Daniel 2
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Bíblia Portuguesa Mundial (Brazilian Portuguese)
1In het twaalfde jaar zijner regering had Nabukodonosor een droom, waardoor zijn geest werd ontsteld, zodat hij niet meer kon slapen.
1No segundo ano do reinado de Nabucodonosor, Nabucodonosor teve sonhos. Seu espírito ficou perturbado, e ele perdeu o sono.
2Daarom gaf de koning bevel, de zieners, waarzeggers, tovenaars en magiërs te ontbieden, om den koning zijn droom te verklaren. Toen ze voor den koning waren verschenen,
2Então o rei mandou chamar os magos, os encantadores, os feiticeiros e os caldeus para que lhe dissessem seus sonhos. Eles vieram e se apresentaram diante do rei.
3zeide hij hun: Ik heb een droom gehad; en mijn geest is er zo van ontsteld, dat ik de droom wil begrijpen.
3O rei lhes disse: “Tive um sonho, e meu espírito está perturbado porque quero saber o sonho.”
4De magiërs gaven den koning ten antwoord: De koning leve voor eeuwig! Verhaal de droom aan uw dienaars, dan zullen wij er de uitleg van geven.
4Então os caldeus falaram ao rei em aramaico: “Ó rei, viva para sempre! Conte o sonho a seus servos, e mostraremos a interpretação.”
5Maar de koning sprak tot de magiërs: Mijn besluit is genomen! Wanneer gij me niet zowel de droom als de uitleg kunt zeggen, zult ge in stukken worden gehouwen, en zullen uw huizen in puin worden gelegd;
5O rei respondeu aos caldeus: “Minha decisão é firme. Se vocês não me fizerem saber o sonho e sua interpretação, serão despedaçados, e suas casas serão transformadas em montões de ruínas.
6doch wanneer ge mij de droom en zijn uitleg kunt geven, dan zult ge rijke geschenken van mij krijgen, en met eer worden overladen. Vertel me derhalve de droom en zijn uitleg.
6Mas, se mostrarem o sonho e sua interpretação, receberão de mim presentes, recompensas e grande honra. Portanto, mostrem-me o sonho e sua interpretação.”
7Maar ze zeiden opnieuw: De koning moge eerst de droom aan zijn dienaars vertellen, dan zullen wij er de uitleg van geven.
7Eles responderam pela segunda vez: “Conte o rei o sonho a seus servos, e mostraremos a interpretação.”
8Toen sprak de koning: Ik weet heel goed, dat ge maar tijd zoekt te winnen, omdat ge ziet, dat mijn besluit is genomen,
8O rei respondeu: “Sei com certeza que vocês estão tentando ganhar tempo, porque percebem que minha decisão é firme.
9u allen met hetzelfde vonnis te treffen, wanneer ge mij de droom niet kunt zeggen. Ge hebt afgesproken, mij te beliegen en te bedriegen, totdat ik misschien van inzicht verander. Derhalve, vertelt mij de droom; dan weet ik meteen, dat ge mij ook zeggen kunt, wat hij beduidt.
9Se não me fizerem saber o sonho, há uma só sentença para vocês, pois prepararam palavras mentirosas e perversas para dizer diante de mim até que a situação mude. Portanto, contem-me o sonho, e saberei que podem mostrar sua interpretação.”
10De magiërs gaven den koning ten antwoord: Er is niemand ter wereld, die kan vertellen wat de koning verlangt; daarom heeft nog nooit een koning, hoe groot en machtig hij ook was, zo iets van zijn zieners, waarzeggers of magiërs geëist.
10Os caldeus responderam diante do rei: “Não existe homem sobre a terra capaz de revelar o que o rei exige, pois nenhum rei, senhor ou governante jamais exigiu coisa semelhante de qualquer mago, encantador ou caldeu.
11Wat de koning verlangt, is veel te moeilijk, en er is niemand, die het den koning kan zeggen dan de goden alleen; maar die hebben geen omgang met mensen.
11O que o rei exige é extraordinariamente difícil, e não há ninguém que possa revelar isso diante do rei, exceto os deuses, cuja morada não é com os mortais.”
12Nu werd de koning zo woedend en boos, dat hij bevel gaf, alle wijzen van Babel te doden.
12Por causa disso, o rei ficou irado e muito furioso e ordenou que todos os sábios da Babilônia fossem mortos.
13Toen het bevel was uitgevaardigd, de wijzen te doden, werden ook Daniël en zijn vrienden gezocht, om te worden vermoord.
13O decreto foi publicado, e os sábios estavam para ser mortos. Procuraram também Daniel e seus companheiros para matá-los.
14Maar Daniël verzette zich met veel beleid en verstand tegen Arjok, het hoofd van de koninklijke lijfwacht, die er op uit was getrokken, om de wijzen van Babel te doden.
14Então Daniel respondeu com conselho e prudência a Arioque, capitão da guarda do rei, que havia saído para matar os sábios da Babilônia.
15En hij zeide tot Arjok, den bevelhebber des konings: Waarom heeft de koning toch zo’n hard bevel gegeven? Arjok vertelde Daniël, wat er gebeurd was,
15Ele perguntou a Arioque, capitão do rei: “Por que o decreto do rei é tão severo?” Então Arioque explicou o assunto a Daniel.
16Nu liet Daniël den koning verzoeken, hem enige tijd te laten, om den koning de uitleg te geven.
16Daniel entrou e pediu ao rei que lhe concedesse algum tempo, e ele mostraria ao rei a interpretação.
17Daarop ging Daniël naar huis, en deelde Chananja, Misjaël en Azarja, zijn vrienden, mede, wat er gebeurd was.
17Então Daniel foi para casa e contou o assunto a Hananias, Misael e Azarias, seus companheiros,
18Ze moesten God in de hemel om ontferming smeken met betrekking tot dit geheim, opdat men Daniël en zijn vrienden niet zou vermoorden met de overige wijzen van Babel.
18para que pedissem misericórdia ao Deus do céu a respeito desse mistério, a fim de que Daniel e seus companheiros não fossem mortos com os demais sábios da Babilônia.
19Toen werd in een nachtelijk visioen aan Daniël het geheim geopenbaard. En Daniël loofde God in de hemel,
19Então o mistério foi revelado a Daniel numa visão durante a noite. E Daniel bendisse o Deus do céu.
20en sprak: De Naam van God moet worden geprezen In de eeuwen der eeuwen; Want Hem is de wijsheid en kracht!
20Daniel respondeu: “Bendito seja o nome de Deus para todo o sempre, pois dele são a sabedoria e o poder.
21Hij is het, die tijden en stonden verandert, Die koningen afzet en koningen aanstelt; Die wijsheid verleent aan de wijzen, En inzicht aan de verstandigen.
21Ele muda os tempos e as estações. Remove reis e estabelece reis. Dá sabedoria aos sábios e conhecimento aos que têm entendimento.
22Hij is het, die openbaart wat diep en geheim is, Die weet wat in ‘t duister geschiedt: Bij hem woont het licht!
22Ele revela as coisas profundas e ocultas. Sabe o que está nas trevas, e a luz habita com ele.
23U, den God mijner vaderen, loof ik en prijs ik, Want Gij hebt mij wijsheid geschonken en kracht; Gij hebt mij aanstonds doen weten, waarom wij U smeekten, Ons geopenbaard, waar de koning naar vroeg!
23Eu te agradeço e te louvo, ó Deus de meus antepassados, porque me deste sabedoria e poder e agora me fizeste saber o que te pedimos, pois nos revelaste o assunto do rei.”
24Daarop ging Daniël naar Arjok toe, wien de koning had opgedragen, de wijzen van Babel te doden. En hij zeide tot hem: Ge moet de wijzen van Babel niet doden; breng mij voor den koning, dan zal ik den koning de uitleg geven.
24Então Daniel foi até Arioque, a quem o rei havia encarregado de destruir os sábios da Babilônia, e lhe disse: “Não destrua os sábios da Babilônia. Leve-me à presença do rei, e mostrarei ao rei a interpretação.”
25Toen bracht Arjok zo gauw mogelijk Daniël voor den koning, en sprak tot hem: Ik heb onder de ballingen van Juda iemand gevonden, die den koning uitleg kan geven.
25Arioque levou Daniel depressa à presença do rei e lhe disse: “Encontrei entre os filhos dos exilados de Judá um homem que fará o rei conhecer a interpretação.”
26Nu richtte de koning het woord tot Daniël, die Beltsjassar werd genoemd: Zijt gij in staat mij te zeggen, wat voor droom ik gehad heb, en wat hij betekent?
26O rei perguntou a Daniel, cujo nome era Beltesazar: “Você é capaz de me fazer saber o sonho que tive e sua interpretação?”
27Maar Daniël gaf den koning ten antwoord: Het geheim, waar de koning naar vraagt, kunnen geen wijzen, geen waarzeggers, zieners of sterrenwichelaars den koning doen kennen.
27Daniel respondeu diante do rei: “O mistério que o rei exige não pode ser revelado ao rei por sábios, encantadores, magos ou adivinhos;
28Maar er is een God in de hemel, die geheimen openbaart, en Hij heeft aan koning Nabukodonosor bekend willen maken, wat in de toekomst zal geschieden. Uw droom en uw visioenen, die gij op uw legerstede hadt, ontstonden,
28mas há um Deus no céu que revela mistérios, e ele fez saber ao rei Nabucodonosor o que acontecerá nos últimos dias. Seu sonho e as visões que teve em sua cama foram estes:
29toen gij op uw legerstede laagt te denken over hetgeen de toekomst zal brengen. Toen heeft Hij, die de geheimen ontsluiert, U bekend gemaakt, wat er zal geschieden.
29“Quanto a você, ó rei, enquanto estava em sua cama, seus pensamentos se voltaram para o que aconteceria depois; e aquele que revela mistérios lhe fez saber o que acontecerá.
30En mij is dit geheim bekend, niet door een wijsheid, die ik zou vóór hebben boven andere schepselen, maar het is mij geopenbaard, opdat den koning de uitleg daarvan zou worden geschonken, en gij de gedachten van uw hart zoudt verstaan.
30Quanto a mim, este mistério não me foi revelado porque eu tenha mais sabedoria do que qualquer outro ser humano, mas para que a interpretação seja conhecida pelo rei e para que você conheça os pensamentos de seu coração.
31Gij hadt, o koning, het volgend visioen. Zie, voor u stond een beeld! Het was ontzaglijk hoog, had een schitterende glans, maar zijn gedaante was vreselijk.
31“Você, ó rei, viu, e eis uma grande estátua. Essa estátua era enorme e de extraordinário esplendor; estava em pé diante de você, e sua aparência era aterrorizante.
32Het hoofd van dat beeld was van het zuiverste goud; zijn borst en armen waren van zilver, zijn buik en lenden van koper,
32A cabeça da estátua era de ouro fino; o peito e os braços, de prata; o ventre e as coxas, de bronze;
33zijn schenkels van ijzer, zijn voeten een mengsel van ijzer en leem.
33as pernas, de ferro; e os pés, em parte de ferro e em parte de barro.
34Terwijl gij er naar bleeft kijken, raakte er, zonder dat er een hand naar werd uitgestoken, een steen van de berg los; hij trof het beeld tegen de voeten van ijzer en leem, en verbrijzelde ze.
34Você observava até que uma pedra foi cortada sem auxílio de mãos; ela atingiu a estátua nos pés de ferro e barro e os despedaçou.
35Daardoor vielen ijzer, leem, koper, zilver en goud op een hoop in puinen. Ze werden als kaf op een dorsvloer in de zomer; de wind joeg ze weg, zodat er geen spoor van overbleef. Maar de steen, die het beeld had getroffen, werd een geweldige berg, die de hele aarde besloeg.
35Então o ferro, o barro, o bronze, a prata e o ouro foram todos despedaçados e se tornaram como a palha das eiras no verão. O vento os levou, e não se encontrou mais lugar para eles. A pedra que atingiu a estátua tornou-se uma grande montanha e encheu toda a terra.
36Dat was de droom; nu zullen we den koning zeggen, wat hij betekent.
36“Este é o sonho. Agora diremos sua interpretação diante do rei.
37Gij zelf, o koning, koning der koningen, wien God in de hemel het koningschap, kracht, sterkte en eer heeft geschonken,
37Você, ó rei, é rei de reis. O Deus do céu lhe deu o reino, o poder, a força e a glória.
38en onder wiens macht Hij alle mensen, waar ze ook wonen, met de dieren op ‘t veld en de vogels in de lucht heeft gesteld, en die Hij over die allen deed heersen: gij zelf zijt het hoofd van goud.
38Em todo lugar onde vivem os filhos dos homens, ele entregou em suas mãos os animais do campo e as aves do céu e o fez governar sobre todos eles. Você é a cabeça de ouro.
39Maar na u zal er een ander koninkrijk komen, dat geringer is dan het uwe; daarna weer een derde van koper, dat over de hele aarde zal heersen.
39“Depois de você se levantará outro reino, inferior ao seu; depois, um terceiro reino, de bronze, que governará sobre toda a terra.
40En het vierde rijk zal sterk zijn als ijzer; want zoals ijzer alles verbrijzelt, vernielt en vermorzelt, zo zal het al die anderen verbrijzelen en vermorzelen.
40O quarto reino será forte como o ferro, porque o ferro despedaça e subjuga todas as coisas; e, como o ferro que esmaga tudo, esse reino despedaçará e esmagará.
41Maar dat de voeten en tenen, zoals gij gezien hebt, voor een deel van leem van den pottenbakker waren, en voor een deel van ijzer, betekent: het zal een verdeeld koninkrijk zijn Het zal iets van de stevigheid van ijzer hebben, omdat gij gezien hebt, dat het ijzer was, dat met het kleileem vermengd was.
41Quanto ao fato de você ter visto os pés e os dedos em parte de barro de oleiro e em parte de ferro, será um reino dividido; contudo, haverá nele algo da força do ferro, pois você viu o ferro misturado com barro úmido.
42En dat de tenen der voeten voor een deel uit ijzer waren en voor een deel uit leem, betekent: een deel van het rijk zal sterk zijn, en een ander deel broos.
42Assim como os dedos dos pés eram em parte de ferro e em parte de barro, o reino será em parte forte e em parte frágil.
43En dat het ijzer, zoals gij gezien hebt, met leem vermengd was, betekent: zij zullen zich wel door huwelijk vermengen, maar de delen zullen geen eenheid vormen, evenmin als het ijzer zich met leem verbindt.
43Quanto ao fato de você ter visto o ferro misturado com barro úmido, eles se misturarão por meio da descendência humana, mas não permanecerão unidos uns aos outros, assim como o ferro não se mistura com o barro.
44Maar in de dagen van die koningen zal God in de hemel een koninkrijk stichten, dat in eeuwigheid niet te gronde zal gaan, en wiens heerschappij aan geen ander volk zal worden overgedragen. Het zal al die koninkrijken vermorzelen en vernielen, maar zelf in eeuwigheid blijven bestaan.
44“Nos dias desses reis, o Deus do céu estabelecerá um reino que jamais será destruído, nem sua soberania será deixada para outro povo. Ele despedaçará e consumirá todos esses reinos e permanecerá para sempre.
45Want gij hebt toch gezien, dat er een steen, zonder dat er een hand naar werd uitgestoken, losraakte van de berg, en ijzer, koper, leem, zilver en goud verbrijzelde. De grote God heeft den koning geopenbaard, wat in de toekomst zal geschieden. De droom is waarachtig, en zijn uitleg betrouwbaar.
45Isso é o que significa a pedra que você viu ser cortada da montanha sem auxílio de mãos e despedaçar o ferro, o bronze, o barro, a prata e o ouro. O grande Deus fez saber ao rei o que acontecerá depois. O sonho é verdadeiro, e sua interpretação é segura.”
46Toen viel koning Nabukodonosor op zijn aangezicht neer, bracht Daniël hulde, en beval, hem offer en wierook te brengen.
46Então o rei Nabucodonosor caiu com o rosto em terra, prestou homenagem a Daniel e ordenou que lhe oferecessem uma oferta e incenso.
47En de koning zeide tot Daniël: Waarachtig, uw God is de God der goden en de Heer der koningen. Hij is het, die wat verborgen is openbaart; want gij hebt dit geheim kunnen ontsluieren.
47O rei disse a Daniel: “Verdadeiramente, o Deus de vocês é Deus dos deuses, Senhor dos reis e revelador de mistérios, pois você foi capaz de revelar este mistério.”
48Daarna overlaadde de koning Daniël met eer, gaf hem vele kostbare geschenken, en stelde hem aan tot bestuurder van heel de provincie van Babel, en tot opperste leider van al de wijzen van Babel.
48Então o rei engrandeceu Daniel, deu-lhe muitos e grandes presentes, colocou-o como governador de toda a província da Babilônia e como chefe principal sobre todos os sábios da Babilônia.
49Maar op verzoek van Daniël droeg de koning het bestuur over de provincie van Babel aan Sjadrak, Mesjak en Abed-Nego op, terwijl Daniël zelf aan het hof van den koning verbleef.
49A pedido de Daniel, o rei nomeou Sadraque, Mesaque e Abede-Nego responsáveis pelos negócios da província da Babilônia; Daniel, porém, permanecia na corte do rei.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.