בְּמִדְבַּר 24
Modern Hebrew BibleTranslation
Modern Hebrew Bible
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1וירא בלעם כי טוב בעיני יהוה לברך את ישראל ולא הלך כפעם בפעם לקראת נחשים וישת אל המדבר פניו׃
1Maar daar Balaäm inzag, dat het Jahweh behaagde Israël te zegenen, ging hij niet heen als de vorige keren, om waarzeggende tekens te vinden, doch liep de woestijn in.
2וישא בלעם את עיניו וירא את ישראל שכן לשבטיו ותהי עליו רוח אלהים׃
2Toen Balaäm echter zijn ogen opsloeg en Israël volgens zijn stammen gelegerd zag, kwam de geest van God op hem.
3וישא משלו ויאמר נאם בלעם בנו בער ונאם הגבר שתם העין׃
3Hij hief zijn orakel aan, en sprak: Godsspraak van Balaäm, zoon van Beor, Godsspraak van den man, met het open oog;
4נאם שמע אמרי אל אשר מחזה שדי יחזה נפל וגלוי עינים׃
4Godsspraak van een, die Gods woorden hoort, En de gedachte van den Allerhoogste kent; Die gezichten van den Almachtige schouwt. En neerzinkt met ontsluierde blik.
5מה טבו אהליך יעקב משכנתיך ישראל׃
5Hoe schoon zijn uw tenten, o Jakob, Uw woningen, o Israël:
6כנחלים נטיו כגנת עלי נהר כאהלים נטע יהוה כארזים עלי מים׃
6Als dalen strekken zij zich uit, Als tuinen langs een rivier, Als eiken, door Jahweh geplant, Als ceders langs waterstromen.
7יזל מים מדליו וזרעו במים רבים וירם מאגג מלכו ותנשא מלכתו׃
7Het water vloeit over zijn emmers, Zijn zaad wordt volop gedrenkt. Boven Agag verheft zich zijn koning, En is zijn koningschap verheven.
8אל מוציאו ממצרים כתועפת ראם לו יאכל גוים צריו ועצמתיהם יגרם וחציו ימחץ׃
8God heeft hem uit Egypte geleid; Het heeft hoornen als die van een buffel. Hij verslindt de volken, die zijn vijanden zijn, Vermorzelt hun beenderen, verbrijzelt hun lenden,
9כרע שכב כארי וכלביא מי יקימנו מברכיך ברוך וארריך ארור׃
9Hij kromt zich, vlijt zich neer als een leeuw, En als een leeuwin; wie durft hem wekken? Die u zegenen, zijn gezegend, Die u vervloeken, vervloekt!
10ויחר אף בלק אל בלעם ויספק את כפיו ויאמר בלק אל בלעם לקב איבי קראתיך והנה ברכת ברך זה שלש פעמים׃
10Maar nu werd Balak woedend op Balaäm; hij sloeg zijn handen ineen, en zei tegen hem: Ik heb u ontboden, om mijn vijanden te vervloeken; en zie, tot driemaal toe spreekt ge zegening uit.
11ועתה ברח לך אל מקומך אמרתי כבד אכבדך והנה מנעך יהוה מכבוד׃
11Maak dat ge wegkomt naar huis. Ik heb beloofd, u vorstelijk te belonen, maar Jahweh heeft u het loon niet gegund.
12ויאמר בלעם אל בלק הלא גם אל מלאכיך אשר שלחת אלי דברתי לאמר׃
12Balaäm gaf Balak ten antwoord: Heb ik uw boden, die gij naar mij toezondt, niet gezegd:
13אם יתן לי בלק מלא ביתו כסף וזהב לא אוכל לעבר את פי יהוה לעשות טובה או רעה מלבי אשר ידבר יהוה אתו אדבר׃
13Al geeft Balak mij zijn huis vol zilver en goud, ik kan het bevel van Jahweh niet overtreden, en uit mijzelf iets doen, goed of kwaad; ik spreek slechts, wat Jahweh beveelt.
14ועתה הנני הולך לעמי לכה איעצך אשר יעשה העם הזה לעמך באחרית הימים׃
14Nu keer ik terug naar mijn volk; maar ik wil u eerst nog verkonden, wat dit volk aan het uwe zal doen op het einde der tijden.
15וישא משלו ויאמר נאם בלעם בנו בער ונאם הגבר שתם העין׃
15Toen hief hij zijn orakel aan, en sprak: Godsspraak van Balaäm, zoon van Beor, Godsspraak van den man, met het open oog;
16נאם שמע אמרי אל וידע דעת עליון מחזה שדי יחזה נפל וגלוי עינים׃
16Godsspraak van een, die Gods woorden hoort, En de gedachte van den Allerhoogste kent; Die gezichten van den Almachtige schouwt, En neerzinkt met ontsluierde blik!
17אראנו ולא עתה אשורנו ולא קרוב דרך כוכב מיעקב וקם שבט מישראל ומחץ פאתי מואב וקרקר כל בני שת׃
17Ik zie Hem, maar niet in het heden, Ik aanschouw Hem, maar niet van nabij: Een ster rijst omhoog uit Jakob, Een schepter komt uit Israël op; Hij verbrijzelt de slapen van Moab, De schedel van al die verwatenen.
18והיה אדום ירשה והיה ירשה שעיר איביו וישראל עשה חיל׃
18Edom wordt een wingewest, Een wingewist Seïr. Israël zal dappere daden verrichten,
19וירד מיעקב והאביד שריד מעיר׃
19En heersen uit Jakob; Zijn vijanden zal Hij verdelgen, De resten van Seïr.
20וירא את עמלק וישא משלו ויאמר ראשית גוים עמלק ואחריתו עדי אבד׃
20Maar toen hij Amalek zag, hief hij zijn orakel aan, en sprak: De keur der volken is Amalek, Maar zijn nageslacht is ten ondergang gedoemd!
21וירא את הקיני וישא משלו ויאמר איתן מושבך ושים בסלע קנך׃
21Toen hij den Keniet zag, hief hij zijn orakel aan, en sprak: Uw woning is stevig, En uw nest is gebouwd op de rots,
22כי אם יהיה לבער קין עד מה אשור תשבך׃
22Toch zal Kaïn worden verwoest: Wanneer voert Assjoer u weg?
23וישא משלו ויאמר אוי מי יחיה משמו אל׃
23Hij vervolgde zijn orakel en sprak: Wee, wie zal leven, als God het voltrekt?
24וצים מיד כתים וענו אשור וענו עבר וגם הוא עדי אבד׃
24Van de kust der Kittiërs komen schepen. Die Assjoer met Eber vernederen; Ook deze is ten ondergang gedoemd!
25ויקם בלעם וילך וישב למקמו וגם בלק הלך לדרכו׃
25Toen stond Balaäm op, en keerde naar zijn woonplaats terug; en ook Balak ging zijns weegs.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.