Efezským
Chapter 4

Efezským

Kralice Bible (1613)
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers

Efezským 4

Kralice Bible (1613)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Protož prosímť vás já vězeň v Pánu, abyste hodně chodili, jakž sluší na povolání vaše, kterýmž povoláni jste,
1Ik, de gevangene voor de zaak des Heren, vermaan u dus, dat gij u gedraagt overeenkomstig uw roeping;
2Se vší pokorou, tichostí, i s snášelivostí, snášejíce se vespolek v lásce,
2dat gij elkander in liefde verdraagt met alle ootmoedigheid, zachtheid en geduld;
3Usilujíce zachovávati jednotu Ducha v svazku pokoje.
3dat gij uw best doet, de eenheid des geestes te bewaren door de band van de vrede.
4Jedno jest tělo, a jeden Duch, jakož i povoláni jste v jedné naději povolání vašeho.
4Eén lichaam en één geest, zoals gij ook geroepen zijt tot één hoop, die aan uw roeping ontspruit;
5Jeden Pán, jedna víra, jeden křest,
5één Heer, één geloof, één doopsel;
6Jeden Bůh a Otec všech, kterýž jest nade všecko, a skrze všecko, i ve všech vás.
6één God en Vader van allen, die boven alles, door alles, en in alles is.
7Jednomu pak každému z nás dána jest milost podle míry obdarování Kristova.
7Aan ieder van ons is de genade geschonken naar de maat, die Christus heeft toegemeten.
8Protož dí Písmo: Vstoupiv na výsost, jaté vedl vězně, a dal dary lidem.
8Daarom wordt er gezegd: “Opgestegen ten hoge, Heeft Hij gevangenen buitgemaakt, Gaven uitgedeeld aan de mensen.”
9Ale to, že vstoupil, co jest, jediné že i sstoupil prve do nejnižších stran země?
9Welnu, dit “Hij is opgestegen,” wat betekent het anders, dan dat Hij ook is neergedaald naar de onderste delen der aarde.
10Ten pak, jenž sstoupil, onť jest, kterýž i vstoupil vysoko nade všecka nebesa, aby naplnil všecko.
10Hij, die is neergedaald, is Dezelfde als Hij, die hoog boven alle hemelen is opgestegen, om alles tot volheid te brengen.
11A onť jest dal některé zajisté apoštoly, některé pak proroky, jiné evangelisty, jiné pastýře a učitele,
11Hijzelf is het geweest, die sommigen tot apostelen heeft aangesteld, anderen tot profeten, evangelisten, herders en leraars;
12Pro spořádání svatých, k dílu služebnosti, k vzdělání těla Kristova,
12maar met het doel, om de heiligen tot volmaakte plichtsvervulling te brengen, om op te bouwen het Lichaam van Christus;
13Až bychom se sběhli všickni v jednotu víry a známosti Syna Božího, v muže dokonalého, v míru postavy plného věku Kristova,
13tot de tijd, dat wij allen tot de eenheid des geloofs en der kennis van Gods Zoon zijn gekomen, een volwassen man zijn geworden, en de mannenmaat van den volmaakten Christus hebben bereikt.
14Abychom již více nebyli děti, zmítající se a točící každým větrem učení v neustavičnosti lidské, v chytrosti k oklamávání lstivému;
14Dan zullen we geen onmondige kinderen meer zijn, die heen en weer worden geslingerd en voortgestuwd door elke windvlaag van lering, door het bedrog van de mensen, door sluwe verleiding tot dwaling.
15Ale pravdu činíce v lásce, rosťme v něj všelikterak, v toho, kterýž jest hlava, totiž Kristus,
15Maar we zullen de waarheid bewaren in liefde, en zó in ieder opzicht opgroeien voor Hem, voor Christus, die het Hoofd is.
16Z kteréhožto všecko tělo příslušně spojené a svázané po všech kloubích přisluhování, podle vnitřní moci v míru jednoho každého údu, zrůst těla činí, k vzdělání svému v lásce.
16Door Hem wordt het ganse lichaam samengevoegd en samengehouden, omdat elk gewricht zijn taak vervult met de kracht, die ieder lid in ‘t bijzonder is toegemeten; en zó voltrekt zich de groei van het lichaam tot eigen opbouw in liefde.
17A protož totoť pravím a osvědčuji v Pánu, abyste již více nechodili, jako i jiní pohané chodí, v marnosti mysli své,
17Daarom zeg ik en bezweer ik u in den Heer, dat gij niet langer een leven moogt leiden, zoals de heidenen in hun ijdele gezindheid dit doen.
18Zatemnění v rozumu, odcizeni jsouce od života Božího, pro neznámost, kteráž jest v nich z zatvrzení srdce jejich.
18Want hun verstand is verduisterd en ze zijn vervreemd van het leven van God, omdat er onwetendheid onder hen heerst en hun hart is verstokt.
19Kteřížto zoufavše sobě, vydali se v nestydatost, aby všelikou nečistotu páchali s chtivostí.
19Ze hebben zich afgestompt en zich aan losbandigheid overgegeven, zodat ze uit hebzucht allerlei ontucht bedrijven.
20Ale vy ne tak jste se vyučili následovati Krista,
20Maar zó hebt gij Christus niet leren kennen.
21Ač jestliže jste ho slyšeli a o něm byli vyučeni, jakž ta jest pravda v Ježíšovi,
21Gij hebt toch van Hem gehoord, en zijt in Hem onderwezen, wat de waarheid in Jesus is:
22Totiž, složiti ono první obcování podle starého člověka, rušícího se, podle žádostí oklamávajících,
22met betrekking tot uw vroeger gedrag moet gij den ouden mens afleggen, die door bedriegelijke begeerten te gronde gaat;
23Obnoviti se pak duchem mysli vaší,
23gij moet u vernieuwen naar de inwendige geest;
24A obléci nového člověka, podle Boha stvořeného, v spravedlnosti a v svatosti pravdy.
24gij moet den nieuwen mens aantrekken, die naar Gods beeld is geschapen in ware gerechtigheid en heiligheid.
25Protož složíce lež, mluvtež pravdu jeden každý s bližním svým; nebo jsme vespolek údové.
25Legt daarom de leugen af en spreekt de waarheid tot den naaste, ieder voor zich; want ledematen zijn we van elkander.
26Hněvejte se, a nehřešte; slunce nezapadej na hněvivost vaši.
26Wordt gij toornig, zondigt dan niet; de zon ga niet onder over uw toorn;
27Nedávejte místa ďáblu.
27geeft geen vrij spel aan den duivel.
28Kdo kradl, již více nekraď, ale raději pracuj, dělaje rukama svýma, což dobrého jest, aby měl z čeho uděliti nuznému.
28De dief mag voortaan niet meer stelen, maar moet arbeiden, om met eigen handen de kost te verdienen, en iets over te houden, om het weg te schenken aan wie er behoefte aan heeft.
29Žádná řeč mrzutá nevycházej z úst vašich, ale ať jest každé promluvení dobré k vzdělání užitečnému, aby dalo milost posluchačům.
29Uit uw mond kome geen vuile taal, maar goede woorden alleen, die zo nodig stichten kunnen, zodat ze voordeel brengen aan hen die ze horen.
30A nezarmucujte Ducha svatého Božího, kterýmžto znamenáni jste ke dni vykoupení.
30Bedroeft ook niet Gods heiligen Geest, waarmee gij verzegeld zijt voor de Dag der Verlossing.
31Všeliká hořkost, a rozzlobení se, i hněv, i křik, i rouhání buď odjato od vás, se vší zlostí,
31Verre van u alle bitterheid, gramschap, toorn, geschreeuw, laster en alle andere boosheid.
32Ale buďte k sobě vespolek dobrotiví, milosrdní, odpouštějíce sobě vespolek, jakož i Bůh v Kristu odpustil vám.
32Maar weest minzaam en hartelijk jegens elkander; vergeeft elkander, gelijk ook God u door Christus vergiffenis heeft geschonken.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.