνωρίσαι, ἵνα τοὺς διαλογισμοὺς τῆς καρδίας σου γνῷς.
31Gij hadt, o koning, het volgend visioen. Zie, voor u stond een beeld! Het was ontzaglijk hoog, had een schitterende glans, maar zijn gedaante was vreselijk.
31σύ, βασιλεῦ, ἐθεώρεις, καὶ ἰδοὺ εἰκὼν μία, μεγάλη ἡ εἰκὼν ἐκείνη, καὶ ἡ πρόσοψις αὐτῆς ὑπερφερής, ἑστῶσα πρὸ προσώπου σου, καὶ ἡ ὅρασις αὐτῆς φοβερά·
32Het hoofd van dat beeld was van het zuiverste goud; zijn borst en armen waren van zilver, zijn buik en lenden van koper,
32εἰκών, ἧς ἡ κεφαλὴ χρυσίου χρηστοῦ, αἱ χεῖρες καὶ τὸ στῆθος καὶ οἱ βραχίονες αὐτῆς ἀργυροῖ, ἡ κοιλία καὶ οἱ μηροὶ χαλκοῖ,
33zijn schenkels van ijzer, zijn voeten een mengsel van ijzer en leem.
33αἱ κνῆμαι σιδηραῖ, οἱ πόδες μέρος τι σιδηροῦν καὶ μέρος τι ὀστράκινον.
34Terwijl gij er naar bleeft kijken, raakte er, zonder dat er een hand naar werd uitgestoken, een steen van de berg los; hij trof het beeld tegen de voeten van ijzer en leem, en verbrijzelde ze.
34ἐθεώρεις ἕως οὗ ἐτμήθη λίθος ἐξ ὄρους ἄνευ χειρῶν καὶ ἐπάταξε τὴν εἰκόνα ἐπὶ τοὺς πόδας τοὺς σιδηροῦς καὶ ὀστρακίνους καὶ ἐλέπτυνεν αὐτοὺς εἰς τέλος.
35Daardoor vielen ijzer, leem, koper, zilver en goud op een hoop in puinen. Ze werden als kaf op een dorsvloer in de zomer; de wind joeg ze weg, zodat er geen spoor van overbleef. Maar de steen, die het beeld had getroffen, werd een geweldige berg, die de hele aarde besloeg.
35τότε ἐλεπτύνθησαν εἰς ἅπαξ τὸ ὄστρακον, ὁ σίδηρος, ὁ χαλκός, ὁ ἄργυρος, ὁ χρυσός, καὶ ἐγένετο ὡσεὶ κονιορτὸς ἀπὸ ἅλωνος θερινῆς· καὶ ἐξῇρεν αὐτὰ τὸ πλῆθος τοῦ πνεύματος, καὶ τόπος οὐχ εὑρέθη αὐτοῖς· καὶ ὁ λίθος ὁ πατάξας τὴν εἰκόνα ἐγενήθη ὄρος μέγα καὶ ἐπλήρωσε πᾶσαν τὴν γῆν.
36Dat was de droom; nu zullen we den koning zeggen, wat hij betekent.
36τοῦτό ἐστι τὸ ἐνύπνιον καὶ τὴν σύγκρισιν αὐτοῦ ἐροῦμεν ἐνώπιον τοῦ βασιλέως.
37Gij zelf, o koning, koning der koningen, wien God in de hemel het koningschap, kracht, sterkte en eer heeft geschonken,
37σύ, βασιλεῦ, βασιλεὺς βασιλέων, ᾧ ὁ Θεὸς τοῦ οὐρανοῦ βασιλείαν ἰσχυρὰν καὶ κραταιὰν καὶ ἔντιμον ἔδωκεν,
38en onder wiens macht Hij alle mensen, waar ze ook wonen, met de dieren op ‘t veld en de vogels in de lucht heeft gesteld, en die Hij over die allen deed heersen: gij zelf zijt het hoofd van goud.
38ἐν παντὶ τόπῳ, ὅπου κατοικοῦσιν οἱ υἱοὶ τῶν ἀνθρώπων, θηρία τε ἁγροῦ καὶ πετεινὰ οὐρανοῦ καὶ ἰχθύας τῆς θαλάσσης ἔδωκεν ἐν τῇ χειρί σου καὶ κατέστησέ σε κύριον πάντων, σὺ εἶ ἡ κεφαλὴ ἡ χρυσῆ.
39Maar na u zal er een ander koninkrijk komen, dat geringer is dan het uwe; daarna weer een derde van koper, dat over de hele aarde zal heersen.
39καὶ ὀπίσω σου ἀναστήσεται βασιλεία ἑτέρα ἥττων σου καὶ βασιλεία τρίτη, ἥτις ἐστὶν ὁ χαλκός, ἣ κυριεύσει πάσης τῆς γῆς.
40En het vierde rijk zal sterk zijn als ijzer; want zoals ijzer alles verbrijzelt, vernielt en vermorzelt, zo zal het al die anderen verbrijzelen en vermorzelen.
40καὶ βασιλεία τετάρτη, ἥτις ἔσται ἰσχυρὰ ὡς σίδηρος· ὃν τρόπον ὁ σίδηρος λεπτύνει καὶ δαμάζει πάντα, οὕτως πάντα λεπτυνεῖ καὶ δαμάσει.
41Maar dat de voeten en tenen, zoals gij gezien hebt, voor een deel van leem van den pottenbakker waren, en voor een deel van ijzer, betekent: het zal een verdeeld koninkrijk zijn Het zal iets van de stevigheid van ijzer hebben, omdat gij gezien hebt, dat het ijzer was, dat met het kleileem vermengd was.
41καὶ ὅτι εἶδες τοὺς πόδας καὶ τοὺς δακτύλους μέρος μέν τι ὀστράκινον μέρος δέ τι σιδηροῦν, βασιλεία διῃρημένη ἔσται, καὶ ἀπὸ τῆς ρίζης τῆς σιδηρᾶς ἔσται ἐν αὐτῇ, ὃν τρόπον εἶδες τὸν σίδηρον ἀναμεμειγμένον τῷ ὀστράκῳ·
42En dat de tenen der voeten voor een deel uit ijzer waren en voor een deel uit leem, betekent: een deel van het rijk zal sterk zijn, en een ander deel broos.
42καὶ οἱ δάκτυλοι τῶν ποδῶν μέρος μέν τι σιδηροῦν μέρος δέ τι ὀστράκινον, μέρος τι τῆς βασιλείας ἔσται ἰσχυρὸν καὶ ἀπ' αὐτῆς ἔσται συντριβόμενον.
43En dat het ijzer, zoals gij gezien hebt, met leem vermengd was, betekent: zij zullen zich wel door huwelijk vermengen, maar de delen zullen geen eenheid vormen, evenmin als het ijzer zich met leem verbindt.
43ὅτι εἶδες τὸν σίδηρον ἀναμεμειγμένον τῷ ὀστράκῳ, συμμειγεῖς ἔσονται ἐν σπέρματι ἀνθρώπων καὶ οὐκ ἔσονται προσκολλώμενοι οὗτος μετὰ τούτου, καθὼς ὁ σίδηρος οὐκ ἀναμείγνυται μετὰ τοῦ ὀστράκου.
44Maar in de dagen van die koningen zal God in de hemel een koninkrijk stichten, dat in eeuwigheid niet te gronde zal gaan, en wiens heerschappij aan geen ander volk zal worden overgedragen. Het zal al die koninkrijken vermorzelen en vernielen, maar zelf in eeuwigheid blijven bestaan.
44καὶ ἐν ταῖς ἡμέραις τῶν βασιλέων ἐκείνων ἀναστήσει ὁ Θεὸς τοῦ οὐρανοῦ βασιλείαν, ἥτις εἰς τοὺς αἰῶνας οὐ διαφθαρήσεται, καὶ ἡ βασιλεία αὐτοῦ λαῷ ἑτέρῳ οὐχ ὑπολειφθήσεται· λεπτυνεῖ καὶ λικμήσει πάσας τὰς βασιλείας, καὶ αὐτὴ ἀναστήσεται εἰς τοὺς αἰῶνας.
45Want gij hebt toch gezien, dat er een steen, zonder dat er een hand naar werd uitgestoken, losraakte van de berg, en ijzer, koper, leem, zilver en goud verbrijzelde. De grote God heeft den koning geopenbaard, wat in de toekomst zal geschieden. De droom is waarachtig, en zijn uitleg betrouwbaar.
45ὃν τρόπον εἶδες ὅτι ἀπὸ ὄρους ἐτμήθη λίθος ἄνευ χειρῶν καὶ ἐλέπτυνε τὸ ὄστρακον, τὸν σίδηρον, τὸν χαλκόν, τὸν ἄργυρον, τὸν χρυσόν, ὁ Θεὸς ὁ μέγας ἐγνώρισε τῷ βασιλεῖ ἃ δεῖ γενέσθαι μετὰ ταῦτα, καὶ ἀληθινὸν τὸ ἐνύπνιον, καὶ πιστὴ ἡ σύγκρισις αὐτοῦ.
46Toen viel koning Nabukodonosor op zijn aangezicht neer, bracht Daniël hulde, en beval, hem offer en wierook te brengen.
46τότε ὁ βασιλεὺς Ναβουχοδονόσορ ἔπεσεν ἐπὶ πρόσωπον καὶ τῷ Δανιὴλ προσεκύνησε καὶ μαναὰ καὶ εὐωδίας εἶπε σπεῖσαι αὐτῷ.
47En de koning zeide tot Daniël: Waarachtig, uw God is de God der goden en de Heer der koningen. Hij is het, die wat verborgen is openbaart; want gij hebt dit geheim kunnen ontsluieren.
47καὶ ἀποκριθεὶς ὁ βασιλεὺς εἶπε τῷ Δανιήλ· ἐπ' ἀληθείας ὁ Θεὸς ὑμῶν αὐτός ἐστι Θεὸς θεῶν καὶ κύριος τῶν βασιλέων καὶ ἀποκαλύπτων μυστήρια, ὅτι ἠδυνήθης ἀποκαλύψαι τὸ μυστήριον τοῦτο.
48Daarna overlaadde de koning Daniël met eer, gaf hem vele kostbare geschenken, en stelde hem aan tot bestuurder van heel de provincie van Babel, en tot opperste leider van al de wijzen van Babel.
48καὶ ἐμεγάλυνεν ὁ βασιλεὺς τὸν Δανιὴλ καὶ δόματα μεγάλα καὶ πολλὰ ἔδωκεν αὐτῷ καὶ κατέστησεν αὐτὸν ἐπὶ πάσης χώρας Βαβυλῶνος καὶ ἄρχοντα σατραπῶν ἐπὶ πάντας τοὺς σοφοὺς Βαβυλῶνος.
49Maar op verzoek van Daniël droeg de koning het bestuur over de provincie van Babel aan Sjadrak, Mesjak en Abed-Nego op, terwijl Daniël zelf aan het hof van den koning verbleef.
49καὶ Δανιὴλ ᾐτήσατο παρὰ τοῦ βασιλέως, καὶ κατέστησεν ἐπὶ τὰ ἔργα τῆς χώρας Βαβυλῶνος τὸν Σεδράχ, Μισὰχ καὶ Ἀβδεναγώ· καὶ Δανιὴλ ἦν ἐν τῇ αὐλῇ τοῦ βασιλέως.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.