Jakubův 2
Kralice Bible (1613)Translation
Kralice Bible (1613)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Bratří moji, nepřipojujtež přijímání osob k víře slavného Pána našeho Jezukrista.
1Mijn broeders, paart het aanzien van personen niet met het geloof in onzen verheerlijkten Heer Jesus Christus.
2Nebo kdyby přišel do shromáždění vašeho muž, maje prsten zlatý, v drahém rouše, a všel by také i chudý v chaterném oděvu,
2Welnu, wanneer bij uw samenkomst een man binnentreedt met gouden ringen en een prachtig gewaad, maar er ook een arme binnenkomt met onverzorgde kleding,
3A popatřili byste k tomu, jenž drahé roucho má, a řekli byste jemu: Ty sedni tuto pěkně; chudému pak řekli byste: Ty stůj tamto, aneb sedni tuto, pod podnoží noh mých;
3en wanneer gij dan opziet tegen den man met het prachtig gewaad en hem zegt: “Zet u hier op de ereplaats neer;” maar wanneer gij tot den arme zegt: “Blijf ginder staan,” of “Ga zitten bij mijn voetbank,”
4Zdaliž jste již neučinili rozdílu mezi sebou a učiněni jste rozeznavatelé v myšleních zlých?
4hebt gij dan bij uzelf geen onderscheid gemaakt, en oordeelt gij dan niet op verkeerde gronden?
5Slyšte, bratří moji milí, zdaliž Bůh nevyvolil chudých na tomto světě, aby bohatí byli u víře a dědicové království, kteréž zaslíbil těm, jenž jej milují?
5Luistert wél, mijn geliefde broeders! Heeft God de armen der wereld niet uitverkoren, om rijk te woren in geloof, en erfgenamen van het koninkrijk, dat Hij beloofd heeft aan hen, die Hem liefhebben;
6Ale vy jste neuctili chudého. Zdaliž ne ti, jenž bohatí jsou, mocí utiskují vás, a oniť vás i k soudům přivozují?
6en gij zoudt den arme verachten? En zijn het juist de rijken niet, die u verdrukken en u voor de rechtbank slepen;
7Zdali oni nerouhají se tomu slavnému jménu, kteréž vzýváno jest nad vámi?
7zijn zij het niet, die de heerlijke Naam lasteren, waarnaar gij genoemd wordt?
8Jestliže pak plníte Zákon královský podle Písem: Milovati budeš bližního svého, jako sebe samého, dobře činíte.
8Welnu, wanneer gij de koninklijke wet volbrengt, overeenkomstig de Schrift: “Ge zult uw naaste liefhebben als uzelf,” dan doet gij wèl;
9Pakli osoby přijímáte, hřešíte, a Zákon vás tresce jako přestupníky.
9maar wanneer gij handelt volgens aanzien van personen, dan zondigt gij, en wordt gij als overtreder aangeklaagd door de wet.
10Nebo kdo by koli celého Zákona ostříhal, přestoupil by pak v jediném, učiněn jest všemi vinen.
10Immers wie de ganse wet onderhoudt, maar in één punt misdoet, is schuldig aan het geheel.
11Ten zajisté, kterýž řekl: Nesesmilníš, takéť jest řekl: Nezabiješ. Pakli bys nesesmilnil, ale zabil bys, učiněn jsi přestupníkem Zákona.
11Want Hij, die gezegd heeft: “Ge zult geen overspel doen, “Hij heeft ook gezegd: “Ge zult niet doodslaan.” Wanneer ge dus geen overspel doet, maar wel doodslaat, dan zijt gij een overtreder der wet.
12Tak mluvte a tak čiňte, jakožto ti, kteříž podle zákona svobody souzeni býti máte.
12Spreekt dus en handelt als mensen, die geoordeeld zullen worden door de wet der vrijheid.
13Nebo odsouzení bez milosrdenství stane se tomu, kdož nečiní milosrdenství, ale chlubíť se milosrdenstvím proti odsudku.
13Want onbarmhartig is het oordeel over hem, die geen barmhartigheid heeft getoond; maar de barmhartigheid neemt het tegen het oordeel op.
14Co prospěje, bratří moji, praví-li se kdo víru míti, a nemá-li skutků? Zdaliž jej ta víra může spasiti?
14Wat baat het, mijn broeders, of iemand al beweert, het geloof te bezitten, zo hij de werken niet heeft? Kan het geloof hem soms redden?
15A kdyby bratr neb sestra neodění byli, a opuštění z strany každodenního pokrmu,
15Wanneer een broeder of zuster naakt zou zijn en van het dagelijks voedsel beroofd,
16Řekl by pak jim někdo z vás: Jděte v pokoji a zhřejte se, a najezte se, avšak nedali byste jim potřeby tělesné, což to platno bude?
16en iemand van u zou hun zeggen: Gaat heen in vrede, verwarmt en verzadigt u, maar gij schenkt hun niet, wat ze voor hun lichaam behoeven, wat zal het baten?
17Takž i víra, nemá-li skutků, mrtváť jest sama v sobě.
17Zo gaat het ook met het geloof: zonder de werken is het innerlijk dood.
18Ale dí někdo: Ty víru máš, a já mám skutky. Ukažiž ty mi víru svou z skutků svých, a jáť tobě ukáži víru svou z skutků svých.
18Bovendien zou men zo iemand kunnen zeggen: “Gij hebt het geloof, en ik heb de werken? Toon me eens uw geloof zonder de werken; mijn geloof zal ik u uit de werken bewijzen.
19Ty věříš, že jest jeden Bůh. Dobře činíš. I ďáblovéť tomu věří, avšak třesou se.
19Ge gelooft, dat er slechts één God bestaat? Ge doet wèl; maar ook de duivels geloven het…, en sidderen!”
20Ale chceš-liž věděti, ó člověče marný, že víra bez skutků jest mrtvá?
20Wilt ge zien, lege mens, hoe het geloof zonder de werken onvruchtbaar is?
21Abraham otec náš zdali ne z skutků ospravedlněn jest, obětovav syna svého Izáka na oltář?
21Werd Abraham, onze Vader, niet uit werken gerechtvaardigd, toen hij Isaäk, zijn zoon, op het altaar had geofferd?
22Vidíš-li, že víra napomáhala skutkům jeho a z skutků víra dokonalá byla?
22Ge ziet, hoe het geloof met zijn werken gepaard ging, en hoe door de werken het geloof werd volmaakt.
23A tak naplněno jest Písmo, řkoucí: I uvěřil Abraham Bohu, a počteno jest jemu to za spravedlnost, a přítelem Božím nazván jest.
23En toen ging de Schrift in vervulling, die zegt: “Abraham geloofde aan God, en het werd hem tot gerechtigheid gerekend;” toen ook werd hij genoemd: “de vriend van God.”
24Vidíte-liž tedy, že z skutků ospravedlněn bývá člověk a ne z víry toliko?
24Ge ziet: uit wèrken wordt de mens gerechtvaardigd, en niet uit geloof alleen.
25Též podobně i Raab nevěstka zdali ne z skutků ospravedlněna jest, přijavši posly a jinou cestou pryč je vypustivši?
25Werd ook de ontuchtige Rachab niet gerechtvaardigd uit werken, omdat ze de boden gastvrij ontving, en ze langs een andere weg liet vertrekken?
26Nebo jakož tělo bez duše jest mrtvé, takť i víra bez skutků jest mrtvá.
26Want zoals het lichaam dood is zonder geest, zo is ook dood het geloof zonder werken.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.