2 Самуїлова
Chapter 23
Kulish and Puluj Bible (…
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers

2 Самуїлова 23

Kulish and Puluj Bible (1905)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Се ж останнє Давидове слово, слово Давида, Ессеєвого сина, слово мужа поставленого високо, помазанника Бога Яковового, й любого сьпівця Ізрайлевого:
1Hier volgen de laatste woorden van David: Een spreuk van David, den zoon van Jesse; Een spreuk van den held, zo hoog verheven: Den gezalfde van Jakobs God, Den zanger van Israëls psalmen.
2Дух Господень глаголе в менї, й слово його на язицї в мене.
2De geest van Jahweh heeft door mij gesproken, Zijn woord ligt nog op mijn tong;
3Сказав Бог Ізрайлїв, говорив про мене скеля Ізрайлева: володїти ме над людьми праведний, буде царювати в Господньому страсї.
3Gesproken heeft de God van Jakob, Tot mij heeft Israëls Rots gezegd: “Wie rechtvaardig de mensen regeert, En heerst in de vreze des Heren;
4Як на досьвітньому розсьвітї, при сходї сонця на безхмарньому небі від його сьвітла після дощу виходить із землї трава,
4Hij is als het morgenlicht bij het stralen der zon Op een wolkenloze morgen; Als de zonneschijn na de regen, Die het groen uit de grond doet ontluiken.”
5Чи не так же й мій дом перед Богом? Бо завіт віковічно статочнїй й твердий вчинив він зо мною. Чи не так же виходить від його все спасеннє моє й все бажаннє моє?
5Zo blijft mijn huis bestendig voor God, Want Hij sloot met mij een eeuwig verbond; Onder ieder opzicht vast en verzekerd Is heel mijn geluk, zijn al mijn verlangens.
6А безбожники, се його тернє викинене, що рукою його нїхто не торкає,
6Maar Belialskinderen zal Hij niet doen gedijen, Als doornen werpt men ze allen weg: Men vat ze niet met de hand,
7А хто хоче його зібрати, той бере залїзо, або держало до списа, й палять його на місцї.
7En niemand grijpt ze vast, Tenzij met ijzer en hout, Om ze tenslotte in de vlammen te werpen.
8А се ймення хоробрих силачів у Давида: Ісбозет Ахаманїй, головний між трьома; він підняв списа свого на вісїмсот мужів, і побив їх заразом.
8Hier volgen de namen van Davids helden. Isj-Bósjet uit Chakmon was de aanvoerder van de Drie. Hij zwaaide zijn bijl tegen achthonderd man, die hij in één keer versloeg.
9Після його йде між трьома невміраками Елеазар, син Дода Ахового. Він належав до тих трьох хоробрих, що з Давидом поругали Филистіїв зібраних до війни;
9Na hem kwam Elazar, de zoon van Dodo, den Achochiet, ook een van de drie helden. Hij bevond zich met David te Pas-Dammim, toen de Filistijnen zich daar verzameld hadden voor de strijd. En toen de Israëlieten voor hen terugtrokken,
10Ізрайлитяне виступили були проти них, а він став і стинав Филистіїв покіль рука в його втомилась і неначе приросла до меча. І дарував Господь того дня велику побіду, й військо йшло за ним тільки задля пліндрування.
10sprong hij op, en sloeg de Filistijnen, totdat zijn spieren zo stijf waren, dat hij zijn zwaard niet meer los kon laten. Die dag verleende Jahweh een grote overwinning; het volk sloot zich weer bij hem aan, maar het was toch alleen om te plunderen.
11Після його йде Самма Агенко, Гарарій. Раз зібрались Филистії в Тирію. Там була нива, засїяна сочовицею. Як же люде повтїкали перед Филистіями,
11Na hem kwam Sjamma, de zoon van Aga uit Harari. Eens, toen de Filistijnen zich voor de strijd te Lechi verzameld hadden, waar een stuk land was, vol met linzen, was het volk voor de Filistijnen op de vlucht geslagen.
12Зупинився він серед ниви, оборонив її й побив Филистіїв. І подав Господь тодї велику подуж.
12Maar hij ging midden op het veld staan, en wist het te behouden, door de Filistijnen te verslaan. Zo verleende Jahweh een grote overwinning.
13Одного разу троє сих силачів з трийцятьох прийшли до Давида в часї жнив в печеру Одоллам, тим часом, як ватага Филистіїв стояла в долинї Рефаїмів.
13Een andere keer daalden ze met hun drieën af, en kwamen tegen de oogst bij David in de spelonk van Adoellam, terwijl een bende Filistijnen in de vallei der Refaïeten gelegerd was.
14Давид був тодї там в утвердженому місцї, а залога Филистійська стояла в Бетлеємі.
14David bevond zich toen in de bergvesting, en de Filistijnen hadden Betlehem bezet.
15І схотїлось Давидові пити, й каже він: Хто б добув менї води з колодязя коло ворот Бетлеємських?
15Toen nu David eens het verlangen te kennen gaf, of iemand hem water te drinken kon geven uit de bron bij de poort van Betlehem,
16І пробились трьох тих силачів через табор Филистійський, набрали води з колодязя Бетлеємського та й принесли Давидові. Та він не схотїв пити її, і вилив на жертву в славу Господеві,
16drongen de drie helden in de legerplaats van de Filistijnen, putten water uit de bron bij de poort van Betlehem, namen het mee en brachten het bij David. Maar hij wilde het niet drinken, en goot het uit voor Jahweh,
17І сказав: Сохрани мене, Господи, від того, щоб я таке чинив! Се кров сьмільчаків, що важили життєм своїм, ійдучи по неї! й не схотїв її пити. От що чинили отті три невміраки!
17terwijl hij uitriep: Bij Jahweh; ik denk er niet aan, zo iets te doen. Dat is het bloed van de mannen, die met gevaar van hun eigen leven er op uit zijn gegaan! Daarom wilde hij het niet drinken. Zulke dingen deden de drie helden.
18Й Абесса, брат Йоабів, Саруєнко, був головним з трьох инших. Він убив своїм списом триста чоловіка, й був славним між тими трьома.
18Abisjai, de broer van Joab en de zoon van Seroeja, was de aanvoerder van de Dertig. Hij zwaaide zijn lans tegen driehonderd man, die hij doodde.
19Між сими трьома був він знатнїщий, й був їх отаманом, тим же трьом первим не був рівня.
19Ongetwijfeld was hij beroemder dan de Dertig, zodat hij hun aanvoerder werd; maar tegen de Drie kon hij niet op.
20Банея, син Йодая, мужа хороброго, великий дїлами, із Казеїла. Він убив двох синів Ариїла з Моабу. Раз, як упав снїг, убив він лева в ямі;
20Benaja, de zoon van Jehojada, was een dapper man uit Kabseël, met een rijke staat van dienst. Hij versloeg de twee zonen van Ariël uit Moab. Ook doodde hij midden in een kuil een leeuw op een dag, dat er sneeuw lag.
21Сей же вбив і велетня Египтїя. Египтїй держав списа в руцї, він же пійшов із палицею на його, вирвав у Египтїя списа з руки та й положив його власним його списом.
21Verder versloeg hij een Egyptenaar, een man van ongewone afmetingen, die met een lans was gewapend; hij ging met een stok op hem af, wrong hem de lans uit de vuist en stak hem met zijn eigen lans dood.
22Таке дїло вчинив Банея Йодаєнко; й був він славний між трьома невміраками;
22Zulke dingen deed Benaja, de zoon van Jehojada!
23Між трийцятьма був він у шанобі, та первим трьом не був рівня. Давид поставив його найблизшим своїм прибічником.
23Daardoor was hij beroemder dan de Dertig, maar tegen de Drie kon hij niet op. Hem stelde David over zijn lijfwacht aan.
24(А се ймена прочих силачів Давидових:) Асаїл, брат Йоабів, був між трийцятьма; далїй Елханан Доденко з Бетлеєму;
24Tot de Dertig behoorden Asaël, de broer van Joab; Elchanan, de zoon van Dodo uit Betlehem;
25Самма з Хароду, Елика з Хароду;
25Sjamma uit Charod; Elika uit Charod;
26Херець із Палту; Іра Ікешенко з Текої;
26Chéles uit Bet-Pélet; Ira de zoon van Ikkesj uit Tekóa;
27Ебіезер із Анатоа, Мебуннай із Гуші;
27Abiézer uit Anatot; Meboennai uit Choesja;
28Залмон із Ахоху, Магарай з Нетофу;
28Salmon uit Achochi; Maharai uit Netófa;
29Хелеб Бааненко з Нетофу; Іддай Рибаєнко з Гиви, Беняминїй;
29Chéleb, de zoon van Baäna uit Netófa; Ittai, de zoon van Ribai uit Géba der Benjamieten;
30Банея з Пирату; Іддай з Нахле-Гаашу;
30Benajáhoe uit Piraton; Hiddai uit Nachale-Gáasj;
31Абі-Албон із Арби, Азмавет із Бархуму;
31Abibáal uit Bet-Arba; Azmáwet uit Bachoerim;
32Еліахба з Саалбону, з синів Яшена — Йонатан;
32Eljachba uit Sjaälbon; Jasjen uit Goen; Jehonatan;
33Сама з Гарару; Ахіам Сараренко з Арару;
33Sjamma uit Harar; Achiam, de zoon van Sjarar, uit Harar;
34Елифелет, син Ахасбая Магахатового, Еліам Ахитофеленко з Гиламу;
34Elifélet, de zoon van Achasbai, uit Bet-Maäka; Eliam, de zoon van Achitófel, uit Gilo;
35Гезро з Кармелю; Паарай Арбій;
35Chesrai uit Karmel; Paärai uit Arbi;
36Ігал Натаненко з Зоби, Банїй з Гаду;
36Jigal, de zoon van Natan, uit Soba; Bani uit Gad;
37Зелек Аммонїй, Нахарай з Бероту, зброєноша Йоабів Саруєнків;
37Sélek, de Ammoniet; Nacharai uit Beërot, de wapendrager van Joab, den zoon van Seroeja;
38Іра з Ітрі, Гареб із Ітрі;
38Ira uit Jéter; Gareb uit Jéter;
39Урія Гетїй. Усїх трийцять і сїм.
39Oerija de Chittiet. In het geheel waren er dus zeven en dertig.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.