Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Bíblia Portuguesa Mundial (Brazilian Portuguese)
1Supplement. Verdere gebeurtenissen uit het leven van Daniël. Daniël en Susanna 1. Susanna en haar belagers. Er woonde toen in Babel een man, die Joakim heette.
1Havia na Babilônia um homem chamado Joaquim.
2Hij had zich een vrouw genomen, Susanna genaamd, de dochter van Helkias. Ze was buitengewoon schoon en godvrezend;
2Ele tomou por esposa uma mulher chamada Susana, filha de Helcias, muito bela e temente ao Senhor.
3want daar ook haar ouders godvruchtige mensen waren, hadden ze hun dochter naar de wet van Moses opgevoed.
3Seus pais também eram justos e haviam ensinado a filha segundo a Lei de Moisés.
4Joakim was zeer rijk. Zo bezat hij ook een tuin, die aan zijn huis grensde; en omdat hij de aanzienlijkste van allen was, kwamen de Joden bij hem samen.
4Joaquim era muito rico e possuía um belo jardim junto de sua casa. Os judeus costumavam reunir-se ali, pois ele era mais respeitado do que todos os outros.
5Nu waren er dat jaar uit het volk twee ouderlingen tot rechters aangesteld; maar van het soort, waarvan de Heer had gezegd: “de ongerechtigheid is van Babel uitgegaan door de oudsten, door rechters, die het volk slechts besturen in schijn”.
5Naquele mesmo ano, dois anciãos do povo foram designados como juízes. Eram daquele tipo a respeito do qual o Senhor havia dito que a perversidade viera da Babilônia por meio de anciãos que eram juízes e deveriam governar o povo.
6Ze vertoefden regelmatig in het huis van Joakim, waar iedereen naar hen toe kwam, die rechtzaken had.
6Eles frequentavam a casa de Joaquim, e todos os que tinham alguma causa judicial iam até eles.
7Wanneer dan het volk tegen de middag vertrokken was, ging Susanna wandelen in de tuin van haar man.
7Quando o povo ia embora ao meio-dia, Susana entrava no jardim de seu marido para passear.
8De beide ouderlingen zagen haar dus dagelijks daar wandelen, en kregen hevige hartstocht voor haar.
8Os dois anciãos a viam entrar todos os dias e passear, e se inflamaram de desejo por ela.
9Ze verstompten hun geweten, en wendden hun ogen af, om niet naar de hemel te kijken, en niet te denken aan de rechtvaardige straffen.
9Perverteram a própria mente e desviaram os olhos, para não olhar para o céu nem se lembrar dos justos juízos.
10Beiden waren door liefde gewond, maar ze vertelden elkander niets van hun pijn.
10Embora ambos estivessem feridos de desejo por ela, nenhum deles ousava revelar ao outro sua paixão.
11Ze schaamden zich, met elkaar over hun hartstocht te spreken, en hoe ze verlangden, haar te bezitten.
11Pois tinham vergonha de declarar o desejo que sentiam e aquilo que queriam fazer com ela.
12Maar iedere dag opnieuw bleven ze hartstochtelijker naar een gelegenheid zoeken, om haar te begluren.
12Contudo, observavam ansiosamente, dia após dia, para vê-la.
13Eens zei de een tot den ander: Kom, laat ons naar huis gaan, want het is tijd voor het eten. Ze scheidden dus, en gingen heen;
13Então um disse ao outro: “Vamos para casa agora, pois é hora do almoço.”
14maar langs een omweg keerden ze beiden naar dezelfde plaats terug. En toen ze elkaar naar de reden vroegen, maakten ze hun hartstocht bekend, en bespraken met elkander de tijd, waarop ze haar alleen konden treffen.
14Saíram e se separaram, mas depois voltaram e chegaram novamente ao mesmo lugar. Quando perguntaram um ao outro por que tinham voltado, confessaram seu desejo. Então combinaram entre si uma ocasião em que poderiam encontrá-la sozinha.
15Terwijl beiden dan op een geschikte dag wachtten, ging zij weer eens naar de tuin, zoals ze dat al lang gewoon was, enkel van twee dienstmeisjes vergezeld; en omdat het warm was, wilde ze baden in de tuin.
15Aconteceu que, enquanto aguardavam uma oportunidade, num dia favorável ela entrou como de costume, acompanhada apenas por duas criadas, e quis banhar-se no jardim, pois fazia calor.
16Er was dan ook niemand daar aanwezig, behalve de beide ouderlingen, die zich hadden verscholen, en haar begluurden.
16Não havia ali ninguém, exceto os dois anciãos, que estavam escondidos observando-a.
17Ze zei dus tot haar meisjes: Haalt mij olie en zalven, en sluit de poorten van de tuin, dan kan ik gaan baden.
17Ela disse às criadas: “Tragam-me azeite e perfume e fechem as portas do jardim, para que eu possa me banhar.”
18Ze deden, zoals ze bevolen had; ze sloten de poorten van de tuin, en gingen door een achterdeur uit, om het gevraagde te halen. Maar ze wisten niet, dat de ouderlingen zich daar hadden verscholen.
18Elas fizeram como Susana pediu, fecharam as portas do jardim e saíram pelas portas laterais para buscar aquilo que ela lhes havia ordenado. Não viram os anciãos, porque estavam escondidos.
19Zodra de meisjes waren vertrokken, stonden de ouderlingen allebei op, liepen op haar af,
19Depois que as criadas saíram, os dois anciãos se levantaram e correram até ela, dizendo:
20en zeiden: Kijk, de poorten van de tuin zijn gesloten, en er is niemand, die ons ziet. We branden van hartstocht voor u; geef dus maar toe, en wees ons terwille.
20“Veja, as portas do jardim estão fechadas, ninguém pode nos ver, e estamos apaixonados por você. Portanto, consinta conosco e deite-se conosco.
21Als ge weigert, zullen we tegen u getuigen, dat er een jongeman bij u is geweest, en dat ge daarom de meisjes hebt weggestuurd.
21Se não fizer isso, testemunharemos contra você, dizendo que um jovem estava aqui com você e que foi por isso que mandou suas criadas embora.”
22Susanna zuchtte en sprak: Het is me van alle kanten benauwd; want doe ik het, dan wacht me de dood; doe ik het niet, dan zal ik niet aan úw handen ontsnappen.
22Então Susana suspirou e disse: “Estou cercada por todos os lados. Se fizer isso, será morte para mim; se não fizer, não escaparei das mãos de vocês.
23Maar toch is het veel beter, het niet te doen, en in úw handen te vallen, dan te zondigen voor het aanschijn des Heren.
23É melhor para mim cair nas mãos de vocês sem fazer isso do que pecar diante do Senhor.”
24Nu begon Susanna heel hard te roepen; maar de ouderlingen schreeuwden tegen haar in,
24Então Susana gritou em alta voz, e os dois anciãos também gritaram contra ela.
25en één liep gauw naar de tuinpoorten toe, om ze open te doen.
25Um deles correu e abriu as portas do jardim.
26Zodra de huisbedienden in de tuin hoorden schreeuwen, stormden ze door de achterdeur er op af, om te zien, wat er gebeurde.
26Quando os servos da casa ouviram o grito no jardim, correram pela porta lateral para ver o que havia acontecido com ela.
27Nu legden de ouderlingen hun verklaringen af. De bedienden waren er zeer verlegen over; want nog nooit was zoiets van Susanna verteld.
27Mas, depois que os anciãos contaram sua história, os servos ficaram profundamente envergonhados, pois nunca se havia dito coisa semelhante a respeito de Susana.
28Toen nu de volgende dag het volk weer bij haar man Joakim samenkwam, gingen ook de twee ouderlingen er heen met het goddeloze plan, om Susanna ter dood te doen brengen. Ze spraken voor het verzamelde volk:
28No dia seguinte, quando o povo se reuniu na casa de Joaquim, marido dela, os dois anciãos chegaram cheios de sua intenção perversa contra Susana, querendo levá-la à morte.
29Laat Susanna halen, de dochter van Helkias en de vrouw van Joakim. Terstond liet men ze halen.
29Disseram diante do povo: “Mandem chamar Susana, filha de Helcias, esposa de Joaquim.” Então mandaram chamá-la.
30Vergezeld van haar ouders en kinderen en van al haar verwanten, kwam ze voor.
30Ela veio com seu pai, sua mãe, seus filhos e todos os seus parentes.
31Susanna was buitengewoon bevallig en schoon van gelaat.
31Susana era uma mulher muito delicada e bela de se contemplar.
32Daar ze gesluierd was, gaven de booswichten bevel, haar de sluier af te nemen, om zich ook nu nog aan haar schoonheid te verlustigen.
32Aqueles homens perversos ordenaram que tirassem o véu dela, pois estava coberta, para que se satisfizessem olhando sua beleza.
33Terwijl al haar verwanten en kennissen huilden,
33Seus amigos e todos os que a viam choravam.
34stonden de twee ouderlingen op in de kring van het volk, en legden hun handen op haar hoofd.
34Então os dois anciãos se levantaram no meio do povo e puseram as mãos sobre a cabeça dela.
35Zij zelf zag schreiend op naar de hemel; want haar hart bleef op den Heer vertrouwen.
35Chorando, ela ergueu os olhos para o céu, pois seu coração confiava no Senhor.
36Toen zeiden de ouderlingen: Terwijl we met ons beiden in de tuin aan 't wandelen waren, kwam deze met twee dienstmeisjes daar binnen, sloot de poorten van de tuin, en stuurde de meisjes heen.
36Os anciãos disseram: “Enquanto caminhávamos sozinhos pelo jardim, esta mulher entrou com duas criadas, fechou as portas do jardim e mandou as criadas embora.
37Toen kwam er een jongeman naar haar toe, die zich schuil had gehouden, en hij legde zich bij haar neer.
37Então um jovem que estava escondido veio até ela e se deitou com ela.
38Wij zelf bevonden ons toen in een hoek van de tuin; maar toen we het misdrijf bemerkten, liepen we op hen af,
38Nós estávamos num canto do jardim, vimos essa perversidade e corremos até eles.
39en we zagen, dat ze elkaar terwille waren. Hemzelf konden we echter niet grijpen, omdat hij sterker was dan wij; hij opende de poorten, en wist te ontsnappen.
39Quando os vimos juntos, não conseguimos deter o homem, pois ele era mais forte do que nós; abriu as portas e fugiu.
40Maar deze hier grepen we vast; we vroegen haar, wie de jongeman was geweest,
40Mas agarramos esta mulher e perguntamos quem era o jovem. Ela, porém, não quis nos dizer. Damos testemunho destas coisas.”
41maar ze wilde het ons niet bekennen. Dit getuigen wij. De vergadering geloofde hen, omdat ze ouderlingen waren en de rechters van het volk; en men sprak het doodvonnis over haar uit.
41A assembleia acreditou neles, pois eram anciãos do povo e juízes; assim, condenaram Susana à morte.
42Toen brak Susanna in luide weeklachten uit, en sprak: Eeuwige God, die het verborgene kent; die alles weet, zelfs eer het geschiedt:
42Então Susana clamou em alta voz e disse: “Ó Deus eterno, tu conheces os segredos e sabes todas as coisas antes que aconteçam.
43Gij weet, dat ze valse getuigenis tegen mij hebben afgelegd; zie ik sterf, ofschoon ik onschuldig ben aan alles, wat deze mannen met boos opzet tegen mij hebben verzonnen.
43Sabes que eles deram falso testemunho contra mim. Eis que devo morrer, embora jamais tenha feito aquilo que estes homens inventaram maliciosamente contra mim.”
44En de Heer verhoorde haar smeken.
44O Senhor ouviu sua voz.
45Want toen ze ter dood werd geleid, wekte de Heer de heilige geest in een jongeman, Daniël genaamd.
45Enquanto ela era levada para ser morta, Deus despertou o espírito santo de um jovem chamado Daniel.
46En deze riep met luider stem: Ik ben onschuldig aan haar bloed!
46Ele clamou em alta voz: “Sou inocente do sangue desta mulher!”
47Al het volk keerde zich naar hem toe, en zeide: Wat bedoelt ge met het woord, dat ge daar spreekt?
47Todo o povo se voltou para ele e perguntou: “O que significam estas palavras que você disse?”
48Hij ging in hun kring staan, en sprak: Zijt ge niet goed wijs, kinderen van Israël? Veroordeelt ge een dochter van Israël zonder verder onderzoek, en zonder de ware toedracht te kennen?
48Ele, de pé no meio deles, disse: “Vocês são tão insensatos assim, filhos de Israel, que sem investigação e sem conhecimento da verdade condenaram uma filha de Israel?
49Keert terug naar de rechtzaal; want dezen hier hebben een valse getuigenis tegen haar afgelegd.
49Voltem ao lugar do julgamento, pois estes homens deram falso testemunho contra ela.”
50Heel de menige keerde dus haastig terug. En de andere ouderlingen zeiden tot hem: Kom, neem plaats in ons midden, en licht ons in; want God heeft u de eerbiedwaardigheid van de hoge leeftijd verleend.
50Então todo o povo voltou depressa, e os anciãos disseram a Daniel: “Venha, sente-se entre nós e mostre-nos o que sabe, pois Deus lhe concedeu a honra de um ancião.”
51En Daniël zeide tot hen: Zondert ze van elkander af; dan zal ik ze aan een verhoor onderwerpen.
51Daniel lhes disse: “Separem os dois bem longe um do outro, e eu os interrogarei.”
52Toen ze dus van elkander waren gescheiden, riep hij één van hen voor, en zeide tot hem: Gij daar, vergrijsd in de boosheid; nu komt de straf voor uw zonden, die ge vroeger bedreven hebt,
52Depois que foram separados, chamou um deles e lhe disse: “Você envelheceu na perversidade, e agora seus pecados anteriores vieram sobre você,
53toen ge onrechtvaardige vonnissen hebt geveld, onschuldigen hebt veroordeeld en schuldigen hebt vrijgesproken, ofschoon de Heer heeft gezegd: “Een onschuldige en rechtvaardige zult ge niet doden”.
53por pronunciar julgamentos injustos, condenar inocentes e libertar culpados, embora o Senhor diga: ‘Não matarás o inocente nem o justo.’
54Nu dan, wanneer ge haar inderdaad hebt gezien, zeg dan eens: onder wat voor een boom hebt gij ze bij elkander gezien? Hij antwoordde: Onder een mastiekboom.
54Agora, se realmente a viu, diga-me: debaixo de que árvore você os viu juntos?” Ele respondeu: “Debaixo de um lentisco.”
55Nu sprak Daniël: Prachtig hebt ge tegen uw eigen hoofd gelogen; want Gods engel heeft al van God bevel ontvangen, u doormidden te houwen.
55Daniel disse: “Você certamente mentiu contra sua própria cabeça, pois agora mesmo o anjo de Deus recebeu de Deus a sentença e o cortará em dois.”
56En toen hij hem had laten verdwijnen, liet hij den ander komen, en sprak tot hem: Gij daar, ras van Kanaän, en geen zaad van Juda; de schoonheid heeft u verleid, en de wellust heeft uw hart bedorven!
56Daniel o colocou de lado, mandou trazer o outro e lhe disse: “Você é descendência de Canaã, e não de Judá! A beleza o enganou, e o desejo perverteu seu coração.
57Zó hebt ge met de dochters van Israël gedaan, en uit vrees lieten ze zich met u in; maar een dochter van Juda heeft uw boosheid niet geduld.
57Assim vocês trataram as filhas de Israel, e elas, por medo, tiveram relações com vocês; mas uma filha de Judá não tolerou sua perversidade.
58Zeg op: Onder wat voor een boom hebt ge ze met elkander betrapt? Hij antwoordde: Onder een eik.
58Agora, portanto, diga-me: debaixo de que árvore você os surpreendeu juntos?” Ele respondeu: “Debaixo de uma azinheira.”
59Daniël zei hem: Prachtig hebt ook gij tegen uw eigen hoofd gelogen; want Gods engel wacht al met het zwaard in de hand, om u doormidden te houwen, en alle twee te doden.
59Daniel lhe disse: “Você também certamente mentiu contra sua própria cabeça, pois o anjo de Deus espera com a espada para cortá-lo em dois e destruí-lo.”
60Nu begon heel de vergadering luid te juichen, en God te loven, die redt wie op Hem vertrouwen.
60Então toda a assembleia clamou em alta voz e bendisse a Deus, que salva os que esperam nele.
61Maar toen trad men ook tegen de beide ouderlingen op; want Daniël had ze met eigen mond doen bekennen, dat ze valse getuigenis hadden afgelegd. Men vergold hun het kwaad, dat ze tegen hun naaste hadden beraamd,
61Levantaram-se contra os dois anciãos, pois Daniel os havia convencido de falso testemunho pela própria boca deles.
62en overeenkomstig de wet van Moses werden ze ter dood gebracht. Zo werd die dag onschuldig bloed van de ondergang gered.
62Segundo a Lei de Moisés, fizeram com eles aquilo que haviam planejado maliciosamente fazer ao próximo. Mataram-nos, e naquele mesmo dia o sangue inocente foi salvo.
63Helkias en zijn vrouw loofden God om hun dochter Susanna; en Joakim, haar man, en al haar verwanten, sloten zich bij hen aan, omdat ze vrij was bevonden van schande.
63Helcias e sua esposa louvaram a Deus por sua filha Susana, juntamente com Joaquim, marido dela, e todos os parentes, porque nela não se encontrou desonestidade alguma.
64En van die dag af bleef Daniël in hoog aanzien bij het volk.
64Desde aquele dia, Daniel passou a ter grande reputação diante do povo.
65Toen koning Astyages tot zijn vaderen was verzameld, en Cyrus, de Pers, zijn koninkrijk had overgenomen,
no verse 65 in this text

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.