Numeri 10
Diodati Bibbia 1885Translation
Diodati Bibbia 1885
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1IL Signore parlò ancora a Mosè, dicendo:
1Nog sprak Jahweh tot Moses:
2Fatti due trombe d'argento, di lavoro tirato al martello, e servitene per adunar la raunanza, e per far movere i campi.
2Maak u twee zilveren trompetten van drijfwerk. Zij zullen dienen, om de gemeenschap bijeen te roepen en de kampen te doen opbreken.
3E quando si sonerà con amendue, adunisi tutta la raunanza appresso di te, all'entrata del Tabernacolo della convenenza.
3Blaast men op beide, dan moet heel de gemeenschap zich bij u verzamelen aan de ingang van de openbaringstent.
4E quando si sonerà con una solamente , aduninsi appresso di te i principali, i capi delle migliaia d'Israele.
4Blaast men er één, dan moeten de aanvoerders, de stamhoofden van Israël, zich bij u vervoegen.
5E quando voi sonerete con suono squillante, movansi i campi posti verso il levante.
5Maar laat ge ze schetteren, dan moeten de kampen opbreken, die ten oosten zijn gelegerd;
6E quando voi sonerete con suono squillante la seconda volta, movansi i campi posti verso il mezzodì. Suonisi con suono squillante ogni volta che i campi dovranno moversi.
6laat ge ze voor de tweede maal schetteren, dan moeten de kampen opbreken, die in het zuiden zijn gelegerd; laat ge ze voor de derde maal schetteren, dan moeten de kampen opbreken, die in het westen zijn gelegerd; en laat ge ze voor de vierde maal schetteren, dan moeten de kampen opbreken, die in het noorden zijn gelegerd. Het schetteren is dus een teken, om op te breken;
7Ma quando voi adunerete la raunanza, sonate, ma non con suono squillante.
7om de gemeente bijeen te roepen, moet ge blazen, maar niet schetteren.
8E suonino i figliuoli di Aaronne, sacerdoti, con quelle trombe; e usatele per istatuto perpetuo, per le vostre generazioni.
8De zonen van Aäron, de priesters, moeten op de trompetten blazen; dit is een eeuwige wet van geslacht tot geslacht.
9E quando nel vostro paese voi entrerete in battaglia contro al nemico che vi assalirà, allora sonate con le trombe, con suono squillante, ed e' sovverrà di voi al Signore Iddio vostro; e sarete salvati da' vostri nemici.
9En wanneer gij in uw land ten strijde trekt tegen den vijand, die u belaagt, dan moet ge op de trompetten schetteren; zo zult ge bij Jahweh, uw God, in herinnering worden gebracht, en van uw vijanden worden verlost.
10Parimente a' giorni delle vostre allegrezze, e nelle vostre feste solenni, e nelle vostre calendi, sonate con le trombe, offerendo i vostri olocausti, e i vostri sacrificii da render grazie; ed esse vi saranno per ricordanza nel cospetto dell'Iddio vostro. Io sono il Signore Iddio vostro.
10Ook op uw vreugdedagen en feesten, en op de eerste dag van uw maanden, moet ge bij uw brand- en uw vredeoffers op de trompetten blazen; zo zullen zij u bij uw God in herinnering brengen. Ik ben Jahweh, uw God!
11OR nell'anno secondo, nel secondo mese, nel ventesimo giorno del mese, avvenne che la nuvola si alzò d'in sul Tabernacolo della Testimonianza.
11In het tweede jaar, in de tweede maand, op de twintigste dag van de maand verhief zich de wolk boven de verbondstabernakel.
12E i figliuoli d'Israele si mossero, secondo l'ordine del le lor mosse, dal deserto di Sinai; e la nuvola stanziò nel deserto di Paran.
12Toen braken de Israëlieten op, en trokken van halte tot halte uit de woestijn van de Sinaï weg. Eerst in de woestijn Paran bleef de wolk rusten.
13Così si mossero la prima volta, secondo che il Signore avea comandato per Mosè.
13Dit was de eerste keer, dat zij optrokken volgens Jahweh’s bevel, dat hun door Moses was meegedeeld.
14E la bandiera del campo de' figliuoli di Giuda si mosse la primiera, distinta per le sue schiere; essendo Naasson figliuolo di Amminadab, capo dell'esercito de' figliuoli di Giuda;
14Het eerst trok de banier van het leger der Judeërs op, naar hun afdelingen ingedeeld. Over hun eigen afdeling stond Naässon, de zoon van Amminadab;
15e Natanael, figliuolo di Suar, capo dell'esercito della tribù de' figliuoli d'Issacar;
15over de afdeling van de stam der Issakarieten stond Netanel, de zoon van Soear;
16ed Eliab, figliuolo di Helon, capo dell'esercito della tribù de' figliuoli di Zabulon.
16over de afdeling van de stam der Zabulonieten stond Eliab, de zoon van Chelon.
17E, dopo che il Tabernacolo fu posto giù, i figliuoli di Gherson, e i figliuoli di Merari, si mossero, portando il Tabernacolo.
17Dan werd de tabernakel neergehaald, en braken de zonen van Gersjon en Merari op, die de tabernakel moesten dragen.
18Appresso si mosse la bandiera del campo di Ruben, distinta per le sue schiere; essendo Elisur, figliuolo di Sedeur, capo dell'esercito di Ruben;
18Daarna trok de banier van het leger der Rubenieten op, naar hun afdelingen ingedeeld. Over hun eigen afdeling stond Elisoer, de zoon van Sjedeoer;
19e Selumiel, figliuolo di Surisaddai, capo dell'esercito della tribù de' figliuoli di Simeone;
19over de afdeling van de stam der Simeonieten stond Sjeloemiël, de zoon van Soerisjaddai;
20ed Eliasaf, figliuolo di Deuel, capo dell'esercito della tribù de' figliuoli di Gad.
20over de afdeling van de stam der Gadieten stond Eljasaf, de zoon van Deoeël.
21Poi si mossero i Chehatiti, che portavano il Santuario; e mentre essi arrivavano, gli altri rizzavano il Tabernacolo.
21Dan braken de zonen van Kehat op, die de heilige zaken moesten dragen. Als zij ergens aankwamen, had men de tabernakel weer opgericht.
22Appresso si mosse la bandiera del campo de' figliuoli di Efraim, distinta per le sue schiere; essendo Elisama, figliuolo di Ammiud, capo dell'esercito de' figliuoli di Efraim;
22Vervolgens trok de banier van het leger der Efraïmieten op, naar hun afdelingen ingedeeld. Over hun eigen afdeling stond Elisjama, de zoon van Ammihoed;
23e Gamliel, figliuolo di Pedasur, capo dell'esercito della tribù de' figliuoli di Manasse;
23over de afdeling van de stam der Manassieten stond Gamliël, de zoon van Pedasoer;
24e Abidan, figliuolo di Ghidoni, capo dell'esercito della tribù de' figliuoli di Beniamino.
24over de afdeling van de stam der Benjamieten stond Abidan, de zoon van Gidoni.
25Appresso si mosse la bandiera del campo de' figliuoli di Dan, distinta per le sue schiere; facendo retroguardia a tutti i campi; essendo Ahiezer, figliuolo di Ammisaddai, capo dell'esercito di Dan;
25Als achterhoede van alle legers trok de banier van het leger der Danieten op, naar hun afdelingen ingedeeld. Over hun eigen afdeling stond Achiézer, de zoon van Ammisjaddai.
26e Paghiel, figliuolo di Ocran, capo dell'esercito della tribù de' figliuoli di Aser;
26Over de afdeling van de stam der Aserieten stond Pagiël, de zoon van Okran;
27e Ahira, figliuolo di Enan, capo dell'esercito della tribù de' figliuoli di Neftali.
27over de afdeling van de stam der Neftalieten stond Achira, de zoon van Enan.
28Queste erano le mosse de' figliuoli di Israele, distinti per le loro schiere, quando si movevano.
28Dit was de rangschikking der Israëlieten, ingedeeld naar hun afdelingen. Toen zij vertrokken,
29Or Mosè disse a Hobab, figliuolo di Reuel, Madianita, suo suocero: Noi ci partiamo per andare al luogo del quale il Signore ha detto: Io vel darò; vieni con noi, e noi ti faremo del bene; conciossiachè il Signore abbia promesso del bene a Israele.
29sprak Moses tot zijn schoonvader Chobab, den zoon van Reoeël, den Midjaniet: Wij vertrekken naar de plaats, die Jahweh ons beloofd heeft te geven. Ga met ons mee, en wij zullen goed voor u zijn; want Jahweh heeft geluk beloofd aan Israël.
30Ed egli gli disse: Io non vi andrò; anzi me ne andrò al mio paese, e al mio parentado.
30Maar hij gaf hem ten antwoord: Ik ga niet met u mee, maar ik vertrek naar mijn land en mijn geboortegrond.
31Ma Mosè gli disse: Deh! non lasciarci; perciocchè, conoscendo tu i luoghi dove noi abbiamo da accamparci nel deserto, tu ci servirai di occhi.
31Hij sprak: Verlaat ons toch niet; want gij kent de geschikte legerplaatsen voor ons in de woestijn, en gij kunt onze gids zijn.
32E se tu vieni con noi, quando sarà avvenuto quel bene che il Signore ci vuol fare, noi ti faremo del bene.
32Wanneer gij met ons meegaat, dan zullen wij ook u in de voorspoed doen delen, die Jahweh ons zal schenken.
33Così si partirono dal Monte del Signore; e fecero il cammino di tre giornate, andando l'Arca del Patto del Signore davanti a loro tre giornate, per investigar loro un luogo di riposo.
33Zo trokken zij weg van de berg van Jahweh drie dagreizen ver. Want de ark van Jahweh’s Verbond ging drie dagen lang voor hen uit, om voor hen een rustplaats te zoeken;
34E quando si movevano dal luogo ove erano stati accampati, la nuvola del Signore era sopra loro, di giorno.
34ook toen zij uit de legerplaats waren opgetrokken, bleef de wolk van Jahweh overdag boven hen.
35E, quando l'Arca si moveva, Mosè diceva: Levati su, o Signore, e sieno dispersi i tuoi nemici; e quelli che ti odiano fuggiranno per la tua presenza.
35Als de ark dan optrok, sprak Moses: Rijs op, Jahweh, en uw vijanden stuiven uiteen, Die U haten vluchten weg voor uw aanschijn!
36E, quando ella si posava, diceva: O Signore, riconduci le diecine delle migliaia delle schiere d'Israele.
36En als zij stil hield, sprak hij: Zet U neder, o Jahweh Bij de duizend maal tienduizenden van Israël!
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.