2 Самуїлова 18
Kulish and Puluj Bible (1905)Translation
Kulish and Puluj Bible (1905)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Перегледїв же Давид військовий люд, що був при йому, та й понастановляв над ними тисячників і сотників.
1Toen David zijn aanhang gemonsterd had, en onder leiding gesteld van onderbevelhebbers over duizend en honderd,
2І віддав Давид третину під провід Йоаба, третину під провід Абесси Саруєнка, брата Йоабового, а третину під провід Гетїя Еттея. І обявив Давид людям: Я сам пійду з вами.
2verdeelde hij het volk in drieën: een derde onder bevel van Joab, een derde onder bevel van Abisjai, den zoon van Seroeja en broer van Joab, en een derde onder bevel van Ittai, den Gatiet. En de koning sprak tot het volk: Ook ik wil met u meetrekken.
3І відказали люде: Не треба тобі йти; бо коли б ми й кинулись навтеки, то про нас не дбати муть; коли б і половина з нас полягла, також не дбати муть про нас, а ти один — все одно, що нас десять тисяч; лучше, як ти нам допомагати меш із города.
3Maar het volk antwoordde: Doe dat niet! Want als wij op de vlucht slaan, let niemand op ons; en al zou ook de helft van ons sneuvelen, men let niet op ons. Want gij telt evenveel als tienduizend van ons; bovendien is het beter, dat gij ons van de stad uit te hulp kunt komen.
4І відказав їм царь: Що вам до вподоби, те й чинити му. Тодї став царь у воріт, тим часом як люд виходив сотнями й тисячами.
4Toen sprak de koning tot hen: Ik zal doen, wat u het beste lijkt. Toen nam de koning plaats opzij van de poort. En terwijl heel het volk in afdelingen van duizend en honderd naar buiten trok,
5Однакже дав царь Йоабові, Абессї й Еттеєві наказ: Ощаджуйте менї дитину Абессалома! І чув увесь люд, як царь давав усїм гетьманам наказ про Абессалома.
5gaf de koning aan Joab, Abisjai en Ittai bevel: Behandel den jongen Absalom genadig! En heel het volk hoorde, hoe de koning aan alle oversten zijn bevelen over Absalom gaf.
6Так виступили люде в поле против Ізрайлитян, і прийшли до бою в лїсї Ефраїмовім.
6Zo trok het volk tegen Israël te velde, en de slag vond plaats in het woud van Efraïm.
7І побитий був народ Ізраїлський військом Давидом; погром був там того дня тяжкий — полягло двайцять тисяч чоловіка.
7Daar werd het volk van Israël door de aanhang van David verslagen, en het kwam daar die dag tot een geweldige slachting van twintigduizend man.
8Битва розширилась на всю ту землю, а гай вигубив більше людей того дня, нїж меч.
8De strijd sloeg over op die gehele streek, en het woud maakte onder het volk meer slachtoffers, dan het zwaard die dag had gedaan.
9І попавсь на очі Давидовим войовникам Абессалом, а їхав він на мулї; й кинувсь мул під гилястого дуба, й запутавсь Абессалом волоссєм в галузях дуба, й повис між небом і землею, а мул вибіг ізпід його.
9Terwijl Absalom op zijn muildier wegreed, stiet hij plotseling op de getrouwen van David. En toen het muildier onder het lover van een hoge eik doorging, raakte Absalom met zijn hoofdhaar in de eik vast, en bleef hij tussen hemel en aarde hangen, terwijl het dier onder hem doorschoot.
10І побачив се один та й каже Йоабові: Ось я бачив Абессалома — висить на дубі.
10Iemand, die het gezien had, ging aan Joab vertellen: Daar heb ik Absalom aan een eik zien hangen!
11І відказав Йоаб чоловікові: Коли бачив, то чом же не прибив його там же ʼд землї? Я дав би тобі за се десять срібних секлів і пояс (лицарський).
11En Joab sprak tot den man, die het hem kwam berichten: Waarom hebt ge hem dan niet meteen tegen de grond geslagen? Ik had er tien zilverstukken en een gordel voor over gehad!
12Чоловік же відказав Йоабові: Та хоч би менї й тисячу срібних секлів вилїчено на руку, не наложив би я руки на царського сина. Хиба ж ми не чули, як царь тобі й Абессї й Еттеєві давав наказ: Збережіте менї мою дитину, Абессалома!
12Maar de man gaf Joab ten antwoord: Al had men mij duizend zilverstukken in mijn handen geteld, dan zou ik mijn hand nog niet uitgestoken hebben naar den zoon van den koning; want we hebben met eigen oren gehoord, dat de koning aan u, aan Abisjai en Ittai bevel gaf: Spaart mij den jongen Absalom!
13Коли б же я й потай усїх проти його вчинив зло, то й найменьша річ не втаїлась би від царя, а й ти встав би проти мене.
13Had ik mij aan zijn leven vergrepen, dan was de koning er zeker achter gekomen, en gij hadt u afzijdig gehouden!
14І гукне Йоаб: Нїчого менї довше з тобою гаятись. І вхопив три списи та й встромив їх Абессаломові в груди; а коли він іще живий висїв на дубі,
14Joab zeide: Neen, ik had het voor u in orde gebracht. Toen nam Joab drie pieken mee, en boorde ze Absalom in de borst. Daar Absalom echter nog levend aan de eik bleef hangen,
15Прискочило десять чур-зброєношів Йоабових та й добили Абессалома.
15stormden tien knapen, die de wapens van Joab droegen, van alle kanten op Absalom los, en sloegen hem dood.
16І звелїв Йоаб трубити в трубу, й покинули войовники вганяти за Ізраїлем, бо Йоаб щадив народ.
16Daarop liet Joab, die het volk wilde sparen, de trompet blazen, en het volk staakte de achtervolging van Israël.
17І взяли Абессалома, вкинули його в величезну яму в гаю, та й нагромадили над ним величезну купу каміння. І всї Ізрайлитяне порозбігались по домівках своїх.
17Ze namen Absalom op, wierpen hem in een diepe kuil in het woud, en stapelden er een geweldige hoop stenen boven op. Intussen was heel Israël naar zijn tenten gevlucht.
18Абессалом іще за живота взяв та й поставив собі памятник в царській долинї, бо казав сам собі: Нема в мене сина, щоб сохранилась память імени мого. І прозвав памятник своїм имям. І зветься він по сей день „Рука Абессаломова‟.
18En Absalom had nog wel tijdens zijn leven voor zichzelf het monument laten oprichten, dat in de Koningsvallei staat! Want hij had gedacht: Ik heb geen zoon, om mijn naam in herinnering te houden. Daarom had hij het monument naar zichzelf genoemd. Ook heden heet het nog: Absaloms gedenkteken.
19Ахимаас Садоченко каже тодї Йоабові: Побіжу та принесу цареві звістку, що Господь судом своїм визволив його з рук ворогів його.
19Toen sprak Achimáas, de zoon van Sadok, tot Joab: Ik zal den koning eens gauw de blijde tijding gaan brengen, dat Jahweh hem recht heeft verschaft tegenover zijn vijanden.
20І відказав йому Йоаб: Не був би ти сьогоднї добрим вістуном; понеси вістку иншим разом, а не сьогоднї, бо царський син умер.
20Maar Joab zeide tot hem: Gij moet vandaag maar geen tijding gaan overbrengen, dat kunt ge doen op een andere dag; heden brengt ge geen blijde tijding, want de zoon des konings is dood!
21І звелїв Йоаб Хусієві: Піди, донеси цареві, що ти бачив. І поклонивсь Хусій Йоабові та й побіг.
21Daarop gaf Joab aan een Ethiopiër bevel, den koning te berichten, wat hij gezien had. De Ethiopiër boog zich voor Joab neer, en rende weg.
22Але Ахимаас Садоченко наставав й каже Йоабові: Що буде, те й буде, а я таки побіжу слїдом за Хусієм. І відказав Йоаб: Чого ж тобі, сину мій, бігти? не принесеш ти доброї вістї.
22Maar Achimáas, de zoon van Sadok, zei nog eens tot Joab: Gebeure wat wil, ik ga achter den Ethiopiër aan! Joab sprak: Waarom zoudt ge zo’n haast maken, mijn jongen; het is heus geen bericht, waar ge voordeel van trekt.
23А він: Нехай буде й так, а я біжу! І каже той: Ну, то біжи. І побіг Ахимаас дорогою направцї, та й випередив Хусія.
23Maar toen hij volhield: “Gebeure wat wil, ik loop er heen!” riep Joab hem toe: Loop er dan heen! En daar Achimáas de weg door de Jordaanstreek koos, kwam hij den Ethiopiër voor.
24Давид саме тодї седїв між обома ворітьми, вартовик же війшов на башту над ворітьми; а коли споглянув, бачить — біжить один чоловік.
24David zat juist tussen de beide poorten, toen de schildwacht, die over de muur naar het dak van de poort was geklommen, daar rondkeek, en iemand zag aanrennen, geheel alleen.
25Крикне тодї вартовик і каже се цареві, а царь одвічає: Коли се лиш один, так се добра вість. А той біжить і біжить, і вже надходить близенько.
25De schildwacht riep den koning het nieuws toe. En de koning zeide: Als hij alleen is, heeft hij goed nieuws! Maar terwijl de een hoe langer hoe dichterbij kwam,
26Аж бачить сторож — біжить і другий чоловік. Крикне тодї вартовик: Он біжить ще й другий чоловік. І каже царь: І сей несе добру вість.
26zag de schildwacht boven de poort nog een ander aan komen rennen, en hij riep: Daar komt nog een ander aanrennen, geheel alleen! De koning antwoordde: Ook die heeft goed nieuws.
27І крикне тодї вартовик: Як бачу, хода первого, що біжить, схожа на ходу Ахимаасову Садоченкову. І каже царь: Се чоловік ручий: несе добру звістку.
27Nu riep de schildwacht: Ik herken de loop van den voorste; het is de loop van Achimáas, den zoon van Sadok. En de koning hernam: Een beste man; die komt met goed nieuws!
28Аж тут Ахимаас кликнув і каже цареві: Витаю, царю! тодї припав лицем до землї перед царем та й сказав: Благословен Господь, Бог твій! він віддав тих людей, що підняли були руку проти мого царя й пана!
28Achimáas kwam aanlopen, en riep tot den koning: Goed nieuws! Toen boog hij zich voor den koning neer op de grond, en sprak: Gezegend zij Jahweh, uw God, die allen, welke hun hand tegen mijn heer den koning hadden opgeheven, in de steek heeft gelaten!
29І питає царь: Чи добре дїється моїй дитинї Абессаломові? І каже Ахимаас: Я бачив велике збіговище, як посилав Йоаб раба твого, та не знаю, що там счинилось.
29Maar de koning vroeg: Is de jonge Absalom ongedeerd? Achimáas antwoordde: Juist toen Joab uw dienaar wegstuurde, zag ik een geweldige oploop, maar ik weet niet, wat er gebeurd is.
30І відказав царь: Стань на боцї та й стій тут; він відступивсь та й став.
30Toen zeide de koning: Ga opzij en blijf daar staan. En terwijl hij opzij ging en wachtte,
31Тепер надійшов і Хусій. І промовив Хусій: Добра вість для царя й пана мого! сьогоднї бо Господь учинив тобі правду, вибавляючи тебе з руки всїх тих, що встали були на тебе.
31kwam de Ethiopiër aan. En deze sprak: Mijn heer en koning moge de blijde tijding ontvangen, dat Jahweh u heden recht gedaan heeft tegenover allen, die tegen u waren opgestaan!
32І питає царь Хусія: Чи миром моє дитя Абессалом? І відказав Хусій: Бог-дай так сталося ворогам царя й пана мого й усїм, що ворогуючи, встають на тебе, як сталось дитинї твоїй!
32Maar de koning vroeg aan den Ethiopiër: Is de jonge Absalom ongedeerd? Toen zeide de Ethiopiër: Moge het de vijanden van mijn heer en koning, en allen die tegen u zijn opgestaan, op dezelfde wijze vergaan als die jongeman!
33І затрусився царь, і пійшов в горішню комнату над брамою, й плакав, а йдучи, говорив безнастанно: Сину мій Абессаломе! Сину мій, сину мій Абессаломе! Ой коли б я був умер замість тебе, Абессаломе, сину мій, сину мій!
33Diep geschokt ging de koning naar het vertrek boven de poort; daar liep hij wenend heen en weer en riep aldoor: Mijn zoon, Absalom mijn zoon, Absalom mijn zoon! Ach, was ik zelf maar in uw plaats gestorven, Absalom mijn zoon, mijn zoon!
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.