Якова
Chapter 2

Якова

Kulish and Puluj Bible (…
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers

Якова 2

Kulish and Puluj Bible (1905)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Браттє моє, не на лиця вважаючи, майте віру Господа нашого Ісуса Христа прославленого.
1Mijn broeders, paart het aanzien van personen niet met het geloof in onzen verheerlijkten Heer Jesus Christus.
2Коли бо ввійшов у громаду вашу чоловік з золотим перснем, в одежі осяйній, ввійшов же й вбогий в мізерній одежі,
2Welnu, wanneer bij uw samenkomst een man binnentreedt met gouden ringen en een prachtig gewaad, maar er ook een arme binnenkomt met onverzorgde kleding,
3і ви споглянете на того, що носить осяйну одежу, і скажете йому: Ти сїдай отут гарно, а вбогому скажете: Ти стань отам, або сїдай отут на підніжку моїм,
3en wanneer gij dan opziet tegen den man met het prachtig gewaad en hem zegt: “Zet u hier op de ereplaats neer;” maar wanneer gij tot den arme zegt: “Blijf ginder staan,” of “Ga zitten bij mijn voetbank,”
4то чи не пересуджуєте між собою і не станетесь суддями з ледачими думками?
4hebt gij dan bij uzelf geen onderscheid gemaakt, en oordeelt gij dan niet op verkeerde gronden?
5Слухайте, браттє моє любе: хиба не вбогих сьвіту сього вибрав Бог на багатих вірою і наслїдників царства, котре обіцяв тим, хто любить Його?
5Luistert wél, mijn geliefde broeders! Heeft God de armen der wereld niet uitverkoren, om rijk te woren in geloof, en erfgenamen van het koninkrijk, dat Hij beloofd heeft aan hen, die Hem liefhebben;
6Ви ж зневажили вбогого. Хиба не багаті підневолюють вас, і не вони тягнуть вас на судища?
6en gij zoudt den arme verachten? En zijn het juist de rijken niet, die u verdrukken en u voor de rechtbank slepen;
7Хиба не вони зневажають добре імя, яким вас названо?
7zijn zij het niet, die de heerlijke Naam lasteren, waarnaar gij genoemd wordt?
8Коли ж оце звершуєте закон царський по писанню: „Люби ближнього свого, як себе самого‟, добре чините;
8Welnu, wanneer gij de koninklijke wet volbrengt, overeenkomstig de Schrift: “Ge zult uw naaste liefhebben als uzelf,” dan doet gij wèl;
9коли ж на лиця дивитесь, то гріх робите, докорені законом, як переступники.
9maar wanneer gij handelt volgens aanzien van personen, dan zondigt gij, en wordt gij als overtreder aangeklaagd door de wet.
10Кожний бо, хто увесь закон заховає, та згрішить в одному, станеть ся у всьому виноватий.
10Immers wie de ganse wet onderhoudt, maar in één punt misdoet, is schuldig aan het geheel.
11Хто бо сказав: „Не чини перелюбу,‟ Той сказав і: „Не вбивай.‟ Коли ж не зробиш перелюбу, а вбєш, став ся єси переступником закону.
11Want Hij, die gezegd heeft: “Ge zult geen overspel doen, “Hij heeft ook gezegd: “Ge zult niet doodslaan.” Wanneer ge dus geen overspel doet, maar wel doodslaat, dan zijt gij een overtreder der wet.
12Так говоріте і так творіте, яко такі, що законом свободним судити метесь.
12Spreekt dus en handelt als mensen, die geoordeeld zullen worden door de wet der vrijheid.
13Суд бо без милосердя тому, хто не зробив милости, і вихваляєть ся милосердє суду (понад суд).
13Want onbarmhartig is het oordeel over hem, die geen barmhartigheid heeft getoond; maar de barmhartigheid neemt het tegen het oordeel op.
14Яка користь, браттє моє, коли хто каже, що віру має, та дїл не має? чи може віра спасти його?
14Wat baat het, mijn broeders, of iemand al beweert, het geloof te bezitten, zo hij de werken niet heeft? Kan het geloof hem soms redden?
15Коли ж брат або сестра нагі будуть і жадні щоденної страви,
15Wanneer een broeder of zuster naakt zou zijn en van het dagelijks voedsel beroofd,
16а з вас хто скаже їм: Ідїть з миром, грійтесь і годуйтесь, а не дасть їм потрібного для тїла; яка (з того) користь?
16en iemand van u zou hun zeggen: Gaat heen in vrede, verwarmt en verzadigt u, maar gij schenkt hun niet, wat ze voor hun lichaam behoeven, wat zal het baten?
17Так само й віра, коли дїл не має, мертва сама по собі.
17Zo gaat het ook met het geloof: zonder de werken is het innerlijk dood.
18Ну, скаже хто: Ти віру маєш, а я дїла маю. Покажи менї віру твою з дїл твоїх, а я тобі докажу з дїл моїх віру мою.
18Bovendien zou men zo iemand kunnen zeggen: “Gij hebt het geloof, en ik heb de werken? Toon me eens uw geloof zonder de werken; mijn geloof zal ik u uit de werken bewijzen.
19Ти віруєш, що Бог один; добре робиш: і біси вірують, та й тремтять.
19Ge gelooft, dat er slechts één God bestaat? Ge doet wèl; maar ook de duivels geloven het…, en sidderen!”
20Чи хочеш же зрозуміти, чоловіче марний, що віра без дїл мертва?
20Wilt ge zien, lege mens, hoe het geloof zonder de werken onvruchtbaar is?
21Авраам, отець наш, хиба не з дїл оправдив ся, піднявши Ісаака, сина свого, на жертівник?
21Werd Abraham, onze Vader, niet uit werken gerechtvaardigd, toen hij Isaäk, zijn zoon, op het altaar had geofferd?
22Чи бачиш, що віра допомагала дїлам його, і дїлами звершилась віра?
22Ge ziet, hoe het geloof met zijn werken gepaard ging, en hoe door de werken het geloof werd volmaakt.
23І сповнилось писаннє, що глаголе: „Увірував же Авраам Богові й полїчено йому (те) за праведність, і другом Божим наречено його.‟
23En toen ging de Schrift in vervulling, die zegt: “Abraham geloofde aan God, en het werd hem tot gerechtigheid gerekend;” toen ook werd hij genoemd: “de vriend van God.”
24Чи бачите ж оце, що з дїл оправдуєть ся чоловік, а не з однієї віри?
24Ge ziet: uit wèrken wordt de mens gerechtvaardigd, en niet uit geloof alleen.
25Так само і Раава блудниця хиба не з дїл оправдилась, прийнявши посланцїв і вивівши їх иншою дорогою?
25Werd ook de ontuchtige Rachab niet gerechtvaardigd uit werken, omdat ze de boden gastvrij ontving, en ze langs een andere weg liet vertrekken?
26Яко бо тїло без духа мертве, так і віра без дїл мертва.
26Want zoals het lichaam dood is zonder geest, zo is ook dood het geloof zonder werken.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.