בְּמִדְבַּר

New Testament

מתיוסנט מארקהבְּשׂוֹרָה הַקְּדוֹשָׁה עַל־פִּי לוּקָסג'וןמַעֲשֵׂי הַשְּׁלִיחִיםאִגֶּרֶת פּוֹלוֹס הַשָּׁלִיחַ אֶל־הָרוֹמִיִּיםאִגֶּרֶת פּוֹלוֹס הָרִאשׁוֹנָה אֶל־הַקּוֹרִנְתִּיִּיםאִגֶּרֶת פּוֹלוֹס הָשֵּׁנִית אֶל־הַקּוֹרִנְתִּיִיםאִגֶּרֶת פּוֹלוֹס הַשָּׁלִיחַ אֶל־הַגָּלָטִיִּיםאִגֶּרֶת פּוֹלוֹס הַשָּׁלִיחַ אֶל־הָאֶפְסִיִּיםאִגֶּרֶת פּוֹלוֹס הַשָּׁלִיחַ אֶל־הַפִּילִפִּיִּיםאִגֶּרֶת פּוֹלוֹס הַשָּׁלִיחַ אֶל־הַקּוֹלַסִּים1 סלוניס2 סלוניס1 טימותי2 טימותיאִגֶּרֶת פּוֹלוֹס אֶל־טִיטוֹסאִגֶּרֶת פּוֹלוֹס אֶל־פִּילֵימוֹןאִגֶּרֶת אֶל־הָעִבְרִיםאִגֶּרֶת יַעֲקֹבהָאִגֶּרֶת הָרִאשׁוֹנָה לְפֶטְרוֹס הַשָּׁלִיחַהָאִגֶּרֶת הַשֵּׁנִית לְפֶטְרוֹס הַשָּׁלִיחַהָאִגֶּרֶת הָרִאשׁוֹנָה לְיוֹחָנָן הַשָּׁלִיחַהָאִגֶּרֶת הַשֵּׁנִית לְיוֹחָנָן הַשָּׁלִיחַהָאִגֶּרֶת הַשְּׁלִישִׁית לְיוֹחָנָן הַשָּׁלִיחַאִגֶּרֶת יְהוּדָהחזוֹן יוֹחָנָן
Chapter 10
Modern Hebrew Bible
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers

בְּמִדְבַּר 10

Modern Hebrew Bible
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1וידבר יהוה אל משה לאמר׃
1Nog sprak Jahweh tot Moses:
2עשה לך שתי חצוצרת כסף מקשה תעשה אתם והיו לך למקרא העדה ולמסע את המחנות׃
2Maak u twee zilveren trompetten van drijfwerk. Zij zullen dienen, om de gemeenschap bijeen te roepen en de kampen te doen opbreken.
3ותקעו בהן ונועדו אליך כל העדה אל פתח אהל מועד׃
3Blaast men op beide, dan moet heel de gemeenschap zich bij u verzamelen aan de ingang van de openbaringstent.
4ואם באחת יתקעו ונועדו אליך הנשיאים ראשי אלפי ישראל׃
4Blaast men er één, dan moeten de aanvoerders, de stamhoofden van Israël, zich bij u vervoegen.
5ותקעתם תרועה ונסעו המחנות החנים קדמה׃
5Maar laat ge ze schetteren, dan moeten de kampen opbreken, die ten oosten zijn gelegerd;
6ותקעתם תרועה שנית ונסעו המחנות החנים תימנה תרועה יתקעו למסעיהם׃
6laat ge ze voor de tweede maal schetteren, dan moeten de kampen opbreken, die in het zuiden zijn gelegerd; laat ge ze voor de derde maal schetteren, dan moeten de kampen opbreken, die in het westen zijn gelegerd; en laat ge ze voor de vierde maal schetteren, dan moeten de kampen opbreken, die in het noorden zijn gelegerd. Het schetteren is dus een teken, om op te breken;
7ובהקהיל את הקהל תתקעו ולא תריעו׃
7om de gemeente bijeen te roepen, moet ge blazen, maar niet schetteren.
8ובני אהרן הכהנים יתקעו בחצצרות והיו לכם לחקת עולם לדרתיכם׃
8De zonen van Aäron, de priesters, moeten op de trompetten blazen; dit is een eeuwige wet van geslacht tot geslacht.
9וכי תבאו מלחמה בארצכם על הצר הצרר אתכם והרעתם בחצצרות ונזכרתם לפני יהוה אלהיכם ונושעתם מאיביכם׃
9En wanneer gij in uw land ten strijde trekt tegen den vijand, die u belaagt, dan moet ge op de trompetten schetteren; zo zult ge bij Jahweh, uw God, in herinnering worden gebracht, en van uw vijanden worden verlost.
10וביום שמחתכם ובמועדיכם ובראשי חדשיכם ותקעתם בחצצרת על עלתיכם ועל זבחי שלמיכם והיו לכם לזכרון לפני אלהיכם אני יהוה אלהיכם׃
10Ook op uw vreugdedagen en feesten, en op de eerste dag van uw maanden, moet ge bij uw brand- en uw vredeoffers op de trompetten blazen; zo zullen zij u bij uw God in herinnering brengen. Ik ben Jahweh, uw God!
11ויהי בשנה השנית בחדש השני בעשרים בחדש נעלה הענן מעל משכן העדת׃
11In het tweede jaar, in de tweede maand, op de twintigste dag van de maand verhief zich de wolk boven de verbondstabernakel.
12ויסעו בני ישראל למסעיהם ממדבר סיני וישכן הענן במדבר פארן׃
12Toen braken de Israëlieten op, en trokken van halte tot halte uit de woestijn van de Sinaï weg. Eerst in de woestijn Paran bleef de wolk rusten.
13ויסעו בראשנה על פי יהוה ביד משה׃
13Dit was de eerste keer, dat zij optrokken volgens Jahweh’s bevel, dat hun door Moses was meegedeeld.
14ויסע דגל מחנה בני יהודה בראשנה לצבאתם ועל צבאו נחשון בן עמינדב׃
14Het eerst trok de banier van het leger der Judeërs op, naar hun afdelingen ingedeeld. Over hun eigen afdeling stond Naässon, de zoon van Amminadab;
15ועל צבא מטה בני יששכר נתנאל בן צוער׃
15over de afdeling van de stam der Issakarieten stond Netanel, de zoon van Soear;
16ועל צבא מטה בני זבולן אליאב בן חלון׃
16over de afdeling van de stam der Zabulonieten stond Eliab, de zoon van Chelon.
17והורד המשכן ונסעו בני גרשון ובני מררי נשאי המשכן׃
17Dan werd de tabernakel neergehaald, en braken de zonen van Gersjon en Merari op, die de tabernakel moesten dragen.
18ונסע דגל מחנה ראובן לצבאתם ועל צבאו אליצור בן שדיאור׃
18Daarna trok de banier van het leger der Rubenieten op, naar hun afdelingen ingedeeld. Over hun eigen afdeling stond Elisoer, de zoon van Sjedeoer;
19ועל צבא מטה בני שמעון שלמיאל בן צורי שדי׃
19over de afdeling van de stam der Simeonieten stond Sjeloemiël, de zoon van Soerisjaddai;
20ועל צבא מטה בני גד אליסף בן דעואל׃
20over de afdeling van de stam der Gadieten stond Eljasaf, de zoon van Deoeël.
21ונסעו הקהתים נשאי המקדש והקימו את המשכן עד באם׃
21Dan braken de zonen van Kehat op, die de heilige zaken moesten dragen. Als zij ergens aankwamen, had men de tabernakel weer opgericht.
22ונסע דגל מחנה בני אפרים לצבאתם ועל צבאו אלישמע בן עמיהוד׃
22Vervolgens trok de banier van het leger der Efraïmieten op, naar hun afdelingen ingedeeld. Over hun eigen afdeling stond Elisjama, de zoon van Ammihoed;
23ועל צבא מטה בני מנשה גמליאל בן פדהצור׃
23over de afdeling van de stam der Manassieten stond Gamliël, de zoon van Pedasoer;
24ועל צבא מטה בני בנימן אבידן בן גדעוני׃
24over de afdeling van de stam der Benjamieten stond Abidan, de zoon van Gidoni.
25ונסע דגל מחנה בני דן מאסף לכל המחנת לצבאתם ועל צבאו אחיעזר בן עמישדי׃
25Als achterhoede van alle legers trok de banier van het leger der Danieten op, naar hun afdelingen ingedeeld. Over hun eigen afdeling stond Achiézer, de zoon van Ammisjaddai.
26ועל צבא מטה בני אשר פגעיאל בן עכרן׃
26Over de afdeling van de stam der Aserieten stond Pagiël, de zoon van Okran;
27ועל צבא מטה בני נפתלי אחירע בן עינן׃
27over de afdeling van de stam der Neftalieten stond Achira, de zoon van Enan.
28אלה מסעי בני ישראל לצבאתם ויסעו׃
28Dit was de rangschikking der Israëlieten, ingedeeld naar hun afdelingen. Toen zij vertrokken,
29ויאמר משה לחבב בן רעואל המדיני חתן משה נסעים אנחנו אל המקום אשר אמר יהוה אתו אתן לכם לכה אתנו והטבנו לך כי יהוה דבר טוב על ישראל׃
29sprak Moses tot zijn schoonvader Chobab, den zoon van Reoeël, den Midjaniet: Wij vertrekken naar de plaats, die Jahweh ons beloofd heeft te geven. Ga met ons mee, en wij zullen goed voor u zijn; want Jahweh heeft geluk beloofd aan Israël.
30ויאמר אליו לא אלך כי אם אל ארצי ואל מולדתי אלך׃
30Maar hij gaf hem ten antwoord: Ik ga niet met u mee, maar ik vertrek naar mijn land en mijn geboortegrond.
31ויאמר אל נא תעזב אתנו כי על כן ידעת חנתנו במדבר והיית לנו לעינים׃
31Hij sprak: Verlaat ons toch niet; want gij kent de geschikte legerplaatsen voor ons in de woestijn, en gij kunt onze gids zijn.
32והיה כי תלך עמנו והיה הטוב ההוא אשר ייטיב יהוה עמנו והטבנו לך׃
32Wanneer gij met ons meegaat, dan zullen wij ook u in de voorspoed doen delen, die Jahweh ons zal schenken.
33ויסעו מהר יהוה דרך שלשת ימים וארון ברית יהוה נסע לפניהם דרך שלשת ימים לתור להם מנוחה׃
33Zo trokken zij weg van de berg van Jahweh drie dagreizen ver. Want de ark van Jahweh’s Verbond ging drie dagen lang voor hen uit, om voor hen een rustplaats te zoeken;
34וענן יהוה עליהם יומם בנסעם מן המחנה׃
34ook toen zij uit de legerplaats waren opgetrokken, bleef de wolk van Jahweh overdag boven hen.
35ויהי בנסע הארן ויאמר משה קומה יהוה ויפצו איביך וינסו משנאיך מפניך׃
35Als de ark dan optrok, sprak Moses: Rijs op, Jahweh, en uw vijanden stuiven uiteen, Die U haten vluchten weg voor uw aanschijn!
36ובנחה יאמר שובה יהוה רבבות אלפי ישראל׃
36En als zij stil hield, sprak hij: Zet U neder, o Jahweh Bij de duizend maal tienduizenden van Israël!

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.