ヨシュア記 24
Freedom Bible (フリーダム・バイブル)Translation
Freedom Bible (フリーダム・バイブル)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1ヨシュアはイスラエルの全部族をシェケムに集め、イスラエルの長老、かしら、裁き人、役人を呼び寄せた。彼らは神の前に進み出た。
1Daarna bracht Josuë alle stammen van Israël te Sikem bijeen, en riep ook Israëls oudsten, hoofden, rechters en leiders weer op. En toen het hele volk zich voor het aanschijn van Jahweh had geplaatst, sprak hij het toe:
2ヨシュアは民すべてに言った。「イスラエルの神、主はこう言われる。『昔、あなたがたの父祖たち、すなわちアブラハムとナホルの父テラは、大河の向こうに住み、他の神々に仕えていた。
2Zo spreekt Jahweh, Israëls God! Aan de overkant van de Rivier woonden in oude tijden uw vaderen, Tara, de vader van Abraham en Nachor: toen dienden zij vreemde goden.
3わたしはあなたがたの父アブラハムを大河の向こうから連れ出し、カナンの全土を巡らせ、その子孫 を増やし、イサクを与えた。
3Maar Ik nam uw vader Abraham van de overkant der Rivier, liet hem heel het land Kanaän doortrekken, maakte zijn nakomelingschap talrijk en schonk hem Isaäk.
4わたしはイサクにヤコブとエサウを与えた。わたしはエサウにセイル山を与えてそれを所有させた。ヤコブとその子らはエジプトへ下って行った。
4Aan Isaäk schonk Ik Jakob en Esau. Esau gaf Ik het Seïrgebergte tot bezit; Jakob en zijn zonen trokken af naar Egypte.
5わたしはモーセとアロンを遣わし、また彼らの間で行ったことによってエジプトに災いを下した。その後、わたしはあなたがたを導き出した。
5Toen zij dan een groot, machtig en talrijk volk waren geworden, en de Egyptenaren hen mishandelden, zond Ik Moses en Aäron, sloeg Egypte met de tekenen, die Ik daar wrochtte, en deed u er uitgaan.
6わたしがあなたがたの父祖たちをエジプトから導き出すと、あなたがたは海に来た。エジプト人は戦車と騎兵をもって、あなたがたの父祖たちを紅海まで追跡した。
6Toen Ik uw vaderen uit Egypte had geleid, en zij aan de zee kwamen, en de Egyptenaren uw vaderen met wagens en ruiterij bij de Rode Zee achtervolgden,
7彼らが主に向かって叫び求めると、主はあなたがたとエジプト人との間に暗闇を置き、海を彼らの上に引き寄せて彼らを覆われた。あなたがたの目は、わたしがエジプトで行ったことを見た。あなたがたは長い間、荒野に住んだ。
7riepen zij tot Jahweh, en Hij zette een duisternis tussen u en de Egyptenaren, en joeg de zee over hen heen, zodat ze hen verzwolg. Uw eigen ogen hebben gezien, wat Ik in Egypte gedaan heb. En na uw jarenlang verblijf in de woestijn,
8わたしは、ヨルダン川の向こうに住んでいたアモリ人の地にあなたがたを導き入れた。彼らはあなたがたと戦ったが、わたしは彼らをあなたがたの手に渡した。あなたがたは彼らの地を所有し、わたしは彼らをあなたがたの前から滅ぼした。
8bracht Ik u naar het land der Amorieten, die in het Overjordaanse woonden; zij streden tegen u, maar Ik leverde hen aan u over, en verdelgde hen voor u, zodat ge hun land in bezit hebt genomen.
9それから、モアブの王、ツィポルの子バラクが立ち上がり、イスラエルと戦った。彼は人を遣わしてベオルの子バラムを呼び、あなたがたをのろわせようとした。
9Toen stond Balak op, de zoon van Sippor en koning van Moab, om Israël te beoorlogen; en hij liet Balaäm roepen, den zoon van Beor, om u te vervloeken.
10しかし、わたしはバラムに聞き従わなかった。それで彼は、かえってあなたがたを祝福した。こうしてわたしは、あなたがたを彼の手から救い出した。
10Maar Ik wilde naar Balaäm niet luisteren, en hij sprak zegen over u uit. Zo redde Ik u uit zijn hand.
11あなたがたはヨルダン川を渡り、エリコに来た。エリコの人々、すなわちアモリ人、ペリジ人、カナン人、ヘト人、ギルガシ人、ヒビ人、およびエブス人はあなたがたと戦ったが、わたしは彼らをあなたがたの手に渡した。
11En toen ge de Jordaan waart overgetrokken en bij Jericho kwaamt, streden Jericho’s burgers met de Amorieten, Perizzieten, Kanaänieten, Chittieten, Girgasjieten, Chiwwieten en Jeboesieten tegen u; maar Ik leverde ze aan u over.
12わたしはあなたがたの前にスズメバチを送り、それが彼らを、すなわちアモリ人の二人の王をあなたがたの前から追い出したのであり、あなたがたの剣や弓によるのではなかった。
12Ik zond de horzels voor u uit, en ze joegen zonder uw zwaard of uw boog de twee koningen der Amorieten voor u op de vlucht.
13わたしは、あなたがたが労しなかった地、建てなかった町々を与えた。あなたがたはそこに住み、自分で植えなかったぶどう畑とオリーブ畑の実を食べている。』
13Ik gaf u een land, waarvoor ge niet hebt gezwoegd; steden, die ge niet hebt gebouwd, en waarin ge toch woont; wijn- en olijfgaarden, die ge niet hebt geplant, en waarvan ge toch eet.
14それゆえ今、主を恐れ、誠実と真実をもって主に仕えなさい。父祖たちが大河の向こうやエジプトで仕えていた神々を取り除き、主に仕えなさい。
14Welnu, vreest dan Jahweh en dient Hem oprecht en getrouw; doet de goden weg, die uw vaderen aan de overkant der Rivier en in Egypte hebben gediend, en dient Jahweh.
15主に仕えることがあなたがたの目に悪いなら、父祖たちが大河の向こうで仕えていた神々であれ、今住んでいる地のアモリ人の神々であれ、だれに仕えるかを今日選びなさい。しかし、私と私の家は主に仕える。」
15Maar zo het u niet kan bevallen, Jahweh te dienen, doet dan heden een keuze, wien ge dan wèl dienen wilt: òf de goden, die uw vaderen aan de overkant van de Rivier hebben gediend, òf de goden der Amorieten, van het land, waarin ge woont. Ik en mijn huis, wij dienen Jahweh!
16民は答えた。「私たちが主を捨て、他の神々に仕えることなど、決してありません。
16Maar het volk gaf ten antwoord: Wij denken er niet aan, Jahweh te verlaten en andere goden te dienen!
17私たちの神、主ご自身が、私たちと父祖たちをエジプトの地、奴隷の家から導き上げ、目の前で大きなしるしを行い、歩んだすべての道と、通り抜けたすべての民の中で守ってくださったからです。
17Want het is Jahweh, onze God, die ons uit Egypteland, uit het slavenhuis heeft geleid, en voor onze eigen ogen die grote tekenen heeft gewrocht; Hij is het, die over ons heeft gewaakt, waarheen we ook gingen, en te midden van alle volken, waar we doorheen zijn getrokken.
18主は、すべての国々の民、すなわちこの地に住んでいたアモリ人を私たちの前から追い出されました。それゆえ、私たちもまた主に仕えます。主が私たちの神だからです。」
18Het is Jahweh, die al die volken met de Amorieten, die het land bewoonden, voor ons uit heeft gedreven. Ook wij zullen Jahweh dienen, want Hij is onze God.
19ヨシュアは民に言った。「あなたがたは主に仕えることができない。主は聖なる神、ねたむ神であり、あなたがたの背きと罪を赦されない。
19Doch Josuë sprak tot het volk: Maar ge zult Jahweh niet kunnen dienen; want Hij is een heilige God, een naijverige God, die uw zonden en misslagen niet zal vergeven.
20もしあなたがたが主を捨てて外国の神々に仕えるなら、主があなたがたに良いことをしてくださった後であっても、主は身を翻してあなたがたに災いを下し、あなたがたを滅ぼし尽くされるであろう。」
20Immers wanneer ge Jahweh verlaat en vreemde goden dient, dan wendt Hij zich af, berokkent u kwaad en vernietigt Hij u, nadat Hij goed voor u is geweest.
21民はヨシュアに言った。「いいえ、私たちは主に仕えます。」
21Maar het volk zei tot Josuë: Niets daarvan; want Jahweh willen we dienen!
22ヨシュアは民に言った。「あなたがたは、自ら主を選んで仕えることの証人である。」 彼らは答えた。「私たちは証人です。」
22Nu sprak Josuë tot het volk: Gij zijt dan voor uzelf getuigen, dat ge zelf hebt gekozen, Jahweh te dienen!
23「それゆえ今、あなたがたの中にある外国の神々を除き去り、イスラエルの神、主にあなたがたの心を向けなさい。」
23Welaan, doet dus de vreemde goden weg, die onder u zijn, en neigt uw hart tot Jahweh, Israëls God.
24民はヨシュアに言った。「私たちは私たちの神、主に仕え、その御声に聞き従います。」
24En het volk zei tot Josuë: Jahweh, onzen God, zullen we dienen en naar zijn stem zullen we luisteren!
25その日、ヨシュアは民と契約を結び、シェケムで彼らのために掟と定めを設けた。
25Diezelfde dag sloot Josuë te Sikem een verbond voor het volk; hij bepaalde voor hen, wat wet was en recht,
26ヨシュアはこれらの言葉を神の律法の書に書き記した。そして大きな石を取り、主の聖所のかたわらにある樫の木の下にそれを立てた。
26en schreef dit alles op in het boek van Gods wet. Toen nam Josuë een grote steen, richtte die ter plaatse onder de eik in Jahweh’s heiligdom op,
27ヨシュアは民すべてに言った。「見よ、この石は私たちに対する証しとなる。主が私たちに語られたすべての言葉を聞いたからである。あなたがたが自分の神を否むことのないよう、この石が証しとなる。」
27en sprak tot het hele volk: Zie, deze steen zal een getuige onder ons zijn; want hij heeft alles gehoord, wat Jahweh met ons heeft besproken. Hij zal een getuige onder u zijn, dat ge uw God niet verloochent!
28こうしてヨシュアは民を、それぞれ自分の相続地へと去らせた。
28Toen liet Josuë het volk gaan, iedereen naar zijn erfdeel.
29これらのことの後、主のしもべ、ヌンの子ヨシュアは死んだ。百十歳であった。
29Na dit alles stierf Josuë, de zoon van Noen, de dienaar van Jahweh, in de ouderdom van honderd tien jaren.
30人々は、エフライムの山地、ガアシュ山の北にあるティムナト・セラにある彼の相続地の境に彼を葬った。
30Men begroef hem op het grondgebied van zijn erfdeel te Timnat-Sérach, dat in het bergland van Efraïm ligt, ten noorden van de berg Gáasj.
31イスラエルは、ヨシュアの生涯と、ヨシュアより長く生き、主がイスラエルのために行われたすべての御業を知っていた長老たちの生涯の間、主に仕えた。
31En Israël diende Jahweh, zolang Josuë leefde, en de oudsten er nog waren, die Josuë overleefden, en die wisten, wat Jahweh voor Israël had gedaan.
32イスラエルの人々がエジプトから携え上ったヨセフの骨は、シェケムに葬られた。そこは、ヤコブがシェケムの父ハモルの子らから銀百ケシタ で買い取った野の一部であり、ヨセフの子らの相続地となった。
32Het gebeente van Josef, dat de Israëlieten uit Egypte hadden meegebracht, begroef men te Sikem op het stuk land, dat Jakob van de zonen van Hemor, den vader van Sikem, voor honderd goudstukken gekocht had, en dat de zonen van Josef als erfelijk bezit hadden gekregen.
33アロンの子エルアザルも死んだ。人々は、エフライムの山地で彼の子ピネハスに与えられていた、ピネハスの丘に彼を葬った。
33Toen ook Elazar, de zoon van Aäron, gestorven was, begroef men hem op de heuvel van zijn zoon Pinechas, welke hem in het bergland van Efraïm was afgestaan.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.