Efesanoj
Chapter 4

Efesanoj

Londona Biblio (Esperant…
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Londona Biblio (Esperanto, 1910)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Mi do, malliberulo pro la Sinjoro, petegas vin, ke vi iradu inde je la voko, en kiu vi estas vokitaj,
1Ik, de gevangene voor de zaak des Heren, vermaan u dus, dat gij u gedraagt overeenkomstig uw roeping;
2kun ĉia humileco kaj mildeco, kun toleremeco, paciencante unu al alia en amo,
2dat gij elkander in liefde verdraagt met alle ootmoedigheid, zachtheid en geduld;
3penante konservi la unuecon de la Spirito en la ligilo de paco.
3dat gij uw best doet, de eenheid des geestes te bewaren door de band van de vrede.
4Estas unu korpo, kaj unu Spirito, kiel ankaŭ vi estas vokitaj en unu espero de via voko;
4Eén lichaam en één geest, zoals gij ook geroepen zijt tot één hoop, die aan uw roeping ontspruit;
5unu Sinjoro, unu fido, unu bapto,
5één Heer, één geloof, één doopsel;
6unu Dio kaj Patro de ĉiuj, kiu estas super ĉiuj, kaj tra ĉiuj, kaj en ĉiuj.
6één God en Vader van allen, die boven alles, door alles, en in alles is.
7Sed al ĉiu el ni la graco estas donita, laŭ la mezuro de la dono de Kristo.
7Aan ieder van ons is de genade geschonken naar de maat, die Christus heeft toegemeten.
8Tial li diras: Kiam li supreniris alten, li alkondukis kaptitojn, Kaj donis donacojn al homoj.
8Daarom wordt er gezegd: “Opgestegen ten hoge, Heeft Hij gevangenen buitgemaakt, Gaven uitgedeeld aan de mensen.”
9(Ĉi tio do: Li supreniris — kio ĝi estas krom tio, ke li ankaŭ antaŭe malsupreniris ĝis la profundaĵoj de la tero?
9Welnu, dit “Hij is opgestegen,” wat betekent het anders, dan dat Hij ook is neergedaald naar de onderste delen der aarde.
10La malsuprenirinto — tiu sama estis la suprenirinto alte super ĉiuj ĉieloj, por plenigi ĉion.)
10Hij, die is neergedaald, is Dezelfde als Hij, die hoog boven alle hemelen is opgestegen, om alles tot volheid te brengen.
11Kaj unujn li donis por esti apostoloj; aliajn, profetoj; aliajn, evangeliistoj; kaj aliajn, paŝtistoj kaj instruistoj;
11Hijzelf is het geweest, die sommigen tot apostelen heeft aangesteld, anderen tot profeten, evangelisten, herders en leraars;
12por perfektigo de la sanktuloj, por la laboro de pastrado, por la konstruo de la korpo de Kristo,
12maar met het doel, om de heiligen tot volmaakte plichtsvervulling te brengen, om op te bouwen het Lichaam van Christus;
13ĝis ni ĉiuj atingos la unuecon de la fido kaj de la scio de la Filo de Dio, ĝis la homo perfekta, ĝis la mezuro de la matureco de la pleneco de Kristo;
13tot de tijd, dat wij allen tot de eenheid des geloofs en der kennis van Gods Zoon zijn gekomen, een volwassen man zijn geworden, en de mannenmaat van den volmaakten Christus hebben bereikt.
14por ke ni jam ne estu infanoj, onde ĵetataj kaj ĉirkaŭpelataj de ĉiu vento de doktrino, per ĵonglado de homoj, per ruzo laŭ artifiko de trompo;
14Dan zullen we geen onmondige kinderen meer zijn, die heen en weer worden geslingerd en voortgestuwd door elke windvlaag van lering, door het bedrog van de mensen, door sluwe verleiding tot dwaling.
15sed parolante la veron en amo, ni ĉiel kreskadu en tiun, kiu estas la kapo, Kristo,
15Maar we zullen de waarheid bewaren in liefde, en zó in ieder opzicht opgroeien voor Hem, voor Christus, die het Hoofd is.
16el kiu la tuta korpo, kunigita kaj kunfortikigita tra ĉiu artiko de la livera sistemo, per energio, laŭ la mezuro de ĉiu parto, faras kreskadon de la korpo, por la sinedifado en amo.
16Door Hem wordt het ganse lichaam samengevoegd en samengehouden, omdat elk gewricht zijn taak vervult met de kracht, die ieder lid in ‘t bijzonder is toegemeten; en zó voltrekt zich de groei van het lichaam tot eigen opbouw in liefde.
17La jenon do mi diras, kaj protestas en la Sinjoro, ke vi ne plu iru tiel, kiel iras ankaŭ la nacianoj en la vanteco de siaj mensoj,
17Daarom zeg ik en bezweer ik u in den Heer, dat gij niet langer een leven moogt leiden, zoals de heidenen in hun ijdele gezindheid dit doen.
18mallumigitaj en intelekto, fremdigitaj for de la vivo de Dio, pro la nescio, kiu estas en ili, pro la malmoleco de ilia koro;
18Want hun verstand is verduisterd en ze zijn vervreemd van het leven van God, omdat er onwetendheid onder hen heerst en hun hart is verstokt.
19kiuj, sensentiĝinte, fordonis sin al malĉasteco por la praktikado de ĉia malpureco kun avideco.
19Ze hebben zich afgestompt en zich aan losbandigheid overgegeven, zodat ze uit hebzucht allerlei ontucht bedrijven.
20Sed vi ne tiel lernis Kriston;
20Maar zó hebt gij Christus niet leren kennen.
21se almenaŭ vi lin aŭdis, kaj en li estis instruitaj, kiel en Jesuo estas vero;
21Gij hebt toch van Hem gehoord, en zijt in Hem onderwezen, wat de waarheid in Jesus is:
22por ke vi formetu, rilate al antaŭa konduto, la malnovan homon, pereeman laŭ trompaj deziroj,
22met betrekking tot uw vroeger gedrag moet gij den ouden mens afleggen, die door bedriegelijke begeerten te gronde gaat;
23kaj renoviĝu rilate al la spirito de via menso,
23gij moet u vernieuwen naar de inwendige geest;
24kaj surmetu la novan homon, kreitan laŭ Dio en justeco kaj vera sankteco.
24gij moet den nieuwen mens aantrekken, die naar Gods beeld is geschapen in ware gerechtigheid en heiligheid.
25Pro tio, formetante malveron, ĉiu parolu veron kun sia proksimulo, ĉar ni estas membroj unu de alia.
25Legt daarom de leugen af en spreekt de waarheid tot den naaste, ieder voor zich; want ledematen zijn we van elkander.
26Koleru kaj ne peku, la suno ne subiru sur via kolero;
26Wordt gij toornig, zondigt dan niet; de zon ga niet onder over uw toorn;
27ankaŭ ne donu lokon al la diablo.
27geeft geen vrij spel aan den duivel.
28Ŝtelinto ne plu ŝtelu, sed prefere li laboru, farante bonon per siaj manoj, por ke li havu ion por doni al bezonanto.
28De dief mag voortaan niet meer stelen, maar moet arbeiden, om met eigen handen de kost te verdienen, en iets over te houden, om het weg te schenken aan wie er behoefte aan heeft.
29El via buŝo eliru neniu putra vorto, sed nur tio, kio estas bona, por konvena edifado, por ke ĝi donu gracon al la aŭdantoj.
29Uit uw mond kome geen vuile taal, maar goede woorden alleen, die zo nodig stichten kunnen, zodat ze voordeel brengen aan hen die ze horen.
30Kaj ne ĉagrenu la Sanktan Spiriton de Dio, en kiu vi estis sigelitaj al la tago de elaĉeto.
30Bedroeft ook niet Gods heiligen Geest, waarmee gij verzegeld zijt voor de Dag der Verlossing.
31Ĉia akreco kaj indigno kaj kolero kaj voĉbruado kaj kalumnio estu formetitaj el inter vi, kune kun ĉia malico;
31Verre van u alle bitterheid, gramschap, toorn, geschreeuw, laster en alle andere boosheid.
32kaj estu bonfaraj unu al alia, bonkoraj, pardonantaj unu al alia, kiel ankaŭ Dio en Kristo pardonis al vi.
32Maar weest minzaam en hartelijk jegens elkander; vergeeft elkander, gelijk ook God u door Christus vergiffenis heeft geschonken.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.