4 Mojžíšova 10
Kralice Bible (1613)Translation
Kralice Bible (1613)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1I mluvil Hospodin k Mojžíšovi, řka:
1Nog sprak Jahweh tot Moses:
2Udělej sobě dvě trouby stříbrné. Dílem taženým uděláš je, kterýchž užívati budeš k svolání všeho množství, a když by se mělo hnouti vojsko.
2Maak u twee zilveren trompetten van drijfwerk. Zij zullen dienen, om de gemeenschap bijeen te roepen en de kampen te doen opbreken.
3Protož kdyžkoli zatroubí na ně, shromáždí se k tobě všecko množství ke dveřím stánku úmluvy.
3Blaast men op beide, dan moet heel de gemeenschap zich bij u verzamelen aan de ingang van de openbaringstent.
4Jestliže v jednu toliko zatroubí, tedy shromáždí se k tobě knížata, přední lidu Izraelského.
4Blaast men er één, dan moeten de aanvoerders, de stamhoofden van Israël, zich bij u vervoegen.
5Pakli by s nějakým přetrubováním troubili, hnou se s místa, kteříž leželi k východní straně.
5Maar laat ge ze schetteren, dan moeten de kampen opbreken, die ten oosten zijn gelegerd;
6Když by pak troubili s přetrubováním po druhé, tedy hnou se ti, kteříž leželi ku poledni. S přetrubováním troubiti budou k tažení svému.
6laat ge ze voor de tweede maal schetteren, dan moeten de kampen opbreken, die in het zuiden zijn gelegerd; laat ge ze voor de derde maal schetteren, dan moeten de kampen opbreken, die in het westen zijn gelegerd; en laat ge ze voor de vierde maal schetteren, dan moeten de kampen opbreken, die in het noorden zijn gelegerd. Het schetteren is dus een teken, om op te breken;
7Ale když byste měli svolati všecko množství, prostě bez přetrubování troubiti budete.
7om de gemeente bijeen te roepen, moet ge blazen, maar niet schetteren.
8Synové Aronovi kněží trubami těmi budou troubiti, a bude vám to ustanovení věčné v pronárodech vašich.
8De zonen van Aäron, de priesters, moeten op de trompetten blazen; dit is een eeuwige wet van geslacht tot geslacht.
9Když vyjdete na vojnu v zemi vaší proti nepříteli ssužujícímu vás, s přetrubováním troubiti budete v trouby ty, a budete v paměti před Hospodinem Bohem svým, a zachováni budete od nepřátel svých.
9En wanneer gij in uw land ten strijde trekt tegen den vijand, die u belaagt, dan moet ge op de trompetten schetteren; zo zult ge bij Jahweh, uw God, in herinnering worden gebracht, en van uw vijanden worden verlost.
10V den také veselí vašeho, a při slavnostech svých, a při začátcích měsíců vašich troubiti budete v trouby ty k obětem svým zápalným a pokojným, i budou vám na památku před Bohem vaším: Já Hospodin Bůh váš.
10Ook op uw vreugdedagen en feesten, en op de eerste dag van uw maanden, moet ge bij uw brand- en uw vredeoffers op de trompetten blazen; zo zullen zij u bij uw God in herinnering brengen. Ik ben Jahweh, uw God!
11I stalo se léta druhého, dvadcátý den měsíce druhého, že se vyzdvihl oblak z příbytku svědectví.
11In het tweede jaar, in de tweede maand, op de twintigste dag van de maand verhief zich de wolk boven de verbondstabernakel.
12I táhli synové Izraelští po svých taženích z pouště Sinai; a zastavil se oblak na poušti Fáran.
12Toen braken de Israëlieten op, en trokken van halte tot halte uit de woestijn van de Sinaï weg. Eerst in de woestijn Paran bleef de wolk rusten.
13Takto nejprvé brali se z rozkazu Hospodinova skrze Mojžíše:
13Dit was de eerste keer, dat zij optrokken volgens Jahweh’s bevel, dat hun door Moses was meegedeeld.
14Šla napřed korouhev vojska synů Juda po houfích svých, a nad nimi byl Názon, syn Aminadabův.
14Het eerst trok de banier van het leger der Judeërs op, naar hun afdelingen ingedeeld. Over hun eigen afdeling stond Naässon, de zoon van Amminadab;
15Nad vojskem pak pokolení synů Izachar byl Natanael, syn Suar.
15over de afdeling van de stam der Issakarieten stond Netanel, de zoon van Soear;
16A nad vojskem pokolení synů Zabulon Eliab, syn Helonův.
16over de afdeling van de stam der Zabulonieten stond Eliab, de zoon van Chelon.
17Složen jest také i příbytek, a šli synové Gersonovi a synové Merari nesouce příbytek.
17Dan werd de tabernakel neergehaald, en braken de zonen van Gersjon en Merari op, die de tabernakel moesten dragen.
18Potom šla korouhev vojska Rubenova po houfích svých, a nad nimi byl Elisur, syn Sedeurův.
18Daarna trok de banier van het leger der Rubenieten op, naar hun afdelingen ingedeeld. Over hun eigen afdeling stond Elisoer, de zoon van Sjedeoer;
19Nad vojskem pak pokolení synů Simeon Salamiel, syn Surisaddai.
19over de afdeling van de stam der Simeonieten stond Sjeloemiël, de zoon van Soerisjaddai;
20A nad vojskem pokolení synů Gád Eliazaf, syn Duelův.
20over de afdeling van de stam der Gadieten stond Eljasaf, de zoon van Deoeël.
21Šli také i Kahatští, nesouce svatyni; onino pak vyzdvihovali příbytek, až i tito přišli.
21Dan braken de zonen van Kehat op, die de heilige zaken moesten dragen. Als zij ergens aankwamen, had men de tabernakel weer opgericht.
22Potom šla korouhev vojska synů Efraim po houfích svých, a nad nimi byl Elisama, syn Amiudův.
22Vervolgens trok de banier van het leger der Efraïmieten op, naar hun afdelingen ingedeeld. Over hun eigen afdeling stond Elisjama, de zoon van Ammihoed;
23Nad vojskem pak pokolení synů Manasse Gamaliel, syn Fadasurův.
23over de afdeling van de stam der Manassieten stond Gamliël, de zoon van Pedasoer;
24A nad vojskem pokolení synů Beniamin Abidan, syn Gedeonův.
24over de afdeling van de stam der Benjamieten stond Abidan, de zoon van Gidoni.
25Šla potom i korouhev vojska synů Dan, obsahující ostatek vojska po houfích svých, a nad vojskem jeho Ahiezer, syn Amisaddai.
25Als achterhoede van alle legers trok de banier van het leger der Danieten op, naar hun afdelingen ingedeeld. Over hun eigen afdeling stond Achiézer, de zoon van Ammisjaddai.
26Nad vojskem pak pokolení synů Asser Fegiel, syn Ochranův.
26Over de afdeling van de stam der Aserieten stond Pagiël, de zoon van Okran;
27A nad vojskem pokolení synů Neftalím Ahira, syn Enanův.
27over de afdeling van de stam der Neftalieten stond Achira, de zoon van Enan.
28Ta jsou tažení synů Izraelských po houfích jejich, a tím pořádkem táhli.
28Dit was de rangschikking der Israëlieten, ingedeeld naar hun afdelingen. Toen zij vertrokken,
29Řekl pak Mojžíš Chobabovi, synu Raguelovu Madianskému, tchánu svému: My se béřeme k místu, o kterémž řekl Hospodin: Dám je vám. Protož poď s námi, a dobře učiníme tobě; nebo Hospodin mnoho dobrého zaslíbil Izraelovi.
29sprak Moses tot zijn schoonvader Chobab, den zoon van Reoeël, den Midjaniet: Wij vertrekken naar de plaats, die Jahweh ons beloofd heeft te geven. Ga met ons mee, en wij zullen goed voor u zijn; want Jahweh heeft geluk beloofd aan Israël.
30Kterýž odpověděl jemu: Nepůjdu, ale k zemi své a k příbuznosti své se navrátím.
30Maar hij gaf hem ten antwoord: Ik ga niet met u mee, maar ik vertrek naar mijn land en mijn geboortegrond.
31I řekl Mojžíš: Neopouštěj medle nás; nebo ty jsi svědom na poušti, kde bychom se měli klásti, a budeš nám za vůdce.
31Hij sprak: Verlaat ons toch niet; want gij kent de geschikte legerplaatsen voor ons in de woestijn, en gij kunt onze gids zijn.
32Když pak půjdeš s námi, a přijde to dobré, jímž dobře učiní nám Hospodin, tedy i tobě dobře učiníme.
32Wanneer gij met ons meegaat, dan zullen wij ook u in de voorspoed doen delen, die Jahweh ons zal schenken.
33A tak brali se od hory Hospodinovy cestou tří dnů, (a truhla smlouvy Hospodinovy předcházela je,) cestou tří dnů, pro vyhlédání sobě místa k odpočinutí.
33Zo trokken zij weg van de berg van Jahweh drie dagreizen ver. Want de ark van Jahweh’s Verbond ging drie dagen lang voor hen uit, om voor hen een rustplaats te zoeken;
34A oblak Hospodinův byl nad nimi ve dne, když se hýbali z ležení.
34ook toen zij uit de legerplaats waren opgetrokken, bleef de wolk van Jahweh overdag boven hen.
35Když pak počínali jíti s truhlou, říkával Mojžíš: Povstaniž Hospodine, a rozptýleni buďte nepřátelé tvoji, a ať utíkají před tváří tvou, kteříž tě v nenávisti mají.
35Als de ark dan optrok, sprak Moses: Rijs op, Jahweh, en uw vijanden stuiven uiteen, Die U haten vluchten weg voor uw aanschijn!
36Když pak stavína byla, říkával: Navratiž se, Hospodine, k desíti tisícům tisíců Izraelských.
36En als zij stil hield, sprak hij: Zet U neder, o Jahweh Bij de duizend maal tienduizenden van Israël!
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.