Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Bíblia Portuguesa Mundial (Brazilian Portuguese)
1In het derde jaar der regering van koning Belsjassar had ik, Daniël, een visioen na het andere, dat ik vroeger aanschouwd had.
1No terceiro ano do reinado do rei Belsazar, apareceu a mim, Daniel, uma visão, depois daquela que me havia aparecido anteriormente.
2Ik zag in dit visioen, dat ik mij tijdens het gezicht in de vesting Sjoesjan bevond in de provincie van Elam, en dat ik aan de rivier de Oelai stond, toen ik het visioen aanschouwde.
2Vi a visão. Quando a vi, eu estava na cidadela de Susã, na província de Elão. Na visão, eu estava junto ao rio Ulai.
3Ik sloeg mijn ogen op en zag toe: Zie, voor de rivier stond een ram met twee horens; de horens waren beiden groot, maar de een was hoger dan de andere, en de grootste schoot het laatst omhoog.
3Levantei os olhos e vi, e eis que um carneiro com dois chifres estava diante do rio. Os dois chifres eram altos, mas um era mais alto do que o outro, e o mais alto surgiu depois.
4Ik zag den ram naar het westen stoten, en naar het noorden en zuiden; geen enkel beest hield het tegen hem vol, of kon zich aan zijn greep ontworstelen. Hij deed wat hij wilde, en groeide in macht.
4Vi o carneiro avançando para o oeste, para o norte e para o sul. Nenhum animal conseguia resistir diante dele, e ninguém podia livrar de suas mãos. Ele fazia o que queria e se engrandecia.
5Ik bleef toezien: Zie, uit het westen kwam een geitebok over de hele oppervlakte der aarde gelopen, zonder de grond aan te raken. De bok had een heel bijzondere horen tussen zijn ogen.
5Enquanto eu considerava isso, eis que um bode veio do oeste, percorrendo a superfície de toda a terra sem tocar o chão. O bode tinha um chifre notável entre os olhos.
6Hij ging op den ram met de twee horens af, dien ik voor de rivier had zien staan, en stormde op hem los met onstuimige kracht.
6Ele veio até o carneiro de dois chifres que eu havia visto diante do rio e correu contra ele com a fúria de sua força.
7Ik zag, hoe hij den ram bereikte, woedend hem aanviel, den ram maar bleef stoten en hem zijn beide horens brak, zodat de ram geen kracht meer bezat, om hem weerstand te bieden. Toen smeet hij hem tegen de grond en trapte er op; en er was niemand, die den ram uit zijn greep kon verlossen.
7Vi que se aproximou do carneiro, enfureceu-se contra ele e o golpeou, quebrando seus dois chifres. O carneiro não tinha força para resistir diante dele. O bode o lançou ao chão e o pisoteou, e ninguém podia livrar o carneiro de suas mãos.
8Nu werd die geitebok hoe langer hoe sterker; maar op het toppunt van zijn macht brak de grote horen af. Vier andere kwamen in zijn plaats, naar de vier hemelwinden gericht.
8O bode se engrandeceu extraordinariamente. Quando estava forte, o grande chifre foi quebrado, e em seu lugar surgiram quatro chifres notáveis em direção aos quatro ventos do céu.
9En uit een van die vier kwam een hoorn te voorschijn, die klein begon, maar geweldig groeide naar het zuiden en oosten en het Heerlijke Land.
9De um deles saiu um pequeno chifre que cresceu extraordinariamente em direção ao sul, ao leste e à terra gloriosa.
10Hij verhief zich tegen het hemels heir, smeet een deel van het heir met een deel van de sterren tegen de grond, en trapte er op.
10Cresceu até alcançar o exército do céu e lançou por terra parte do exército e das estrelas, pisoteando-os.
11Hij verhief zich zelfs tegen den Vorst van het heir, beroofde Hem van zijn dagelijks offer, en vernederde zijn heilige woning.
11Sim, engrandeceu-se até contra o príncipe do exército; tirou dele o holocausto contínuo, e o lugar de seu santuário foi derrubado.
12En het heir werd aan de goddeloosheid prijsgegeven, tegelijk met het offer, en de waarheid tegen de grond geworpen; hij deed wat hij wilde.
12O exército foi entregue ao chifre, juntamente com o holocausto contínuo, por causa da desobediência. Ele lançou a verdade por terra, fez o que quis e prosperou.
13Toen hoorde ik een heilige spreken, en die heilige vroeg aan een andere: Hoelang blijft dit visioen nog van kracht? Hoelang wordt het dagelijks offer gestaakt, blijft de gruwel der verwoesting duren, wordt heiligdom en heir vertreden?
13Então ouvi um santo falando; e outro santo perguntou àquele que falava: “Até quando durará a visão a respeito do holocausto contínuo e da desobediência que causa desolação, entregando tanto o santuário como o exército para serem pisoteados?”
14En hij gaf hem ten antwoord: Tweeduizend driehonderd avonden en morgens; dan zal het heiligdom worden gereinigd.
14Ele me disse: “Até duas mil e trezentas tardes e manhãs. Depois o santuário será purificado.”
15Toen ik, Daniël, het visioen had aanschouwd, en het zocht te begrijpen, zie: daar stond iemand in mijn nabijheid, die de gedaante had van een man.
15Quando eu, Daniel, tive a visão, procurei compreendê-la. Então eis que apareceu diante de mim alguém com aparência de homem.
16En ik hoorde een mensenstem uit de Oelai roepen: Gabriël, geef hem verklaring van het visioen.
16Ouvi uma voz humana entre as margens do Ulai que chamou e disse: “Gabriel, faça este homem compreender a visão.”
17Hij kwam naar de plaats waar ik stond; maar toen hij naderde, werd ik bang, en viel op mijn aangezicht neer. Hij zeide tot mij: Let goed op, mensenkind; want het visioen doelt op de tijd van het einde.
17Ele se aproximou de onde eu estava. Quando chegou, fiquei aterrorizado e caí com o rosto em terra; mas ele me disse: “Entenda, filho do homem, pois a visão se refere ao tempo do fim.”
18Maar toen hij mij aansprak, viel ik in zwijm met het gezicht op de grond. Doch hij raakte mij aan, en richtte mij weer overeind.
18Enquanto ele falava comigo, caí em profundo sono com o rosto em terra; mas ele me tocou e me pôs de pé.
19En hij sprak: Zie, ik maak u bekend, wat zal gebeuren in de eindtijd van gramschap; want het visioen doelt op de tijd van het einde.
19Ele disse: “Eis que farei você saber o que acontecerá no último período da indignação, pois isso se refere ao tempo determinado do fim.
20De ram met de twee horens, dien gij gezien hebt, doelt op de koningen der Meden en Perzen.
20O carneiro que você viu, que tinha dois chifres, representa os reis da Média e da Pérsia.
21De geitebok beduidt de koningen der Grieken; en de grote horen tussen zijn ogen is de eerste koning.
21O bode peludo é o rei da Grécia, e o grande chifre entre seus olhos é o primeiro rei.
22En dat hij afbrak, en vier anderen in zijn plaats verschenen, betekent: vier koninkrijken zullen uit zijn volk verrijzen, maar zonder zijn kracht.
22Quanto ao chifre que foi quebrado e em cujo lugar surgiram quatro, quatro reinos se levantarão daquela nação, mas não com o poder dele.
23Maar als hun heerschappij ten einde zal zijn, en de maat der misdaden vol: zal een koning opstaan met onbeschaamdheid op zijn gelaat, bedreven in listen,
23“No último período do reino deles, quando os transgressores tiverem chegado ao máximo, surgirá um rei de aparência feroz e entendido em enigmas.
24en geweldig in kracht. Ongelooflijk kwaad zal hij stichten, en doen wat hij wil. Machtigen zal hij te gronde richten, het volk der heiligen eveneens.
24Seu poder será grande, mas não por sua própria força. Ele destruirá de maneira espantosa, prosperará no que fizer e destruirá os poderosos e o povo santo.
25Zijn sluwheid zal hem doen slagen, met het bedrog dat hij pleegt; dan wordt hij trots in zijn hart, en stort hij velen onverhoeds in het verderf. Zelfs tegen den Vorst der vorsten zal hij opstaan; maar hij zal worden gebroken, zonder dat men een hand naar hem uitsteekt.
25Por sua astúcia fará prosperar o engano em suas mãos. Em seu coração se engrandecerá e destruirá muitos quando estiverem seguros. Também se levantará contra o Príncipe dos príncipes, mas será quebrado sem intervenção humana.
26En het visioen van de avonden en morgens is waarachtig, zoals het gezegd is. Maar gij moet het visioen verzegelen; want het wordt eerst na vele dagen vervuld.
26“A visão das tardes e manhãs que foi anunciada é verdadeira; mas sele a visão, pois se refere a muitos dias no futuro.”
27Ik Daniël was aan het eind van mijn krachten, en dagen lang ziek. Toen eerst kon ik opstaan, en weer dienst bij den koning verrichten. Maar ik bleef onthutst over het visioen, ofschoon niemand het merkte.
27Eu, Daniel, desmaiei e fiquei doente por alguns dias. Depois me levantei e cuidei dos negócios do rei. Fiquei espantado com a visão, mas ninguém a compreendia.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.