Numeri 26
Diodati Bibbia 1885Translation
Diodati Bibbia 1885
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1ORA, dopo quella piaga, il Signore disse a Mosè e ad Eleazaro, figliuolo d'Aaronne, Sacerdote:
1Na de ramp sprak God tot Moses en tot Elazar, den zoon van den priester Aäron:
2Levate la somma di tutta la raunanza de' figliuoli d'Israele, annoverando dall'età di vent'anni in su, per le nazioni loro paterne, tutti quelli che possono andare alla guerra in Israele.
2Neemt het getal op van heel de gemeenschap der Israëlieten van twintig jaar af, alle strijdbare mannen in Israël naar hun families.
3Mosè adunque, e il Sacerdote Eleazaro, parlarono loro nelle campagne di Moab, presso al Giordano di Gerico, dicendo :
3Moses en de priester Elazar monsterden ze dus in de velden van Moab aan de Jordaan bij Jericho,
4Annoverate il popolo , dall'età di vent'anni in su; come il Signore avea comandato a Mosè, e ai figliuoli d'Israele, ch'erano usciti del paese di Egitto.
4van twintig jaar af, zoals Jahweh het Moses bevolen had. Dit waren de Israëlieten die uit Egypte waren getrokken:
5Il primogenito d'Israele fu Ruben. I figliuoli di Ruben furono , di Hanoc, la nazione degli Hanochiti; di Pallu, la nazione de' Palluiti;
5Ruben, Israëls eerstgeborene. De geslachten der Rubenieten waren: Het geslacht der Chanokieten van Chanok; het geslacht der Palloeïeten van Palloe;
6di Hesron, la nazione degli Hesroniti; di Carmi, la nazione dei Carmiti.
6het geslacht der Chesronieten van Chesron; het geslacht der Karmieten van Karmi.
7Queste sono le nazioni de' Rubeniti, e gli annoverati fra loro furono quarantatremila settecentrenta.
7Dit waren de geslachten der Rubenieten; hun gemonsterden telden drie en veertig duizend zevenhonderd dertig man.
8Di Pallu fu figliuolo Eliab.
8De zoon van Palloe was Eliab.
9E i figliuoli di Eliab furono Nemuel, Datan e Abiram. Questo è quel Datan e quell'Abiram, d'infra quelli che si chiamavano alla raunata del popolo, i quali si sollevarono contro a Mosè e contro ad Aaronne, quando Core fece la sua massa, ed essi si sollevarono contro al Signore.
9De zonen van Eliab waren: Nemoeël, Datan, en Abiram. Deze Datan en Abiram waren de voormannen geweest, die met de aanhang van Kore tegen Moses en Aäron in verzet waren gekomen bij de opstand tegen Jahweh.
10E la terra aperse la sua bocca, e li tranghiottì; insieme con Core, che morì quando morì quella raunata, quando il fuoco consumò i dugencinquant'uomini, i quali furono per segno.
10De aarde had haar muil geopend en hen met Kore verslonden, toen de bende omkwam, en het vuur de twee honderd vijftig mannen verteerde, zodat zij een waarschuwend teken werden.
11Or i figliuoli di Core non morirono.
11De zonen van Kore waren echter niet omgekomen.
12I figliuoli di Simeone, distinti per le lor nazioni, furono , di Nemuel, la nazione de' Nemueliti; di Giamin, la nazione de' Giaminiti; di Giachin, la nazione de' Giachiniti;
12De geslachten der Simeonieten waren: Het geslacht der Nemoeëlieten van Nemoeël; het geslacht der Jaminieten van Jamin; het geslacht der Jakinieten van Jakin;
13di Zera, la nazione de' Zeraiti; e di Saul, la nazione de' Sauliti.
13het geslacht der Zarchieten van Zérach; het geslacht der Sjaoelieten van Sjaoel.
14Queste sono le nazioni de' Simeoniti, de' quali gli annoverati furono ventiduemila dugento.
14Dit waren de geslachten der Simeonieten; hun gemonsterden telden twee en twintig duizend tweehonderd man.
15I figliuoli di Gad, distinti per le lor nazioni, furono , di Sefon, la nazione dei Sefoniti; d'Hagghi, la nazione degli Hagghiti; di Suni, la nazione de' Suniti;
15De geslachten der Gadieten waren: het geslacht der Sefonieten van Sefon; het geslacht der Chaggieten van Chaggi; het geslacht der Sjoenieten van Sjoeni;
16d'Ozni, la nazione degli Ozniti; di Eri, la nazione degli Eriti; di Arod, la nazione degli Aroditi;
16het geslacht der Oznieten van Ozni; het geslacht der Erieten van Eri;
17e di Areel, la nazione degli Areeliti.
17het geslacht der Arodieten van Arod, het geslacht der Arelieten van Areli.
18Queste sono le nazioni de' figliuoli di Gad, secondo i loro annoverati, che furono quarantamila cinquecento.
18Dit waren de geslachten van de Gadieten; hun gemonsterden telden veertig duizend vijfhonderd man.
19I figliuoli di Giuda furono Er e Onan. Ora Er e Onan morirono nel paese di Canaan.
19De zonen van Juda waren: Er en Onan. Er en Onan waren in het land Kanaän gestorven.
20E i figliuoli di Giuda, distinti per le lor nazioni, furono, di Sela, la nazione de' Selaniti; di Fares, la nazione de' Farsiti; di Zara, la nazione degli Zariti.
20De geslachten van de Judeërs waren: het geslacht der Sjelanieten van Sjela; het geslacht der Farsieten van Fares; het geslacht der Zarieten van Zara.
21E i figliuoli di Fares furono , di Hesron, la nazione degli Hesroniti; e di Hamul, la nazione degli Hamuliti.
21De zonen van Fares waren: het geslacht der Esronieten van Esron; het geslacht der Chamoelieten van Chamoel.
22Queste sono le nazioni di Giuda, secondo i loro annoverati, che furono settantaseimila cinquecento.
22Dit waren de geslachten van Juda; hun gemonsterden telden zes en zeventig duizend vijfhonderd man.
23I figliuoli d'Issacar, distinti per le lor nazioni, furono , di Tola, la nazione dei Tolaiti; di Puva, la nazione de' Puviti;
23De geslachten der Issakarieten waren: Het geslacht der Tolaïeten van Tola; het geslacht der Poewwieten van Poewwa;
24di Giasub, la nazione de' Giasubiti; e di Simron, la nazione de' Simroniti.
24het geslacht der Jasjoebieten van Jasjoeb; het geslacht der Sjimronieten van Sjimron.
25Queste sono le nazioni d'Issacar, sedondo i loro annoverati, che furono sessantaquattromila trecento.
25Dit waren de geslachten van Issakar; hun gemonsterden telden vier en zestig duizend driehonderd man.
26I figliuoli di Zabulon, distinti per le lor nazioni, furono , di Sered, la nazione de' Sarditi; di Elon, la nazione degli Eloniti; e di Gialeel, la nazione de' Gialeeliti.
26De geslachten der Zabulonieten waren: Het geslacht der Sardieten van Séred; het geslacht der Elonieten van Elon; het geslacht der Jachleëlieten van Jachleël.
27Queste sono le nazioni degli Zabuloniti, secondo i loro annoverati, che furono sessantamila cinquecento.
27Dit waren de geslachten der Zabulonieten; hun gemonsterden telden zestig duizend vijfhonderd man.
28I figliuoli di Giuseppe, distinti per le lor nazioni, furono Manasse ed Efraim.
28De zonen van Josef waren Manasse en Efraïm.
29I figliuoli di Manasse furono , di Machir, la nazione de' Machariti. E Machir generò Galaad, e di Galaad discese la nazione de' Galaaditi.
29De geslachten der Manassieten waren: het geslacht der Makirieten van Makir. Makir bracht Gilad voort; het geslacht der Giladieten van Gilad.
30Questi sono i figliuoli di Galaad: di Iezer, la nazione degl'Iezeriti; di Helec, la nazione degli Helchiti;
30Dit waren de zonen van Gilad: het geslacht der Iëzerieten van Iézer; het geslacht der Chelkieten van Chélek;
31di Asriel, la nazione degli Asrieliti; di Sechem, la nazione de' Sechemiti;
31het geslacht der Asriëlieten van Asriël; het geslacht der Sjikmieten van Sjékem;
32di Semida, la nazione de' Semidaiti; e di Hefer, la nazione degli Heferiti.
32het geslacht der Sjemidaïeten van Sjemida; het geslacht der Chefrieten van Chéfer.
33Or Selofad, figliuolo di Hefer, non ebbe figliuoli maschi , ma sol figliuole, i cui nomi erano Mala, Noa, Hogla, Milca, e Tirsa.
33Selofchad, de zoon van Chéfer, had geen zonen, maar alleen dochters; de dochters van Selofchad heetten Machla, Noa, Chogla, Milka en Tirsa.
34Queste sono le nazioni di Manasse, delle quali gli annoverati furono cinquantaduemila settecento.
34Dit waren de geslachten van Manasse; hun gemonsterden telden twee en vijftig duizend zevenhonderd man.
35Questi sono i figliuoli di Efraim, distinti per le lor nazioni: di Sutela, la nazione de' Sutelaiti; di Becher, la nazione de' Bacriti; di Tahan, la nazione de' Tahaniti.
35De geslachten der Efraïmieten waren: het geslacht der Sjoetalchieten van Sjoetélach; het geslacht der Bakrieten van Béker; het geslacht der Tachanieten van Táchan.
36E questi sono i figliuoli di Sutela: di Eran, la nazione degli Eraniti.
36En dit waren de zonen van Sjoetélach: het geslacht der Eranieten van Eran.
37Queste sono le nazioni de' figliuoli d'Efraim, secondo i loro annoverati, che furono trentaduemila cinquecento. Questi sono i figliuoli di Giuseppe, distinti per le lor nazioni.
37Dit waren de geslachten der Efraïmieten; hun gemonsterden telden twee en dertig duizend vijfhonderd man. Dit waren de zonen van Josef volgens hun geslachten.
38I figliuoli di Beniamino, distinti per le lor nazioni, furono , di Bela, la nazione de' Belaiti; di Asbel, la nazione degli Asbeliti; di Ahiram, la nazione degli Ahiramiti;
38De geslachten der Benjamieten waren: het geslacht der Balieten van Béla; het geslacht der Asjbelieten van Asjbel; het geslacht der Achiramieten van Achiram;
39di Sefusam, la nazione dei Sefusamiti; e di Huppam, la nazione degli Huppamiti.
39het geslacht der Sjoefamieten van Sjoefam; het geslacht der Choefamieten van Choefam.
40E i figliuoli di Bela furono Ard e Naaman; di Ard discese la nazione degli Arditi; di Naaman, la nazione de' Naamiti.
40De zonen van Bela waren Ard en Naäman: het geslacht der Ardieten van Ard; het geslacht der Naämieten van Naäman.
41Questi sono i figliuoli di Beniamino, distinti per le lor nazioni, de' quali gli annoverati furono quarantacinquemila seicento.
41Dit waren de geslachten der Benjamieten; hun gemonsterden telden vijf en veertig duizend zeshonderd man.
42Questi sono i figliuoli di Dan, distinti per le lor famiglie: di Suham, discese la nazione de' Suhamiti. Questa è la nazione de' Daniti, distinta per le lor famiglie.
42Dit waren de geslachten der Danieten: het geslacht der Sjoechamieten van Sjoecham. Dit waren de geslachten van Dan volgens hun geslachten.
43Tutte le famiglie de' Suhamiti, secondo i loro annoverati, furono sessantaquattromila quattrocento.
43Dit waren alle geslachten der Sjoechamieten; hun gemonsterden telden vier en zestig duizend vierhonderd man.
44I figliuoli di Aser, distinti per le lor nazioni, furono , d'Imna, la nazione degli Imnaiti; d'Isui, la nazione degl'Isuiti; e di Beria, la nazione de' Beriiti.
44De geslachten der Aserieten waren: het geslacht der Jimnaïeten van Jimna; het geslacht der Jisjwieten van Jisjwi; het geslacht der Beriïeten van Beria.
45E de' figliuoli di Beria, di Heber, la nazione degli Hebriti; di Malchiel, la nazione de' Malchieliti.
45Van de zonen van Beria: het geslacht der Chebrieten van Chéber; het geslacht der Malkiëlieten van Malkiël.
46E il nome della figliuola di Aser fu Sera.
46De dochter van Aser heette Sérach.
47Queste sono le nazioni de' figliuoli di Aser, secondo i loro annoverati, che furono cinquantatremila quattrocento.
47Dit waren de geslachten der Aserieten; hun gemonsterden telden drie en vijftig duizend vierhonderd man.
48I figliuoli di Neftali, distinti per le lor nazioni, furono , di Giaseel, la nazione de' Giaseeliti; di Guni, la nazione de' Guniti;
48De geslachten der Neftalieten waren: het geslacht der Jachseëlieten van Jachseël; het geslacht der Goenieten van Goeni;
49di Geser, la nazione de' Geseriti; e di Sillem, la nazione de' Sillemiti.
49het geslacht der Jisrieten van Jéser; het geslacht der Sjillemieten van Sjillem.
50Queste sono le nazioni di Neftali, distinte per le lor famiglie; e gli annoverati d'infra loro furono quarantacinquemila quattrocento.
50Dit waren de geslachten van Neftali volgens hun geslachten; hun gemonsterden telden vijf en veertig duizend vierhonderd man.
51Questi sono gli annoverati de' figliuoli d'Israele, in numero di seicentunmila settecentrenta.
51De gemonsterde Israëlieten telden dus zes honderd een duizend zevenhonderd dertig man.
52E il Signore parlò a Mosè, dicendo:
52Jahweh sprak tot Moses:
53Sia il paese spartito tra costoro per eredità, secondo il numero delle persone.
53Onder dezen moet naar het aantal personen het land in eigendom worden verdeeld.
54Da' maggiore eredità a chi è in maggior numero, e minore a chi è in minor numero; diasi a ciascuno eredità a ragione de' suoi annoverati.
54Aan een grote stam moet ge een groot, aan een kleine een klein erfdeel toewijzen; aan iedereen moet naar het aantal van zijn gemonsterden een erfdeel worden geschonken.
55Ma pure spartiscasi il paese a sorte; e abbiano eredità secondo i nomi delle loro tribù paterne.
55Maar het land moet door het lot worden verdeeld, hoewel de voorvaderlijke stammen hun erfdeel zullen ontvangen naar het aantal personen;
56Spartiscasi l'eredità di ciascuna tribù , grande o piccola, a sorte.
56dus door het lot moet het erfdeel tussen groot en klein worden verdeeld.
57E questi sono gli annoverati d'infra i Leviti, distinti per le lor nazioni: di Gherson discese la nazione de' Ghersoniti; di Chehat, la nazione de' Chehatiti; di Merari, la nazione de' Merariti.
57Dit waren de Levieten, die naar hun geslachten werden ingeschreven: het geslacht der Gersjonieten van Gersjon; het geslacht der Kehatieten van Kehat; het geslacht der Merarieten van Merari.
58Queste sono le nazioni de' Leviti: la nazione de' Libniti, la nazione degli Hebroniti, la nazione de' Mahaliti, la nazione dei Musiti, e la nazione de' Coriti. Or Chehat generò Amram.
58Dit waren de geslachten van Levi: het geslacht der Libnieten, het geslacht der Chebronieten, het geslacht der Machlieten, het geslacht der Moesjieten, het geslacht der Korieten. Kehat verwekte Amram.
59E il nome della moglie di Amram fu Iochebed, che fu figliuola di Levi, la qual gli nacque in Egitto; ed essa partorì ad Amram Aaronne, Mosè, e Maria, lor sorella.
59De vrouw van Amram heette Jokébed; ze was een dochter van Levi, die hem in Egypte werd geboren. Zij schonk aan Amram Aäron, Moses en hun zuster Mirjam.
60E ad Aaronne nacquero Nadab, e Abihu, ed Eleazaro, e Itamar.
60Aan Aäron werden Nadab en Abihoe, Elazar en Itamar geboren.
61Or Nadab e Abihu morirono quando presentarono fuoco strano davanti al Signore.
61Nadab en Abihoe stierven, toen zij onwettig vuur voor Jahweh offerden.
62E gli annoverati d'infra i Leviti furono ventitremila, tutti maschi, dall'età d'un mese in su; conciossiachè non fossero annoverati fra' figliuoli d'Israele; perciocchè non era lor data eredità fra' figliuoli d'Israele.
62Alle ingeschreven mannelijke personen van één maand af waren drie en twintig duizend. Zij waren niet met de andere Israëlieten gemonsterd, omdat hun geen erfdeel onder de Israëlieten was toebedeeld.
63Questi sono quelli che furono annoverati da Mosè, e dal Sacerdote Eleazaro, i quali annoverarono i figliuoli d'Israele nelle campagne di Moab, presso al Giordano di Gerico.
63Dit waren degenen, die door Moses en den priester Elazar werden geteld, toen zij de Israëlieten monsterden in de velden van Moab aan de Jordaan bij Jericho.
64E fra costoro non vi fu alcuno di quelli ch'erano stati annoverati da Mosè, e dal Sacerdote Aaronne, i quali annoverarono i figliuoli d'Israele nel deserto di Sinai.
64Onder dezen bevond zich niemand van hen, die door Moses en den priester Aäron waren geteld, toen zij de Israëlieten in de woestijn van de Sinaï hadden gemonsterd.
65Conciossiachè il Signore avesse detto di quelli: Del tutto morranno nel deserto. Onde non ne rimase alcuno, salvo Caleb, figliuolo di Gefunne; e Giosuè, figliuolo di Nun.
65Want Jahweh had hun gezegd: Ze zullen in de woestijn sterven, en er zal niemand van hen overblijven, behalve Kaleb, de zoon van Jefoenne, en Josuë, de zoon van Noen.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.