ヨシュア記 10
Freedom Bible (フリーダム・バイブル)Translation
Freedom Bible (フリーダム・バイブル)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1エルサレムの王アドニ・ツェデクは、ヨシュアがアイを占領し、それを完全に滅ぼしたこと、すなわち彼がエリコとその王にしたように、アイとその王にもしたこと、またギベオンの住民がイスラエルと平和を結び、彼らの間にいることを聞いた。
1Toen Adoni-Sédek, de koning van Jerusalem, hoorde, dat Josuë Ai genomen en met de ban had geslagen, dat hij met Ai en zijn koning gedaan had, zoals hij met Jericho en zijn koning had gedaan, en dat de inwoners van Gibon vrede met Israël hadden gemaakt en zich bij hen hadden aangesloten,
2彼らは非常に恐れた。ギベオンは王の町の一つのように大きな町であり、アイよりも大きく、その男たちは皆勇士だったからである。
2werd men zeer bevreesd. Want Gibon was een grote stad, als een van de steden, die een koning hadden; het was groter nog dan Ai, en al zijn mannen waren helden.
3そこでエルサレムの王アドニ・ツェデクは、ヘブロンの王ホハム、ヤルムトの王ピラム、ラキシュの王ヤフィア、エグロンの王デビルに使いを遣わして、言った。
3Daarom zond Adoni-Sédek, Jerusalems koning, aan Hoham, den koning van Hebron, aan Piram, den koning van Jarmoet, aan Jafia, den koning van Lakisj en aan Debir, den koning van Eglon, deze boodschap:
4「私のところに上って来て、私を助けてください。ギベオンを打ちましょう。彼らがヨシュアおよびイスラエルの人々と平和を結んだからです。」
4Komt mij helpen, om Gibon te verslaan, daar het met Josuë en de Israëlieten vrede heeft gesloten.
5そこでアモリ人の五人の王、すなわちエルサレムの王、ヘブロンの王、ヤルムトの王、ラキシュの王、エグロンの王は集まり、彼らとその全軍隊は上って行って、ギベオンに対して宿営し、その町と戦った。
5Hierop rukten de vijf amorietische koningen, de koning van Jerusalem, de koning van Hebron, de koning van Jarmoet, de koning van Lakisj en de koning van Eglon, gezamenlijk met heel hun legermacht uit, legerden zich voor Gibon en vielen het aan.
6ギベオンの男たちは、ギルガルの宿営にいるヨシュアへ使いを遣わして言った。「どうか、しもべたちを見捨てないでください。急いで上って来て、私たちを救い、助けてください。山地に住むアモリ人の王たちが皆、私たちに向かって集まっています。」
6Toen lieten de Gibonieten aan Josuë in het kamp van Gilgal vragen: Laat uw dienaren toch niet in de steek, maar kom hier naar toe, om ons te redden en te helpen; want alle amorietische koningen uit het bergland zijn tezamen tegen ons opgerukt.
7そこでヨシュアは、彼と一緒にいるすべての戦士たち、すべての勇士たちとともにギルガルから上って行った。
7Josuë trok dus van Gilgal op met al het krijgsvolk en met alle dappere helden.
8主はヨシュアに言われた。「彼らを恐れてはならない。わたしは彼らをあなたの手に引き渡したからである。彼らのうち、だれ一人としてあなたの前に立つ者はいない。」
8En Jahweh sprak tot Josuë: Wees niet bang voor hen, want Ik lever ze aan u over; niemand van hen zal tegen u stand kunnen houden.
9それゆえ、ヨシュアは夜通しギルガルから上って行き、突然彼らを襲った。
9Toen Josuë, die de hele nacht van Gilgal uit was voortgetrokken, hen dan ook plotseling overviel,
10主はイスラエルの前で彼らを混乱に陥れ、ギベオンで大いに打ち破られた。イスラエルはベテ・ホロンの上り坂を通って彼らを追い、アゼカとマケダに至るまで打った。
10bracht Jahweh ze voor Israël in verwarring. Men bracht hun te Gibon een grote nederlaag toe, achtervolgde ze langs de bergpas van Bet-Choron, en bleef op hen inslaan tot Azeka en Makkeda toe.
11彼らがイスラエルの前から逃げ、ベテ・ホロンの下り坂にいたとき、主は天からアゼカに至るまで、彼らの上に大きな石を降らせ、彼らは死んだ。イスラエルの人々が剣で殺した者よりも、雹の石で死んだ者の方が多かった。
11En terwijl ze op de helling van Bet-Choron voor de Israëlieten wegvluchtten, wierp Jahweh tot Azeka toe uit de hemel grote stenen op hen neer, waardoor ze gedood werden. Er stierven er meer door de hagelstenen, dan de Israëlieten met het zwaard konden doden.
12主がアモリ人をイスラエルの人々に渡された日、ヨシュアは主に語り、イスラエルの見ている前で言った。「太陽よ、ギベオンの上で止まれ。月よ、アヤロンの谷でとどまれ。」
12Op die dag, toen Jahweh de Amorieten aan de Israëlieten prijs gaf, riep Josuë Jahweh aan, en sprak in het bijzijn van Israël: Zon, sta stil boven Gibon, Maan boven Ajjalons dal.
13民が敵への報復を遂げるまで、太陽は止まり、月はとどまった。これはヤシャルの書に記されているではないか。太陽は天の真ん中にとどまり、ほぼ丸一日、沈むことを急がなかった。
13En de zon stond stil, De maan bleef staan, Tot het volk zich op zijn vijanden had gewroken. (Staat dit niet beschreven in het boek van den Rechtvaardige?) En ongeveer een hele dag lang bleef de zon midden aan de hemel staan, en repte zich niet ten ondergang.
14主が人の声に聞き入れられたこのような日は、後にも先にもなかった。主がイスラエルのために戦われたからである。
14Nooit is er vroeger of later een dag geweest, waarop Jahweh zó de bede van een mens heeft verhoord. Waarachtig, het was Jahweh, die voor Israël streed.
15ヨシュアは全イスラエルとともに、ギルガルの宿営に帰った。
15-
16これら五人の王たちは逃げ、マケダの洞穴に隠れた。
16De vijf genoemde koningen, die op de vlucht waren geslagen, hadden een schuilplaats gezocht in de grot van Makkeda.
17ヨシュアは、「五人の王たちがマケダの洞穴に隠れているのが見つかった」と告げられた。
17Men berichtte het Josuë: De vijf koningen zijn gevonden, ze houden zich schuil in de grot van Makkeda.
18ヨシュアは言った。「大きな石を洞穴の口に転がし、そのそばに男たちを配置して彼らを見張らせなさい。
18Hij zei: Rolt grote stenen voor de ingang van de grot, en plaatst er mannen voor, om hen te bewaken.
19しかしあなたがたはとどまってはならない。あなたがたの敵を追いかけ、その後方を打ちなさい。彼らが自分たちの町々に入るのを許してはならない。あなたがたの神、主が彼らをあなたがたの手に引き渡されたからである。」
19Maar ge moogt uzelf niet ophouden; zet uw vijanden achterna, hakt op hun achterhoede in, en zorgt er voor, dat ze hun steden niet bereiken; Jahweh, uw God, heeft ze u overgeleverd.
20ヨシュアとイスラエルの人々が彼らを激しく打ち、ほとんど滅ぼし尽くしたとき、生き残った者たちは要塞化された町々に入った。
20Toen Josuë en de Israëlieten hen geheel verslagen hadden, en hen een geweldige en volkomen nederlaag hadden doen lijden, zodat slechts enkelen hunner waren ontsnapt, en de versterkte steden konden bereiken,
21その後、民は皆、マケダの宿営にいるヨシュアのもとへ無事に帰った。イスラエルの人々に一言でも逆らう者はいなかった。
21keerde het hele volk behouden naar Josuë in het kamp van Makkeda terug. Niemand had tegen de Israëlieten ook maar zijn tong durven roeren.
22その時ヨシュアは言った。「洞穴の口を開け、あの五人の王たちを洞穴から私のところに引き出しなさい。」
22Nu sprak Josuë: Maakt de ingang van de grot vrij, haalt die vijf koningen er uit, en brengt ze bij me.
23彼らはそのように行い、エルサレムの王、ヘブロンの王、ヤルムトの王、ラキシュの王、エグロンの王というあの五人の王たちを、洞穴から彼のところに引き出した。
23Dit deed men; men haalde de vijf koningen, den koning van Jerusalem, den koning van Hebron, den koning van Jarmoet, den koning van Lakisj en den koning van Eglon uit de grot, en bracht ze bij hem.
24彼らがこれらの王たちをヨシュアのところに引き出したとき、ヨシュアはイスラエルのすべての男たちを呼び寄せ、彼と一緒に行った戦士たちの指揮官たちに言った。「近づいて、この王たちの首の上に足を置きなさい。」 彼らは近づき、その首の上に足を置いた。
24En toen men die koningen bij Josuë had gebracht, riep deze alle Israëlieten tezamen, en sprak tot de aanvoerders van het krijgsvolk, die met hem meegetrokken waren: Komt hier, en zet uw voet op de nek van deze koningen. Ze traden nader, en zetten hun voet op hun nek.
25ヨシュアは彼らに言った。「恐れてはならない。おののいてはならない。強く、また雄々しくありなさい。主はあなたがたが戦うすべての敵に、このようになされるからである。」
25En Josuë sprak: Weest dus niet bang en moedeloos, maar sterk en flink! Want zo zal Jahweh met al uw vijanden doen, tegen wie ge zult strijden.
26その後、ヨシュアは彼らを打って殺し、五本の木に掛けた。彼らは夕方まで木に掛けられていた。
26Hierop sloeg Josuë ze dood, en liet ze opknopen aan vijf palen, waaraan ze tot de avond bleven hangen.
27日が沈むころ、ヨシュアの命令によって、五人の王は木から下ろされ、隠れていた洞穴に投げ込まれた。その入口には大きな石が置かれ、今日まで残っている。
27Bij zonsondergang beval Josuë, ze van de palen af te halen en ze in de grot te smijten, waar ze zich hadden verborgen. Voor de ingang stapelde men grote stenen op, die er nu nog liggen.
28その日、ヨシュアはマケダを占領し、剣の刃で町とその王を打ち、その中のすべての人を聖絶した。一人も残さず、エリコの王にしたように、マケダの王にも行った。
28In die tijd nam Josuë ook Makkeda in, en joeg het met zijn koning over de kling. Hij sloeg de stad en alle levende wezens, die erin waren, met de ban, en spaarde niemand; met den koning van Makkeda deed hij, zoals hij met dien van Jericho had gedaan.
29ヨシュアは全イスラエルとともにマケダからリブナへ進み、リブナと戦った。
29Van Makkeda rukte Josuë met heel Israël verder tegen Libna op, en viel het aan.
30主はリブナとその王をもイスラエルの手に渡された。ヨシュアは剣の刃で町とその中のすべての人を打ち、一人も残さなかった。エリコの王にしたように、その王にも行った。
30En Jahweh leverde ook deze stad met haar koning aan Israël over. Hij joeg haar met alle levende wezens, die erin waren, over de kling, en spaarde er niemand; met haar koning deed hij, zoals hij ook met dien van Jericho had gedaan.
31ヨシュアは全イスラエルとともにリブナからラキシュへ進み、それに対して宿営し、それと戦った。
31Van Libna rukte Josuë met heel Israël tegen Lakisj op, belegerde het en viel het aan.
32主はラキシュをイスラエルの手に渡された。ヨシュアは二日目に町を占領し、リブナにしたのと同じように、町とその中のすべての人を剣の刃で打った。
32En Jahweh leverde Lakisj aan Israël over. Reeds de tweede dag nam hij het in, en joeg de stad met alle levende wezens, die erin waren, over de kling, juist zoals hij met Libna gedaan had.
33その時、ゲゼルの王ホラムがラキシュを助けるために上って来たが、ヨシュアは彼とその民を打ち、一人も生き残らせなかった。
33En Horam, den koning van Gézer, die Lakisj toen nog te hulp kwam, versloeg Josuë, hem en zijn volk, zonder iemand te sparen.
34ヨシュアは全イスラエルとともにラキシュからエグロンへ進んだ。彼らはそれに対して宿営し、それと戦った。
34Van Lakisj rukte Josuë met heel Israël naar Eglon op, belegerde het, en viel het aan.
35彼らはその日のうちに町を占領し、剣の刃で打った。ヨシュアはラキシュにしたのと同じように、その中のすべての人を聖絶した。
35Nog dezelfde dag nam men het in, en joeg hij de stad met alle levende wezens, die erin waren, over de kling. Hij sloeg het met de ban, juist zoals hij met Lakisj gedaan had.
36ヨシュアは全イスラエルとともにエグロンからヘブロンへ上って行き、それと戦った。
36Van Eglon rukte Josuë met heel Israël tegen Hebron op, en viel het aan.
37彼らは町を占領し、町とその王、周囲のすべての町、その中のすべての人を剣の刃で打った。エグロンにしたのと同じように、一人も残さず、町とその中のすべての人を聖絶した。
37Ze namen het in, en joegen de stad met haar koning, en alle bijbehorende stadjes, met alle levende wezens, die erin waren, over de kling. Hij spaarde niemand, juist zoals hij met Eglon had gedaan, maar sloeg de stad en alle levende wezens, die erin waren, met de ban.
38ヨシュアは全イスラエルとともにデビルへ引き返し、それと戦った。
38Vervolgens keerde Josuë zich met heel Israël tegen Debir, en viel het aan.
39ヨシュアは町とその王、周囲のすべての町を占領した。彼らは剣の刃で打ち、その中のすべての人を聖絶して、一人も残さなかった。ヘブロン、リブナとその王にしたように、デビルとその王にも行った。
39Hij nam het in, joeg de stad met haar koning, en alle bijbehorende stadjes, over de kling, en sloeg alle levende wezens, die erin waren, met de ban, zonder iemand te sparen. Zoals hij met Hebron had gedaan, deed hij ook met Debir en zijn koning.
40こうしてヨシュアは、山地、ネゲブ、低地、山腹の全土と、その王たちを打った。一人も残さず、イスラエルの神、主が命じられたとおり、息のあるものをすべて聖絶した。
40Zo trof Josuë het hele land: het bergland en de Négeb, de Sjefela en de streek der hellingen, met al hun koningen; niemand spaarde hij, maar al wat adem had, sloeg hij met de ban, zoals Jahweh, Israëls God, het bevolen had.
41ヨシュアはカデシュ・バルネアからガザに至るまで、またゴシェンの全地方をギベオンに至るまで打った。
41Josuë sloeg hen van Kadesj-Barnéa tot Gaza, met het hele land Gósjen tot Gibon toe.
42イスラエルの神、主がイスラエルのために戦われたので、ヨシュアはこれらすべての王たちとその地を一度に占領した。
42In één slag maakte Josuë zich van al die koningen met hun land meester; want Jahweh, Israëls God, streed voor Israël.
43ヨシュアは全イスラエルとともに、ギルガルの宿営に帰った。
43Toen keerde Josuë met heel Israël naar het kamp in Gilgal terug.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.