Daniel 4
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Septuagint (Greek Old Testament), second edition
1Koning Nabukodonosor, aan alle volken, naties en tongen, die op de gehele aarde wonen: Heil!
1ΕΓΩ Ναβουχοδονόσορ εὐθηνῶν ἤμην ἐν τῷ οἴκῳ μου καὶ εὐθαλῶν.
2Het heeft mij behaagd, de tekenen en wonderen te verhalen, die de allerhoogste God aan mij heeft gewrocht.
2ἐνύπνιον εἶδον, καὶ ἐφοβέρισέ με, καὶ ἐταράχθην ἐπὶ τῆς κοίτης μου, καὶ αἱ ὁράσεις τῆς κεφαλῆς μου ἐτάραξάν με.
3Hoe groot zijn zijn tekenen, hoe machtig zijn wonderen; zijn koningschap is een eeuwig koningschap, zijn heerschappij duurt van geslacht tot geslacht!
3καὶ δι' ἐμοῦ ἐτέθη δόγμα τοῦ εἰσαγαγεῖν ἐνώπιόν μου πάντας τοὺς σοφοὺς Βαβυλῶνος, ὅπως τὴν σύγκρισιν τοῦ ἐνυπνίου γνωρίσωσί μοι.
4ik, Nabukodonosor, leefde onbekommerd in mijn huis, en vol levenslust in mijn paleis.
4καὶ εἰσεπορεύοντο οἱ ἐπαοιδοί, μάγοι, γαζαρηνοί, Χαλδαῖοι, καὶ τὸ ἐνύπνιον ἐγὼ εἶπα ἐνώπιον αὐτῶν, καὶ τὴν σύγκρισιν αὐτοῦ οὐκ ἐγνώρισάν μοι,
5Maar ik kreeg een droom, die mij opschrikte, en gezichten en visioenen op mijn legerstee, die mij verontrustten.
5ἕως ἦλθε Δανιήλ, οὗ τὸ ὄνομα Βαλτάσαρ κατὰ τὸ ὄνομα τοῦ Θεοῦ μου, ὃς πνεῦμα Θεοῦ ἅγιον ἐν ἑαυτῷ ἔχει, καὶ τὸ ἐνύπνιον ἐνώπιον αὐτοῦ εἶπα·
6Daarom gaf ik bevel, alle wijzen van Babel te ontbieden, om mij de droom te verklaren.
6Βαλτάσαρ ὁ ἄρχων τῶν ἐπαοιδῶν, ὃν ἐγὼ ἔγνων ὅτι πνεῦμα Θεοῦ ἅγιον ἐν σοὶ καὶ πᾶν μυστήριον οὐκ ἀδυνατεῖ σε, ἄκουσον τὴν ὅρασιν τοῦ ἐνυπνίου μου, οὗ εἶδον, καὶ τὴν σύγκρισιν αὐτοῦ εἰπόν μοι·
7Toen de zieners, waarzeggers, magiërs en sterrenwichelaars waren verschenen, vertelde ik hun de droom; maar ze konden er mij geen uitleg van geven.
7ἐπὶ τῆς κοίτης μου ἐθεώρουν, καὶ ἰδοὺ δένδρον ἐν μέσῳ τῆς γῆς, καὶ τό ὕψος αὐτοῦ πολύ.
8Eindelijk verscheen ook Daniël, die naar de naam van mijn god Beltsjassar genoemd wordt, en met de geest der heilige goden vervuld is. Ook hem vertelde ik mijn droom:
8ἐμεγαλύνθη τὸ δένδρον καὶ ἴσχυσε, καὶ τὸ ὕψος αὐτοῦ ἔφθασεν ἕως τοῦ οὐρανοῦ καὶ τὸ κῦτος αὐτοῦ εἰς τὸ πέρας ἁπάσης τῆς γῆς·
9Beltsjassar, hoofd der zieners; ik weet, dat de geest der heilige goden in u woont, zodat geen enkel geheim u in verlegenheid brengt. Hoor wat ik in mijn droom heb gezien, en geef mij er de verklaring van.
9τὰ φύλλα αὐτοῦ ὡραῖα, καὶ ὁ καρπὸς αὐτοῦ πολύς, καὶ τροφὴ πάντων ἐν αὐτῷ· καὶ ὑποκάτω αὐτοῦ κατεσκήνουν τὰ θηρία τὰ ἄγρια, καὶ ἐν τοῖς κλάδοις αὐτοῦ κατῴκουν τὰ ὄρνεα τοῦ οὐρανοῦ, καὶ ἐξ αὐτοῦ ἐτρέφετο πᾶσα σάρξ.
10Ik zag dan op mijn legerstee de volgende visioenen: Zie een boom stond midden op aarde, ontzaglijk hoog,
10ἐθεώρουν ἐν ὁράματι τῆς νυκτὸς ἐπὶ τῆς κοίτης μου, καὶ ἰδοὺ εἲρ καὶ ἅγιος ἀπ' οὐρανοῦ κατέβη
11en de boom was groot en geweldig; tot de hemel reikte zijn top, tot aan de grenzen der aarde was hij zichtbaar.
11καὶ ἐφώνησεν ἐν ἰσχύϊ καὶ οὕτως εἶπε· ἐκκόψατε τὸ δένδρον καὶ ἐκτίλατε τοὺς κλάδους αὐτοῦ καὶ ἐκτινάξατε τὰ φύλλα αὐτοῦ καὶ διασκορπίσατε τὸν καρπὸν αὐτοῦ· σαλευθήτωσαν τὰ θηρία ὑποκάτωθεν αὐτοῦ καὶ τὰ ὄρνεα ἀπὸ τῶν κλάδων αὐτοῦ·
12Zijn loof was prachtig, zijn vrucht overvloedig; aan allen bood hij spijs, en al wat leeft vond er zijn voedsel; de wilde dieren zochten er schaduw, in zijn takken nestelden de vogels uit de lucht.
12πλὴν τὴν φυὴν τῶν ριζῶν αὐτοῦ ἐν τῇ γῇ ἐάσατε καὶ ἐν δεσμῷ σιδηρῷ καὶ χαλκῷ καὶ ἐν τῇ χλόῃ τῇ ἔξω, καὶ ἐν τῇ δρόσῳ τοῦ οὐρανοῦ κοιτασθήσεται, καὶ μετὰ τῶν θηρίων ἡ μερὶς αὐτοῦ ἐν τῷ χόρτῳ τῆς γῆς.
13Ik bleef toezien naar de visioenen, die ik op mijn legerstee had. En zie: uit de hemel daalde een heilige engel,
13ἡ καρδία αὐτοῦ ἀπὸ τῶν ἀνθρώπων ἀλλοιωθήσεται, καὶ καρδία θηρίου δοθήσεται αὐτῷ, καὶ ἑπτὰ καιροὶ ἀλλαγήσονται ἐπ' αὐτόν.
14en riep met machtige stem: Houwt de boom om, slaat zijn takken weg; schudt zijn loof af, verstrooit zijn vruchten; de dieren moeten onder hem weg, de vogels heen uit zijn takken.
14διὰ συγκρίματος εἲρ ὁ λόγος, καὶ ρῆμα ἁγίων τὸ ἐπερώτημα, ἵνα γνῶσιν οἱ ζῶντες ὅτι Κύριός ἐστιν ὁ ὕψιστος τῆς βασιλείας τῶν ἀνθρώπων, καὶ ᾧ ἐὰν δόξῃ, δώσει αὐτὴν καὶ ἐξουδένωμα ἀνθρώπων ἀναστήσει ἐπ' αὐτήν.
15Maar laat zijn wortels in de aarde, in boeien van ijzer en koper: midden in het groen op het veld, bevochtigd door dauw uit de hemel; en met de dieren moet hij het gras op de aarde delen.
15τοῦτο τὸ ἐνύπνιον, ὃ εἶδον ἐγὼ Ναβουχοδονόσορ ὁ βασιλεύς, καὶ σύ, Βαλτάσαρ, τὸ σύγκριμα εἰπόν, ὅτι πάντες οἱ σοφοὶ τῆς βασιλείας μου οὐ δύνανται τὸ σύγκριμα αὐτοῦ δηλῶσαί μοι, σὺ δέ, Δανιήλ, δύνασαι, ὅτι πνεῦμα Θεοῦ ἅγιον ἐν σοί.
16Zijn mensenhart zal worden verwisseld, een dierenhart hem worden gegeven. Zo zullen zeven tijden over hem heen gaan.
16Τότε Δανιήλ, οὗ τὸ ὄνομα Βαλτάσαρ, ἀπηνεώθη ὡσεὶ ὥραν μίαν, καὶ οἱ διαλογισμοὶ αὐτοῦ συνετάρασσον αὐτόν. καὶ ἀπεκρίθη ὁ βασιλεὺς καὶ εἶπεν· Βαλτάσαρ, τὸ ἐνύπνιον καὶ ἡ σύγκρισις μὴ κατασπευσάτω σε· καὶ ἀπεκρίθη Βαλτάσαρ καὶ εἶπε· κύριε, τὸ ἐνύπνιον ἔστω τοῖς μισοῦσί σε καὶ ἡ σύγκρισις αὐτοῦ τοῖς ἐχθροῖς σου.
17Dit vonnis berust op de beslissing der engelen, deze uitspraak op het woord der heiligen; opdat de levenden zullen erkennen, dat de Allerhoogste de macht heeft over het rijk van de mensen; dat Hij het geeft aan wien Hij wil, en zelfs den geringste der mensen daarover kan aanstellen!
17τὸ δένδρον, ὃ εἶδες τὸ μεγαλυνθὲν καὶ τὸ ἰσχυκός, οὗ τὸ ὕψος ἔφθανεν εἰς τὸν οὐρανὸν καὶ τὸ κῦτος αὐτοῦ εἰς πᾶσαν τὴν γῆν
18Dit is de droom, die ik, koning Nabukodonosor, heb gezien. Beltsjassar, geef gij mij nu de uitleg. Want alle wijzen van mijn rijk konden er mij geen verklaring van geven; maar gij kunt het wel, omdat de geest der heilige goden in u woont.
18καὶ τὰ φύλλα αὐτοῦ εὐθαλῆ καὶ ὁ καρπὸς αὐτοῦ πολὺς καὶ τροφὴ πᾶσιν ἐν αὐτῷ, ὑποκάτω αὐτοῦ κατῴκουν τὰ θηρία τὰ ἄγρια καὶ ἐν τοῖς κλάδοις αὐτοῦ κατεσκήνουν τὰ ὄρνεα τοῦ οὐρανοῦ,
19Toen stond Daniël, die ook Beltsjassar wordt genoemd, een tijdlang onthutst, en zijn eigen gedachten beangstigden hem. Maar de koning zeide: Beltsjassar, laat de droom en zijn betekenis u geen angst aanjagen! Nu nam Beltsjassar het woord en sprak: Heer, mocht de droom uw haters gelden, en zijn betekenis uw vijanden!
19σὺ εἶ, βασιλεῦ, ὅτι ἐμεγαλύνθης καὶ ἴσχυσας καὶ ἡ μεγαλωσύνη σου ἐμεγαλύνθη καὶ ἔφθασεν εἰς τὸν οὐρανὸν καὶ ἡ κυριεία σου εἰς τὰ πέρατα τῆς γῆς.
20De boom, die gij hebt gezien: die groot was en geweldig; wiens top tot aan de hemel reikte, en gezien werd over de hele aarde;
20καὶ ὅτι εἶδεν ὁ βασιλεὺς εἲρ καὶ ἅγιον καταβαίνοντα ἀπὸ τοῦ οὐρανοῦ, καὶ εἶπεν· ἐκτίλατε τὸ δένδρον καὶ διαφθείρατε αὐτό, πλὴν τὴν φυὴν τῶν ριζῶν αὐτοῦ ἐν τῇ γῇ ἐάσατε καὶ ἐν δεσμῷ σιδηρῷ καὶ ἐν χαλκῷ καὶ ἐν τῇ χλόῃ τῇ ἔξω, καὶ ἐν τῇ δρόσῳ τοῦ οὐρανοῦ αὐλισθήσεται, καὶ μετὰ θηρίων ἀγρίων ἡ μερὶς αὐτοῦ, ἕως οὗ ἑπτὰ καιροὶ ἀλλοιωθῶσιν ἐπ' αὐτόν,
21wiens loof prachtig was en wiens vrucht overvloedig; die spijs bood aan allen; waaronder de wilde dieren vertoefden, en in wiens takken de vogels uit de lucht nestelden:
21τοῦτο ἡ σύγκρισις αὐτοῦ, βασιλεῦ. καὶ σύγκριμα Ὑψίστου ἐστίν, ὃ ἔφθασεν ἐπὶ τὸν κύριόν μου τὸν βασιλέα,
22gij zijt het, o koning; gij, die groot zijt en machtig; wiens majesteit ontzaglijk is, en reikt tot de hemel; en wiens heerschappij zich uitstrekt tot aan de grenzen der aarde.
22καὶ σὲ ἐκδιώξουσιν ἀπὸ τῶν ἀνθρώπων, καὶ μετὰ θηρίων ἀγρίων ἔσται ἡ κατοικία σου, καὶ χόρτον ὡς βοῦν ψωμιοῦσί σε καὶ ἀπὸ τῆς δρόσου τοῦ οὐρανοῦ αὐλισθήσῃ, καὶ ἑπτὰ καιροὶ ἀλλαγήσονται ἐπὶ σέ, ἕως οὗ γνῷς ὅτι κυριεύει ὁ ¨Υψιστος τῆς βασιλείας τῶν ἀνθρώπων, καὶ ᾧ ἂν δόξῃ, δώσει αὐτήν.
23En de heilige engel, o koning, die gij uit de hemel zaagt dalen, en die sprak: Houwt die boom om en richt hem ten gronde; maar laat zijn wortels in de aarde, in boeien van ijzer en koper; midden in het groen op het veld en bevochtigd door dauw uit de hemel, en delend met de dieren op het veld, totdat er zeven tijden over hem zijn heengegaan:
23καὶ ὅτι εἶπαν· ἐάσατε τὴν φυὴν τῶν ριζῶν τοῦ δένδρου, ἡ βασιλεία σου σοὶ μενεῖ, ἀφ' ἧς ἂν γνῷς τὴν ἐξουσίαν τὴν οὐράνιον.
24dit is de uitleg, o koning; en het is tegelijk het besluit van den Allerhoogste met betrekking tot mijn heer en koning.
24διὰ τοῦτο, βασιλεῦ, ἡ βουλή μου ἀρεσάτω σοι καὶ τὰς ἁμαρτίας σου ἐν ἐλεημοσύναις λύτρωσαι καὶ τὰς ἀδικίας ἐν οἰκτιρμοῖς πενήτων· ἴσως ἔσται μακρόθυμος τοῖς παραπτώμασί σου ὁ Θεός.
25Men zal u uit de gemeenschap der mensen stoten, en uw woonplaats zal wezen bij de dieren op het veld; als runderen zal men u gras laten eten, en gij zult worden bevochtigd door de dauw uit de hemel. Zo zullen zeven tijden over u heengaan, totdat gij erkent, dat de Allerhoogste de macht heeft over het rijk van de mensen, en dat Hij het geven kan wien Hij wil.
25Ταῦτα πάντα ἔφθασεν ἐπὶ Ναβουχοδονόσορ τὸν βασιλέα.
26Maar dat men bevel gaf, de wortels van de boom te laten staan, betekent: gij krijgt uw koningschap terug, zodra gij de macht van de Hemel erkent.
26μετὰ δωδεκάμηνον ἐπὶ τῷ ναῷ τῆς βασιλείας αὐτοῦ ἐν Βαβυλῶνι περιπατῶν
27Moge daarom mijn raad u behagen, o koning! Delg uw zonden door aalmoezen uit, en uw schuld door barmhartigheid jegens de armen. Misschien blijft uw voorspoed dan toch bestendig!
27ἀπεκρίθη ὁ βασιλεὺς καὶ εἶπεν· οὐχ αὕτη ἐστὶ Βαβυλὼν ἡ μεγάλη, ἣν ἐγὼ ᾠκοδόμησα εἰς οἶκον βασιλείας ἐν τῷ κράτει τῆς ἰσχύος μου εἰς τιμὴν τῆς δόξης μου;
28Dit alles werd aan koning Nabukodonosor vervuld.
28ἔτι τοῦ λόγου ἐν τῷ στόματι τοῦ βασιλέως ὄντος, φωνὴ ἀπ' οὐρανοῦ ἐγένετο· σοὶ λέγουσι, Ναβουχοδονόσορ βασιλεῦ, ἡ βασιλεία παρῆλθεν ἀπὸ σοῦ,
29Want toen de koning twaalf maanden later eens op het koninklijk paleis in Babel wandelde,
29καὶ ἀπὸ τῶν ἀνθρώπων σέ ἐκδιώξουσι, καὶ μετὰ θηρίων ἀγρίων ἡ κατοικία σου καὶ χόρτον ὡς βοῦν ψωμιοῦσί σε, καὶ ἑπτὰ καιροὶ ἀλλαγήσονται ἐπὶ σέ, ἕως οὗ γνῷς, ὅτι κυριεύει ὁ ¨Υψιστος τῆς βασιλείας τῶν ἀνθρώπων, καὶ ᾧ ἂν δόξῃ, δώσει αὐτήν.
30riep hij uit: Is dit niet het grootse Babel, dat ik door de macht van mijn rijkdom en tot glorie van mijn majesteit tot koninklijk verblijf heb gebouwd!
30αὐτῇ τῇ ὥρᾳ ὁ λόγος συνετελέσθη ἐπὶ Ναβουχοδονόσορ, καὶ ἀπὸ τῶν ἀνθρώπων ἐξεδιώχθη καὶ χόρτον ὡς βοῦς ἤσθιε, καὶ ἀπὸ τῆς δρόσου τοῦ οὐρανοῦ τὸ σῶμα αὐτοῦ ἐβάφη, ἕως οὗ αἱ τρίχες αὐτοῦ ὡς λεόντων ἐμεγαλύνθησαν καὶ οἱ ὄνυχες αὐτοῦ ὡς ὀρνέων.
31Nog was het woord in de mond van den koning, toen er een stem kwam uit de hemel: Koning Nabukodonosor, er wordt u gezegd: het koningschap wordt u ontnomen;
31Καὶ μετὰ τὸ τέλος τῶν ἡμερῶν ἐγὼ Ναβουχοδονόσορ τοὺς ὀφθαλμούς μου εἰς τὸν οὐρανὸν ἀνέλαβον, καὶ αἱ φρένες μου ἐπ' ἐμὲ ἐπεστράφησαν, καὶ τῷ Ὑψίστῳ ηὐλόγησα καὶ τῷ ζῶντι εἰς τὸν αἰῶνα ᾔνεσα καὶ ἐδόξασα, ὅτι ἡ ἐξουσία αὐτοῦ ἐξουσία αἰώνιος καὶ ἡ βασιλεία αὐτοῦ εἰς γενεὰν καὶ γενεάν,
32men stoot u uit de gemeenschap der mensen, uw woonplaats zal wezen bij de dieren op het veld, en als runderen zal men u gras laten eten; zeven tijden zullen over u heengaan, totdat gij erkent, dat de Allerhoogste de macht heeft over het rijk van de mensen, en dat Hij het geven kan wien Hij wil.
32καὶ πάντες οἱ κατοικοῦντες τὴν γῆν ὡς οὐδὲν ἐλογίσθησαν, καὶ κατὰ τὸ θέλημα αὐτοῦ ποιεῖ ἐν τῇ δυνάμει τοῦ οὐρανοῦ καὶ ἐν τῇ κατοικίᾳ τῆς γῆς, καὶ οὐκ ἔστιν ὃς ἀντιποιήσεται τῇ χειρὶ αὐτοῦ καὶ ἐρεῖ αὐτῷ· τί ἐποίησας;
33En terstond ging dit woord aan Nabukodonosor in vervulling. Hij werd uit de gemeenschap der mensen gestoten, at gras als het rund, en door de dauw uit de hemel werd zijn lichaam bevochtigd, totdat zijn haren lang als van leeuwen waren geworden, en zijn nagels als van gieren.
33αὐτῷ τῷ καιρῷ αἱ φρένες μου ἐπεστράφησαν ἐπ' ἐμέ, καὶ εἰς τὴν τιμὴν τῆς βασιλείας μου ἦλθον, καὶ ἡ μορφή μου ἐπέστρεψεν ἐπ' ἐμέ, καὶ οἱ τύραννοί μου καὶ οἱ μεγιστᾶνές μου ἐζήτουν με, καὶ ἐπὶ τὴν βασιλείαν μου ἐκραταιώθην, καὶ μεγαλωσύνη περισσοτέρα προσετέθη μοι.
34Maar toen de tijd was verlopen, sloeg ik, Nabukodonosor, mijn ogen ten hemel, en mijn verstand keerde terug. En ik zegende den Allerhoogste, loofde en prees Hem, die eeuwig leeft: Zijn macht is een eeuwige macht; Zijn koningschap duurt van geslacht tot geslacht!
34νῦν οὖν ἐγὼ Ναβουχοδονόσορ αἰνῶ καὶ ὑπερυψῶ καὶ δοξάζω τὸν βασιλέα τοῦ οὐρανοῦ, ὅτι πάντα τὰ ἔργα αὐτοῦ ἀληθινὰ καὶ αἱ τρίβοι αὐτοῦ κρίσεις, καὶ πάντας τοὺς πορευομένους ἐν ὑπερηφανίᾳ δύναται ταπεινῶσαι.
35Al die de aarde bewonen, betekenen niets; Hij doet wat Hij wil met het heir des hemels. Er is niemand, die zijn hand kan weerhouden, Of tot Hem zeggen: wat doet Gij?
no verse 35 in this text
36Nu is het verstand in mij terug, Met de glorie van mijn koningschap. Mijn luister en glans keren weer, En mijn ministers en hovelingen zoeken mij op. In mijn koningschap ben ik hersteld, Nog groter macht is mij geschonken!
no verse 36 in this text
37Nu loof ik, Nabukodonosor, Nu verhef en prijs ik den Koning des hemels: Wiens daden allen waarheid zijn, Wiens wegen allen gerecht; Maar die de hoogmoedigen Weet te vernederen!
no verse 37 in this text
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.