Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Septuagint (Greek Old Testament), second edition
1ik zelf heb hem geholpen in het eerste jaar van Darius den Mediër, en hem gesterkt en gesteund. Maar ik wil u toch eerst openbaren wat opgetekend staat in het boek van de waarheid.
1ΚΑΙ ἐγὼ ἐν ἔτει πρώτῳ Κύρου ἔστην εἰς κράτος καὶ ἰσχύν.
2Ik ga u dus de waarheid verkondigen: Zie, er zullen nog drie koningen van Perzië opstaan. En de vierde zal alle andere in rijkdom overtreffen; en als hij zich sterk voelt door zijn rijkdom, zal hij alles in beweging brengen tegen het rijk van de Grieken.
2καὶ νῦν ἀλήθειαν ἀναγγελῶ σοι· ἰδοὺ ἔτι τρεῖς βασιλεῖς ἀναστήσονται ἐν τῇ Περσίδι, καὶ ὁ τέταρτος πλουτήσει πλοῦτον μέγαν παρὰ πάντας· καὶ μετὰ τὸ κρατῆσαι αὐτὸν τοῦ πλούτου αὐτοῦ ἐπαναστήσεται πάσαις βασιλείαις Ἑλλήνων.
3Maar er zal een heldenkoning opstaan, die over een ontzaglijk rijk zal heersen, en die zal doen wat hij wil.
3καὶ ἀναστήσεται βασιλεὺς δυνατὸς καὶ κυριεύσει κυριείας πολλῆς καὶ ποιήσει κατὰ τό θέλημα αὐτοῦ.
4Doch nauwelijks is hij opgestaan, of zijn rijk wordt in stukken gebroken en naar de vier hemelwinden verdeeld. Het zal niet aan zijn nazaat behoren, noch de macht bezitten, waarmee hij heeft geheerst; want zijn rijk wordt aan flarden gescheurd, en valt aan heel anderen ten deel.
4καὶ ὡς ἂν στῇ, ἡ βασιλεία αὐτοῦ συντριβήσεται, καὶ διαιρεθήσεται εἰς τοὺς τέσσαρας ἀνέμους τοῦ οὐρανοῦ καὶ οὐκ εἰς τὰ ἔσχατα αὐτοῦ, οὐδὲ κατὰ τὴν κυριείαν αὐτοῦ, ἣν ἐκυρίευσεν· ὅτι ἐκτιλήσεται ἡ βασιλεία αὐτοῦ καὶ ἑτέροις ἐκτὸς τούτων.
5Dan zal de koning van het zuiden machtig worden. Maar een van zijn veldheren zal nog sterker worden dan hij; hij zal heersen, en zijn macht zal geweldig zijn.
5καὶ ἐνισχύσει ὁ βασιλεὺς τοῦ νότου· καὶ εἷς τῶν ἀρχόντων αὐτοῦ ἐνισχύσει ἐπ' αὐτὸν καὶ κυριεύσει κυριείαν πολλὴν ἐπ' ἐξουσίας αὐτοῦ.
6Na verloop van vele jaren zullen zij een verbond met elkander sluiten, en de dochter van den koning van het zuiden zal naar den koning van het noorden gaan, om de vrede te verzekeren. Doch die hulp zal niet baten en standhouden; want zij zal worden prijsgegeven met hen die haar brachten, en met haar zoon en gemaal.
6καὶ μετὰ τὰ ἔτη αὐτοῦ συμμειγήσονται, καὶ θυγάτηρ βασιλέως τοῦ νότου εἰσελεύσεται πρὸς βασιλέα τοῦ βορρᾶ τοῦ ποιῆσαι συνθήκας μετ' αὐτοῦ· καὶ οὐ κρατήσει ἰσχύος βραχίονος, καὶ οὐ στήσεται τὸ σπέρμα αὐτοῦ, καὶ παραδοθήσεται αὐτὴ καὶ οἱ φέροντες αὐτὴν καὶ ἡ νεᾶνις καὶ ὁ κατισχύων αὐτὴν ἐν τοῖς καιροῖς.
7Maar na enige tijd zal een spruit uit haar wortels zijn plaats innemen. Hij zal oprukken tegen het leger van den koning van het noorden, zijn vesting binnentrekken, verwarring onder hen stichten, en hun zijn macht doen voelen.
7καὶ στήσεται ἐκ τοῦ ἄνθους τῆς ρίζης αὐτῆς τῆς ἑτοιμασίας αὐτοῦ καὶ ἥξει πρὸς τὴν δύναμιν καὶ εἰσελεύσεται εἰς τὰ ὑποστηρίγματα τοῦ βασιλέως τοῦ βορρᾶ καὶ ποιήσει ἐν αὐτοῖς καὶ κατισχύσει.
8Zelfs hun goden en beelden, met hun kostbare vaten van zilver en goud zal hij als buit naar Egypte voeren, en jarenlang zal hij den koning van het noorden de baas zijn.
8καί γε τοὺς θεοὺς αὐτῶν μετὰ τῶν χωνευτῶν αὐτῶν, πᾶν σκεῦος ἐπιθυμητὸν αὐτῶν ἀργυρίου καὶ χρυσίου, μετὰ αἰχμαλωσίας οἴσει εἰς Αἴγυπτον· καὶ αὐτὸς στήσεται ὑπὲρ βασιλέα τοῦ βορρᾶ.
9Dan zal deze wel het rijk van den koning van het zuiden binnenvallen, maar naar zijn land moeten terugkeren.
9καὶ εἰσελεύσεται εἰς τὴν βασιλείαν τοῦ βασιλέως τοῦ νότου, καὶ ἀναστρέψει εἰς τὴν γῆν αὐτοῦ.
10Maar zijn zoon zal zich ten strijde rusten, en geweldige legers bijeenbrengen, tegen hem oprukken, hem overstromen en overstelpen, en bij een tweede gelegenheid doordringen zelfs tot zijn vesting.
10καὶ οἱ υἱοὶ αὐτοῦ συνάξουσιν ὄχλον δυνάμεων πολλῶν, καὶ ἐλεύσεται ἐρχόμενος καὶ κατακλύζων· καὶ παρελεύσεται καὶ καθίεται καὶ συμπροσπλακήσεται ἕως τῆς ἰσχύος αὐτοῦ.
11Hierover verbitterd zal de koning van het zuiden uitrukken, en slag leveren met den koning van het noorden. Deze zal een talrijk leger op de been brengen, maar dat leger zal aan den ander worden overgeleverd.
11καὶ ἀγριανθήσεται βασιλεὺς τοῦ νότου καὶ ἐξελεύσεται καὶ πολεμήσει μετὰ τοῦ βασιλέως τοῦ βορρᾶ· καὶ στήσει ὄχλον πολύν, καὶ παραδοθήσεται ὁ ὄχλος ἐν χειρὶ αὐτοῦ·
12Maar als dan die andere dat leger heeft verslagen, zal hij overmoedig worden; en al zal hij tienduizenden hebben geveld, sterk blijft hij niet.
12καὶ λήψεται τὸν ὄχλον, καὶ ὑψωθήσεται ἡ καρδία αὐτοῦ, καὶ καταβαλεῖ μυριάδας καὶ οὐ κατισχύσει.
13Dan zal de koning van het noorden opnieuw een leger uitrusten, nog ontzaglijker dan het eerste, en na verloop van enige jaren tegen den ander optrekken met grote macht en geweldige tros.
13καί ἐπιστρέψει ὁ βασιλεὺς τοῦ βορρᾶ καὶ ἄξει ὄχλον πολὺν ὑπὲρ τὸν πρότερον καὶ εἰς τὸ τέλος τῶν καιρῶν ἐνιαυτῶν ἐπελεύσεται εἰσόδια ἐν δυνάμει μεγάλῃ καὶ ἐν ὑπάρξει πολλῇ.
14In die tijd zullen velen in opstand komen tegen den koning van het zuiden, en onder uw eigen volk zullen verraders het hoofd opsteken, om een visioen te vervullen; maar ze komen ten val.
14καὶ ἐν τοῖς καιροῖς ἐκείνοις πολλοὶ ἐπαναστήσονται ἐπὶ βασιλέα τοῦ νότου· καὶ οἱ υἱοὶ τῶν λοιμῶν τοῦ λαοῦ σου ἐπαρθήσονται τοῦ στῆσαι ὅρασιν καὶ ἀσθενήσουσι.
15En als de koning van het noorden is uitgerukt, zal hij een wal opwerpen en een vesting bemachtigen; de strijdmachten van het zuiden zullen geen stand kunnen houden, en zelfs zijn keurtroepen zullen geen weerstand bieden.
15καὶ εἰσελεύσεται βασιλεὺς τοῦ βορρᾶ καὶ ἐκχεεῖ πρόσχωμα καὶ συλλήψεται πόλεις ὀχυράς, καὶ οἱ βραχίονες τοῦ βασιλέως τοῦ νότου οὐ στήσονται, καὶ ἀναστήσονται οἱ ἐκλεκτοὶ αὐτοῦ, καὶ οὐκ ἔσται ἰσχὺς τοῦ στῆναι.
16Dan zal de aanvaller doen wat hij wil, en niemand zal hem weerstaan. Zo zal hij vaste voet krijgen in het Heerlijke Land, en het geheel in zijn macht hebben.
16καὶ ποιήσει ὁ εἰσπορευόμενος πρὸς αὐτὸν κατὰ τὸ θέλημα αὐτοῦ, καὶ οὐκ ἔστιν ἑστὼς κατὰ πρόσωπον αὐτοῦ· καὶ στήσεται ἐν τῇ γῇ τοῦ Σαβεί, καὶ συντελεσθήσεται ἐν τῇ χειρὶ αὐτοῦ.
17Daarna zal hij beproeven, het hele rijk van den ander onder zijn heerschappij te krijgen; hij zal een vergelijk met hem treffen, en hem een meisje tot vrouw geven, om hem in het verderf te storten. En wanneer dit geen stand houdt, en het hem niet gelukt,
17καὶ τάξει τὸ πρόσωπον αὐτοῦ εἰσελθεῖν ἐν ἰσχύϊ πάσης τῆς βασιλείας αὐτοῦ καὶ εὐθεῖα πάντα μετ' αὐτοῦ ποιήσει· καὶ θυγατέρα τῶν γυναικῶν δώσει αὐτῷ τοῦ διαφθεῖραι αὐτήν, καὶ οὐ μὴ παραμείνῃ καὶ οὐκ αὐτῷ ἔσται.
18zal hij zich tegen de kustlanden keren, en er velen veroveren. Maar een veldheer zal aan een geleden smaad een einde maken, en hem zijn belediging betaald zetten.
18καὶ ἐπιστρέψει τὸ πρόσωπον αὐτοῦ εἰς τὰς νήσους καὶ συλλήψεται πολλὰς καὶ καταπαύσει ἄρχοντας ὀνειδισμοῦ αὐτῶν, πλὴν ὀνειδισμὸς αὐτοῦ ἐπιστρέψει αὐτῷ.
19Dan zal hij zich tegen de vestingen van zijn eigen land moeten wenden, maar struikelen, vallen en spoorloos verdwijnen.
19καὶ ἐπιστρέψει τὸ πρόσωπον αὐτοῦ εἰς τὴν ἰσχὺν τῆς γῆς αὐτοῦ καί ἀσθενήσει καὶ πεσεῖται καὶ οὐχ εὑρεθήσεται.
20In zijn plaats zal er een opstaan, die door het Heerlijke Land een afperser zal laten rondgaan; maar na enkele dagen zal hij worden gebroken, en nog niet eens door gramschap of strijd.
20καὶ ἀναστήσεται ἐκ τῆς ρίζης αὐτοῦ φυτὸν τῆς βασιλείας ἐπὶ τὴν ἑτοιμασίαν αὐτοῦ παραβιβάζων, πράσσων δόξαν βασιλείας καὶ ἐν ταῖς ἡμέραις ἐκείναις συντριβήσεται καὶ οὐκ ἐν ποσώποις οὐδὲ ἐν πολέμῳ.
21Maar in zijn plaats treedt een uitvaagsel op, voor wien de koninklijke waardigheid niet was bestemd, maar die onverhoeds komt, en door huichelarij zich van het koningschap meester zal maken.
21στήσεται ἐπὶ τὴν ἑτοιμασίαν αὐτοῦ· ἐξουδενώθη, καὶ οὐκ ἔδωκαν ἐπ' αὐτὸν δόξαν βασιλείας· καὶ ἥξει ἐν εὐθηνίᾳ καὶ κατισχύσει βασιλείας ἐν ὀλισθήμασι.
22Hele legers zullen voor hem worden weggespoeld en vernield. Zelfs een vorst, waarmee hij een verbond heeft gesloten,
22καὶ βραχίονες τοῦ κατακλύζοντος κατακλυσθήσονται ἀπὸ προσώπου αὐτοῦ καὶ συντριβήσονται, καὶ ἡγούμενος διαθήκης
23zal hij bedriegen, zo gauw hij zich met hem heeft verbonden; zo klimt hij omhoog, en wordt machtig, met een klein beetje volk.
23καὶ ἀπὸ τῶν συναναμείξεων πρὸς αὐτὸν ποιήσει δόλον καὶ ἀναβήσεται καὶ ὑπερισχύσει αὐτοῦ ἐν ὀλίγῳ ἔθνει.
24Verraderlijk valt hij de vruchtbaarste landstreken binnen, en zal er mee doen wat zijn vaderen en voorvaderen niet hebben gedaan, en roof, buit en hun rijkdom verkwisten; zelfs tegen vestingen zal hij aanslagen smeden, maar slechts voor een tijd.
24καὶ ἐν εὐθηνίᾳ καὶ ἐν πίοσι χώραις ἥξει καὶ ποιήσει ἃ οὐκ ἐποίησαν οἱ πατέρες αὐτοῦ καὶ πατέρες τῶν πατέρων αὐτοῦ· προνομὴν καὶ σκῦλα καὶ ὕπαρξιν αὐτοῖς διασκορπιεῖ καὶ ἐπ' Αἴγυπτον λογιεῖται λογισμοὺς αὐτοῦ καὶ ἕως καιροῦ.
25Dan zal hij met een machtig leger tegen den koning van het zuiden al zijn kracht en moed verzamelen. Maar ook de koning van het zuiden zal zich ten strijde rusten met een grote en geweldige krijgsmacht; doch hij zal geen stand kunnen houden. Want men zal hem verraden,
25καὶ ἐξεγερθήσεται ἡ ἰσχὺς αὐτοῦ καὶ ἡ καρδία αὐτοῦ ἐπὶ βασιλέα τοῦ νότου ἐν δυνάμει μεγάλῃ, καὶ ὁ βασιλεὺς τοῦ νότου συνάψει πόλεμον ἐν δυνάμει μεγάλῃ καὶ ἰσχυρᾷ σφόδρα· καὶ οὐ στήσονται, ὅτι λογιοῦνται ἐπ' αὐτὸν λογισμούς·
26en zijn eigen disgenoten zullen hem breken; zijn leger zal worden weggespoeld, en veel doden zullen er vallen.
26καὶ φάγονται τὰ δέοντα αὐτοῦ καὶ συντρίψουσιν αὐτόν, καὶ δυνάμεις κατακλύσει, καὶ πεσοῦνται τραυματίαι πολλοί.
27Dan zullen die koningen kwaad in hun schild voeren, en leugens verzinnen, aan één tafel gezeten. Maar het zal niet gelukken; want het einde blijft nog een tijdlang uit.
27καὶ ἀμφότεροι οἱ βασιλεῖς, αἱ καρδίαι αὐτῶν εἰς πονηρίαν, καὶ ἐπὶ τραπέζῃ μιᾷ ψευδῆ λαλήσουσι, καὶ οὐ κατευθυνεῖ, ὅτι ἔτι πέρασις καιρῶν.
28Daarna zal hij, vergezeld van een geweldige tros, naar zijn land terugkeren, met boze plannen tegen het heilig Verbond; hij zal ze eerst ten uitvoer brengen, dan gaat hij terug naar zijn land.
28καὶ ἐπιστρέψει εἰς τὴν γῆν αὐτοῦ ἐν ὑπάρξει πολλῇ, καὶ ἡ καρδία αὐτοῦ ἐπὶ διαθήκην ἁγίαν, καὶ ποιήσει καὶ ἐπιστρέψει εἰς τὴν γῆν αὐτοῦ.
29Te bestemder tijd valt hij opnieuw in het zuiden; maar het zal de tweede keer niet gaan, als de eerste.
29εἰς τὸν καιρὸν ἐπιστρέψει καὶ ἥξει ἐν τῷ νότῳ, καὶ οὐκ ἔσται ὡς ἡ πρώτη καὶ ὡς ἡ ἐσχάτη.
30Want schepen van Cyprus zullen tegen hem uitvaren, zodat hij vernederd terugkeren moet. Daarom zal hij in zijn woede zich vergrijpen aan het heilig Verbond; en na zijn terugkeer omzien naar verraders van het heilig Verbond.
30καὶ εἰσελεύσονται ἐν αὐτῷ οἱ ἐκπορευόμενοι Κίτιοι, καὶ ταπεινωθήσεται· καὶ ἐπιστρέψει καὶ θυμωθήσεται ἐπὶ διαθήκην ἁγίαν· καὶ ποιήσει καὶ ἐπιστρέψει καὶ συνήσει ἐπὶ τοὺς καταλιπόντας διαθήκην ἁγίαν.
31En hij zal bezettingen leggen, die het heiligdom en de burcht zullen ontwijden; hij zal het dagelijks offer doen staken en de ontzettende gruwel oprichten.
31καὶ σπέρματα ἐξ αὐτοῦ ἀναστήσονται καὶ βεβηλώσουσι τὸ ἁγίασμα τῆς δυναστείας καὶ μεταστήσουσι τὸν ἐνδελεχισμὸν καὶ δώσουσι βδέλυγμα ἠφανισμένων.
32Die het Verbond al overtraden, zal hij door vleierij tot afval verleiden; maar het volk, dat zijn God blijft erkennen, zal zich moedig verzetten.
32καὶ οἱ ἀνομοῦντες διαθήκην ἐπάξουσιν ἐν ὀλισθήμασι, καὶ λαὸς γινώσκοντες Θεὸν αὐτοῦ κατισχύσουσι καὶ ποιήσουσι.
33En de vromen onder het volk zullen velen tot bezinning brengen, maar vallen door zwaard en vuur, door kerker en roof, een hele tijd lang.
33καὶ οἱ συνετοὶ τοῦ λαοῦ συνήσουσιν εἰς πολλά· καὶ ἀσθενήσουσιν ἐν ρομφαίᾳ καὶ ἐν φλογὶ καὶ ἐν αἰχμαλωσίᾳ καὶ ἐν διαρπαγῇ ἡμερῶν.
34Maar door hun val zullen ze een kleine hulp doen ontstaan, doch daarbij sluiten zich ook veel huichelaars aan.
34καὶ ἐν τῷ ἀσθενῆσαι αὐτοὺς βοηθηθήσονται βοήθειαν μικράν, καὶ προστεθήσονται πρὸς αὐτοὺς πολλοὶ ἐν ὀλισθήμασι.
35En van de vromen zullen er nog velen vallen, om ze te louteren, te reinigen, te zuiveren, totdat de tijd van het einde zal komen; want dit blijft nog een tijdlang uit.
35καὶ ἀπὸ τῶν συνιέντων ἀσθενήσουσι τοῦ πυρῶσαι αὐτοὺς καὶ τοῦ ἐκλέξασθαι καὶ τοῦ ἀποκαλυφθῆναι ἕως καιροῦ πέρας, ὅτι ἔτι εἰς καιρόν.
36Maar de koning zal doen wat hij wil. Hij zal zich opblazen van trots, en zich boven al wat god is verheffen; zelfs tegen den God der goden zal hij ongelooflijke dingen durven zeggen. Toch zal hij voorspoed genieten, totdat de gramschap haar einde bereikt; want wat besloten is, moet geschieden.
36καὶ ποιήσει κατὰ τὸ θέλημα αὐτοῦ καὶ ὁ βασιλεὺς ὑψωθήσεται καὶ μεγαλυνθήσεται ἐπὶ πάντα θεὸν καὶ λαλήσει ὑπέρογκα καὶ κατευθυνεῖ, μέχρις οὗ συντελεσθῇ ἡ ὀργή, εἰς γὰρ συντέλειαν γίνεται.
37Noch de goden zijner vaderen, noch den lievelingsgod van de vrouwen zal hij ontzien; neen, niemand der goden zal hij achten, maar zich boven allen verheffen.
37καὶ ἐπὶ πάντας θεοὺς τῶν πατέρων αὐτοῦ οὐ συνήσει καὶ ἐπὶ ἐπιθυμίαν γυναικῶν καὶ ἐπὶ πᾶν θεὸν οὐ συνήσει, ὅτι ἐπὶ πάντας μεγαλυνθήσεται·
38Maar in hun plaats zal hij den burchtgod vereren; den god, dien zijn vaders niet hebben gekend, zal hij eren met goud en zilver, met diamanten en juwelen.
38καὶ θεὸν μαωζεὶν ἐπὶ τόπου αὐτοῦ δοξάσει καὶ θεόν, ὃν οὐκ ἔγνωσαν οἱ πατέρες αὐτοῦ, δοξάσει ἐν χρυσῷ καὶ ἀργύρῳ καὶ λίθῳ τιμίῳ καὶ ἐν ἐπιθυμήμασι.
39De burchten zal hij bezetten met het volk van den vreemden god; wie dezen erkennen, zal hij met eer overladen, over velen doen heersen, en hun tot beloning land toewijzen.
39καὶ ποιήσει τοῖς ὀχυρώμασι τῶν καταφυγῶν μετὰ θεοῦ ἀλλοτρίου καὶ πληθυνεῖ δόξαν καὶ ὑποτάξει αὐτοῖς πολλοὺς καὶ γῆν διελεῖ ἐν δώροις.
40Maar in de tijd van het einde zal de koning van het zuiden de strijd tegen hem ontketenen. De koning van het noorden zal op hem aanstormen met wagens en ruiters en talloze schepen. Dan zal hij landen binnenvallen, overstromen en overstelpen.
40καὶ ἐν καιροῦ πέρατι συγκερατισθήσεται μετὰ τοῦ βασιλέως τοῦ νότου, καὶ συναχθήσεται ἐπ' αὐτὸν βασιλεὺς τοῦ βορρᾶ ἐν ἅρμασι καὶ ἐν ἱππεῦσι καὶ ἐν ναυσὶ πολλαῖς καὶ εἰσελεύσονται εἰς τὴν γῆν καὶ συντρίψει καὶ παρελεύσεται.
41Dan dringt hij binnen in het Heerlijke Land, en tienduizenden zullen er vallen; Edom alleen, met Moab en de rest van de zonen van Ammon zullen aan zijn greep ontkomen.
41καὶ εἰσελεύσεται εἰς τὴν γῆν τοῦ σαβεί, καὶ πολλοὶ ἀσθενήσουσι· καὶ οὗτοι διασωθήσονται ἐκ χειρὸς αὐτοῦ, Ἐδὼμ καὶ Μωάβ, καὶ ἀρχὴ υἱῶν Ἀμμών.
42Dan zal hij naar de landen zijn hand blijven uitstrekken, en ook het land van Egypte zal niet veilig meer zijn.
42καὶ ἐκτενεῖ τὴν χεῖρα αὐτοῦ ἐπὶ τὴν γῆν, καὶ γῆ Αἰγύπτου οὐκ ἔσται εἰς σωτηρίαν.
43Dan maakt hij zich meester van de gouden en zilveren schatten en alle kostbaarheden van Egypte, en trekken Lybiërs en Koesjieten mee in zijn stoet.
43καὶ κυριεύσει ἐν τοῖς ἀποκρύφοις τοῦ χρυσοῦ καὶ τοῦ ἀργύρου καὶ ἐν πᾶσιν ἐπιθυμητοῖς Αἰγύπτου καὶ Λιβύων καὶ Αἰθιόπων ἐν τοῖς ὀχυρώμασιν αὐτῶν.
44Maar dan zullen geruchten uit oosten en noorden hem verontrusten. Dan trekt hij in grimmige woede er nogmaals opuit, om velen te verdelgen en te vernielen;
44καὶ ἀκοαὶ καὶ σπουδαὶ ταράξουσιν αὐτὸν ἐξ ἀνατολῶν καὶ ἀπὸ βορρᾶ, καὶ ἥξει ἐν θυμῷ πολλῷ τοῦ ἀφανίσαι καὶ τοῦ ἀναθεματίσαι πολλοὺς
45en zijn vorstelijke tent zal hij spannen tussen de zee en de heilige Heerlijke Berg. Maar dan komt zijn einde, en er is niemand, die hem kan helpen.
45καὶ πήξει τὴν σκηνὴν αὐτοῦ ἐφαδανῶ ἀναμέσον τῶν θαλασσῶν, εἰς ὄρος σαβεὶ ἅγιον· καὶ ἥξει ἕως μέρους αὐτοῦ, καὶ οὐκ ἔστιν ὁ ρυόμενος αὐτόν.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.