Daniel 9
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Bíblia Portuguesa Mundial (Brazilian Portuguese)
1In het eerste jaar van Darius, den zoon van Achasjwerosj, die van afkomst een Mediër was, maar koning was geworden over het rijk der Chaldeën:
1No primeiro ano de Dario, filho de Assuero, da descendência dos medos, que foi constituído rei sobre o reino dos caldeus,
2in het eerste jaar zijner regering trachtte ik, Daniël, uit de boeken inzicht te krijgen in het getal van de zeventig jaren, die over de puinen van Jerusalem moesten voorbijgaan, zoals Jahweh tot den profeet Jeremias gezegd had.
2no primeiro ano de seu reinado, eu, Daniel, compreendi pelos livros o número de anos de que tratava a palavra do SENHOR dada ao profeta Jeremias, para que se completassem setenta anos das desolações de Jerusalém.
3En ik wendde mij tot God den Heer, om door bidden en smeken, in vasten, en in zak en as, het te kunnen verstaan.
3Voltei meu rosto ao Senhor Deus, buscando-o com oração e súplicas, em jejum, pano de saco e cinzas.
4Ik bad tot Jahweh, mijn God, en legde deze schuldbekentenis af: Ach mijn Heer: Gij zijt de grote en ontzaglijke God, die het verbond en de genade gestand doet aan hen, die Hem liefhebben en zijn geboden volbrengen.
4Orei ao SENHOR, meu Deus, fiz confissão e disse: “Ó Senhor, Deus grande e temível, que guarda a aliança e a misericórdia com os que o amam e guardam seus mandamentos,
5Maar wij hebben gezondigd en kwaad gedaan; wij hebben misdreven en ons verzet, zijn afgeweken van uw geboden en wetten.
5pecamos, agimos perversamente, praticamos o mal e nos rebelamos, afastando-nos de teus preceitos e de teus juízos.
6Wij hebben niet naar de profeten, uw dienaars, geluisterd, die in uw naam tot onze koningen hebben gesproken, en tot onze vorsten en vaderen, tot het hele volk van het land.
6Não ouvimos teus servos, os profetas, que falaram em teu nome aos nossos reis, aos nossos príncipes, aos nossos antepassados e a todo o povo da terra.
7Gij zijt rechtvaardig, o Heer. Daarom ligt thans het schaamrood op ons gelaat: op de mannen van Juda en de inwoners van Jerusalem; op heel Israël in alle landen, dichtbij of veraf, waarheen Gij ze verstrooid hebt om de ontrouw, die ze tegen U hebben gepleegd.
7“A ti, Senhor, pertence a justiça; a nós, porém, a vergonha, como se vê hoje — aos homens de Judá, aos habitantes de Jerusalém e a todo Israel, os que estão perto e os que estão longe, em todos os países para onde os expulsaste, por causa da infidelidade que cometeram contra ti.
8Ja Heer, de schaamte bedekt ons gelaat, ons met onze koningen, vorsten en vaderen; want we hebben gezondigd tegen U.
8Senhor, a nós pertence a vergonha, aos nossos reis, aos nossos príncipes e aos nossos antepassados, porque pecamos contra ti.
9Zeker, bij den Heer onzen God is erbarming en vergeving; maar wij bleven tegen Hem in verzet,
9Ao Senhor, nosso Deus, pertencem a misericórdia e o perdão, pois nos rebelamos contra ele.
10en luisterden niet naar de stem van Jahweh, onzen God, om volgens de wetten te leven, die Hij ons had gegeven door de profeten, zijn dienaars.
10Não obedecemos à voz do SENHOR, nosso Deus, para andar em suas leis, que colocou diante de nós por meio de seus servos, os profetas.
11Heel Israël heeft uw wet overtreden, heeft U verlaten, en niet naar uw stem willen horen. Zo werden over ons de vloek en de eed uitgestort, die in de wet van Moses, den dienaar van God, staan geschreven; want wij hebben gezondigd tegen Hem.
11Sim, todo Israel transgrediu tua Lei e se desviou, recusando-se a obedecer à tua voz. “Por isso, a maldição e o juramento escritos na Lei de Moisés, servo de Deus, foram derramados sobre nós, porque pecamos contra ele.
12Daarom ook deed Hij zijn woord gestand, dat Hij gesproken had tegen ons en onze leiders, die ons bestuurden: dat Hij een rampspoed over ons zou brengen zó groot, als er nog nooit onder heel de hemel, als er in Jerusalem nog nooit was geweest.
12Ele confirmou as palavras que havia falado contra nós e contra nossos juízes que nos julgavam, trazendo sobre nós grande calamidade; pois debaixo de todo o céu nunca se fez algo semelhante ao que foi feito a Jerusalém.
13Al die rampspoed moest ons treffen, zoals in Moses’ wet staat geschreven, omdat we Jahweh onzen God niet hadden vermurwd, door ons te bekeren van onze zonden en te denken aan uw getrouwheid.
13Como está escrito na Lei de Moisés, toda essa calamidade veio sobre nós; contudo, não buscamos o favor do SENHOR, nosso Deus, afastando-nos de nossas iniquidades e procurando compreender tua verdade.
14Zo bleef Jahweh bedacht, het onheil over ons uit te storten: want Jahweh onze God is rechtvaardig in al wat Hij doet, en wij luisterden niet naar zijn stem.
14Por isso o SENHOR ficou atento à calamidade e a trouxe sobre nós, pois o SENHOR, nosso Deus, é justo em todas as obras que faz, e nós não obedecemos à sua voz.
15Nu dan, mijn Heer onze God, die met krachtige hand uw volk hebt geleid uit het land van Egypte, en zó U een naam hebt verworven tot op de huidige dag: ach, we hebben gezondigd, we hebben misdreven!
15“Agora, Senhor, nosso Deus, que tiraste teu povo da terra do Egito com mão poderosa e fizeste para ti um nome que permanece até hoje, pecamos e agimos perversamente.
16Heer, laat toch naar de volheid van uw ontferming uw ziedende toorn van Jerusalem wijken, van uw stad en uw heilige berg; want om de zonde van ons en de ongerechtigheid van onze vaderen zijn Jerusalem en uw volk een hoon geworden voor onze hele omgeving.
16Senhor, segundo toda a tua justiça, peço que tua ira e teu furor se afastem de tua cidade Jerusalém, teu santo monte, pois, por causa de nossos pecados e das iniquidades de nossos antepassados, Jerusalém e teu povo se tornaram motivo de vergonha para todos os que estão ao nosso redor.
17Verhoor dan, onze God, het bidden en smeken van uw dienaar. Laat, om uwentwil zelf, uw aanschijn stralen over uw heiligdom, dat in puin ligt, o Heer.
17“Agora, portanto, ó nosso Deus, ouve a oração de teu servo e suas súplicas e faze teu rosto resplandecer sobre teu santuário desolado, por amor do Senhor.
18Mijn God, neig uw oor en wil horen; open uw ogen en aanschouw onze puinen, en de stad, die naar U is genoemd. Neen, niet op grond onzer werken, maar om uw grote barmhartigheid leggen wij ons gebed voor U neer.
18Meu Deus, inclina teu ouvido e ouve. Abre teus olhos e vê nossas desolações e a cidade chamada por teu nome, pois não apresentamos nossas súplicas diante de ti por causa de nossa justiça, mas por causa de tuas grandes misericórdias.
19Heer, geef verhoring; Heer, schenk vergiffenis; Heer, zie toe en grijp in! Toef niet langer, mijn God, om uwentwil zelf; want uw stad en uw volk dragen úw Naam.
19Senhor, ouve. Senhor, perdoa. Senhor, presta atenção e age. Não demores, por amor de ti mesmo, meu Deus, porque tua cidade e teu povo são chamados por teu nome.”
20Zo bleef ik spreken en bidden, mijn eigen zonde belijden en die van Israël mijn volk, en legde ik voor Jahweh, mijn God, mijn smeekgebed neer voor de heilige berg van mijn God.
20Enquanto eu ainda falava, orava, confessava meu pecado e o pecado de meu povo Israel e apresentava minha súplica diante do SENHOR, meu Deus, pelo santo monte de meu Deus —
21Nog was ik aan het bidden, toen Gabriël, de man dien ik vroeger in een visioen had aanschouwd, in snelle vlucht kwam aangevlogen, en mij tegen de tijd van het avondoffer bereikte.
21sim, enquanto eu ainda falava em oração, o homem Gabriel, que eu havia visto na visão anterior, veio voando rapidamente e me tocou por volta da hora da oferta da tarde.
22Hij kwam, om mij te onderrichten, en sprak mij toe: Daniël, thans ben ik gekomen, om u volledig inzicht te geven.
22Ele me instruiu, falou comigo e disse: “Daniel, agora vim para lhe dar sabedoria e entendimento.
23Reeds bij de aanvang van uw gebed is er een woord gesproken, en nu ben ik gekomen, om het u bekend te maken; want gij zijt zeer geliefd. Overweeg dus aandachtig wat er gezegd werd, en tracht het visioen te verstaan.
23No início de suas súplicas saiu a ordem, e vim para lhe contar, porque você é muito amado. Portanto, considere a palavra e compreenda a visão.
24Zeventig weken zijn vastgesteld voor uw volk en voor uw heilige stad: om de boosheid te doen ophouden, en aan de zonde een einde te maken; om de schuld te verzoenen, en eeuwige gerechtigheid te brengen; om het zegel te drukken op visioen en voorspelling, en den Heilige der heiligen te zalven.
24“Setenta semanas estão determinadas sobre seu povo e sua santa cidade, para pôr fim à desobediência, dar fim ao pecado, fazer expiação pela iniquidade, trazer justiça eterna, selar visão e profecia e ungir o lugar santíssimo.
25Weet het dan wel, en versta het goed: Van het ogenblik af, waarop het woord werd gesproken, om Jerusalem weer op te bouwen, tot aan een gezalfde en vorst: zijn zeven weken. En twee en zestig weken lang zal het hersteld en herbouwd zijn: met pleinen en wallen, maar in troebele tijden.
25“Saiba, portanto, e compreenda: desde a saída da ordem para restaurar e reconstruir Jerusalém até o Ungido, o príncipe, haverá sete semanas e sessenta e duas semanas. Ela será reconstruída com praça e fosso, mas em tempos difíceis.
26En na die twee en zestig weken zal een gezalfde worden gedood, en niemand komt voor hem op. Dan zullen stad en heiligdom worden onteerd, door een vorst, die komt met zijn volk. Van het begin tot het eind zal hij woeden door oorlog, vonnis en puin,
26Depois das sessenta e duas semanas, o Ungido será eliminado e não terá nada. O povo do príncipe que virá destruirá a cidade e o santuário. Seu fim virá como uma inundação, e até o fim haverá guerra. Desolações estão determinadas.
27maar met velen een innig verbond sluiten, een hele week lang. En op de helft van die week zal hij slacht- en spijsoffer doen ophouden; en in plaats daarvan komt een ontzettende gruwel, totdat verdelging en wraakgericht zich aan den vernieler voltrekt!
27Ele fará uma aliança firme com muitos durante uma semana. Na metade da semana fará cessar o sacrifício e a oferta. Sobre a asa das abominações virá aquele que causa desolação, até que a destruição completa já determinada seja derramada sobre o desolador.”
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.