サムエル記第二
Chapter 18
Freedom Bible (フリーダム・バイブル)
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers

サムエル記第二 18

Freedom Bible (フリーダム・バイブル)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1ダビデは自分とともにいる民を数え、彼らの上に千人の長と百人の長を任命した。
1Toen David zijn aanhang gemonsterd had, en onder leiding gesteld van onderbevelhebbers over duizend en honderd,
2ダビデは民を送り出した。三分の一はヨアブの手に、三分の一はツェルヤの息子でヨアブの兄弟であるアビシャイの手に、三分の一はガテ人イタイの手に委ねた。王は民に言った。「わたしも必ず、あなたがたとともに出て行く。」
2verdeelde hij het volk in drieën: een derde onder bevel van Joab, een derde onder bevel van Abisjai, den zoon van Seroeja en broer van Joab, en een derde onder bevel van Ittai, den Gatiet. En de koning sprak tot het volk: Ook ik wil met u meetrekken.
3しかし民は言った。「あなたは出て行ってはなりません。もしわれわれが逃げ去っても、彼らはわれわれを気に留めないからです。もしわれわれの半分が死んでも、彼らはわれわれを気に留めません。しかし、あなたはわれわれ一万人に等しい方です。ですから今、あなたは町にとどまり、そこからわれわれを助けてくださる方がよいのです。」
3Maar het volk antwoordde: Doe dat niet! Want als wij op de vlucht slaan, let niemand op ons; en al zou ook de helft van ons sneuvelen, men let niet op ons. Want gij telt evenveel als tienduizend van ons; bovendien is het beter, dat gij ons van de stad uit te hulp kunt komen.
4王は彼らに言った。「わたしはあなたがたが良いと思うことをしよう。」王は門のそばに立ち、すべての民は百人ずつ、千人ずつ出て行った。
4Toen sprak de koning tot hen: Ik zal doen, wat u het beste lijkt. Toen nam de koning plaats opzij van de poort. En terwijl heel het volk in afdelingen van duizend en honderd naar buiten trok,
5王はヨアブとアビシャイとイタイに命じて言った。「わたしのために、あの若者アブサロムを、わたしに免じて手加減してくれ。」王がアブサロムについてすべての長たちに命じたとき、すべての民はそれを聞いていた。
5gaf de koning aan Joab, Abisjai en Ittai bevel: Behandel den jongen Absalom genadig! En heel het volk hoorde, hoe de koning aan alle oversten zijn bevelen over Absalom gaf.
6こうして民はイスラエルに立ち向かうために野に出て行き、戦いはエフライムの森で行われた。
6Zo trok het volk tegen Israël te velde, en de slag vond plaats in het woud van Efraïm.
7イスラエルの民はそこでダビデの家来たちに大敗し、その日、二万人が倒れた。
7Daar werd het volk van Israël door de aanhang van David verslagen, en het kwam daar die dag tot een geweldige slachting van twintigduizend man.
8戦いはそこからその全地方の面に広がり、その日、森で命を失った者は、剣で倒れた者よりも多かった。
8De strijd sloeg over op die gehele streek, en het woud maakte onder het volk meer slachtoffers, dan het zwaard die dag had gedaan.
9アブサロムはたまたまダビデのしもべたちに出くわした。アブサロムは自分の騾馬に乗っていたが、その騾馬が大きな樫の木の太い枝の下に入り込んだとき、彼の頭がその樫の木に引っかかり、彼は天と地の間に宙づりになった。そして彼の下にいた騾馬は通り過ぎて行った。
9Terwijl Absalom op zijn muildier wegreed, stiet hij plotseling op de getrouwen van David. En toen het muildier onder het lover van een hoge eik doorging, raakte Absalom met zijn hoofdhaar in de eik vast, en bleef hij tussen hemel en aarde hangen, terwijl het dier onder hem doorschoot.
10ある男がそれを見て、ヨアブに告げた。「わたしはアブサロムが樫の木にぶら下がっているのを見ました。」
10Iemand, die het gezien had, ging aan Joab vertellen: Daar heb ik Absalom aan een eik zien hangen!
11ヨアブは自分に告げた男に言った。「あなたはそれを見たのに、なぜそこで彼を地面に打ち倒さなかったのか。わたしはあなたに銀十枚と帯一つを与えただろうに。」
11En Joab sprak tot den man, die het hem kwam berichten: Waarom hebt ge hem dan niet meteen tegen de grond geslagen? Ik had er tien zilverstukken en een gordel voor over gehad!
12男はヨアブに言った。「たとえ千枚の銀をわたしの手に受け取ったとしても、わたしは王子に手をかけたりはしません。われわれの聞いているところで、王があなたとアビシャイとイタイに、『だれもあの若者アブサロムに手を下さないように注意せよ』と命じられたからです。
12Maar de man gaf Joab ten antwoord: Al had men mij duizend zilverstukken in mijn handen geteld, dan zou ik mijn hand nog niet uitgestoken hebben naar den zoon van den koning; want we hebben met eigen oren gehoord, dat de koning aan u, aan Abisjai en Ittai bevel gaf: Spaart mij den jongen Absalom!
13もしわたしが王子に背いてその命を奪っていたなら(王に隠されている事はありませんから)、あなた自身がわたしに敵対していたでしょう。」
13Had ik mij aan zijn leven vergrepen, dan was de koning er zeker achter gekomen, en gij hadt u afzijdig gehouden!
14するとヨアブは、「わたしはあなたと一緒にこのように待っているわけにはいかない」と言った。彼は手に三本の槍を取り、アブサロムがまだ樫の木の中ほどで生きている間に、それらをアブサロムの心臓に突き刺した。
14Joab zeide: Neen, ik had het voor u in orde gebracht. Toen nam Joab drie pieken mee, en boorde ze Absalom in de borst. Daar Absalom echter nog levend aan de eik bleef hangen,
15ヨアブの武器を持つ十人の若者がアブサロムを囲んで打ち、彼を殺した。
15stormden tien knapen, die de wapens van Joab droegen, van alle kanten op Absalom los, en sloegen hem dood.
16ヨアブは角笛を吹き鳴らした。すると民はイスラエルを追うのから戻って来た。ヨアブが民を引き止めたからである。
16Daarop liet Joab, die het volk wilde sparen, de trompet blazen, en het volk staakte de achtervolging van Israël.
17彼らはアブサロムを取り、森の中の大きな穴に投げ込み、彼の上に非常に大きな石の塚を積み上げた。それから全イスラエルは逃げ、それぞれ自分の天幕に帰った。
17Ze namen Absalom op, wierpen hem in een diepe kuil in het woud, en stapelden er een geweldige hoop stenen boven op. Intussen was heel Israël naar zijn tenten gevlucht.
18さて、アブサロムは生きている間に、王の谷にある柱を取って自分のために立てていた。「わたしの名を記憶にとどめる息子がわたしにはいない」と言ったからである。彼はその柱を自分の名にちなんで呼んだ。それは今日に至るまで、アブサロムの記念碑と呼ばれている。
18En Absalom had nog wel tijdens zijn leven voor zichzelf het monument laten oprichten, dat in de Koningsvallei staat! Want hij had gedacht: Ik heb geen zoon, om mijn naam in herinnering te houden. Daarom had hij het monument naar zichzelf genoemd. Ook heden heet het nog: Absaloms gedenkteken.
19それからツァドクの息子アヒマアツは言った。「どうか今、わたしを走らせて、主が王の敵に復讐してくださったという知らせを王に伝えさせてください。」
19Toen sprak Achimáas, de zoon van Sadok, tot Joab: Ik zal den koning eens gauw de blijde tijding gaan brengen, dat Jahweh hem recht heeft verschaft tegenover zijn vijanden.
20ヨアブは彼に言った。「あなたは今日、知らせを運ぶ者となってはならない。知らせは別の日に運びなさい。しかし今日、あなたは知らせを運んではならない。王の息子が死んだからだ。」
20Maar Joab zeide tot hem: Gij moet vandaag maar geen tijding gaan overbrengen, dat kunt ge doen op een andere dag; heden brengt ge geen blijde tijding, want de zoon des konings is dood!
21それからヨアブはクシュ人に言った。「行って、あなたの見たことを王に告げよ!」クシュ人はヨアブに身をかがめ、走って行った。
21Daarop gaf Joab aan een Ethiopiër bevel, den koning te berichten, wat hij gezien had. De Ethiopiër boog zich voor Joab neer, en rende weg.
22それからツァドクの息子アヒマアツは、再びヨアブに言った。「どうなろうとも、どうかわたしにも、クシュ人の後を走らせてください。」 ヨアブは言った。「わが息子よ、なぜあなたは走りたいのか。その知らせのために報いを受けることはないのだぞ。」
22Maar Achimáas, de zoon van Sadok, zei nog eens tot Joab: Gebeure wat wil, ik ga achter den Ethiopiër aan! Joab sprak: Waarom zoudt ge zo’n haast maken, mijn jongen; het is heus geen bericht, waar ge voordeel van trekt.
23「どうなろうとも、わたしは走ります」と彼は言った。 彼は「走れ!」と言った。そこでアヒマアツは平原の道を走り、クシュ人を追い越した。
23Maar toen hij volhield: “Gebeure wat wil, ik loop er heen!” riep Joab hem toe: Loop er dan heen! En daar Achimáas de weg door de Jordaanstreek koos, kwam hij den Ethiopiër voor.
24さて、ダビデは二つの門の間に座っていた。見張りは城壁の上の門の屋上に上り、目を上げると、一人の男が走って来た。
24David zat juist tussen de beide poorten, toen de schildwacht, die over de muur naar het dak van de poort was geklommen, daar rondkeek, en iemand zag aanrennen, geheel alleen.
25見張りは大声で叫び、王に告げた。 王は言った。「もし彼が一人なら、知らせを持っている。」 彼はますます近づいて来た。
25De schildwacht riep den koning het nieuws toe. En de koning zeide: Als hij alleen is, heeft hij goed nieuws! Maar terwijl de een hoe langer hoe dichterbij kwam,
26見張りはもう一人の男が走って来るのを見た。そして見張りは門番に叫んで、「もう一人、男が走って来ます!」と言った。 王は言った。「彼も知らせを持って来る。」
26zag de schildwacht boven de poort nog een ander aan komen rennen, en hij riep: Daar komt nog een ander aanrennen, geheel alleen! De koning antwoordde: Ook die heeft goed nieuws.
27見張りは言った。「一番目の者の走りは、ツァドクの息子アヒマアツの走りのように思われます。」 王は言った。「彼は良い男だから、良い知らせを持って来る。」
27Nu riep de schildwacht: Ik herken de loop van den voorste; het is de loop van Achimáas, den zoon van Sadok. En de koning hernam: Een beste man; die komt met goed nieuws!
28アヒマアツは王に呼びかけて、「すべて平安です」と言った。彼は王の御前で地に顔をすりつけて身をかがめ、「あなたの神、主はほむべきかな。わが君、王に向かって手を上げた者たちを引き渡してくださった」と言った。
28Achimáas kwam aanlopen, en riep tot den koning: Goed nieuws! Toen boog hij zich voor den koning neer op de grond, en sprak: Gezegend zij Jahweh, uw God, die allen, welke hun hand tegen mijn heer den koning hadden opgeheven, in de steek heeft gelaten!
29王は言った。「あの若者アブサロムは無事か。」 アヒマアツは答えた。「ヨアブが王のしもべ、すなわちあなたのしもべであるわたしを遣わしたとき、わたしは大きな騒ぎを見ましたが、それが何であるかは知りません。」
29Maar de koning vroeg: Is de jonge Absalom ongedeerd? Achimáas antwoordde: Juist toen Joab uw dienaar wegstuurde, zag ik een geweldige oploop, maar ik weet niet, wat er gebeurd is.
30王は言った。「わきに退いて、ここに立っていなさい。」彼はわきに退き、そこに立っていた。
30Toen zeide de koning: Ga opzij en blijf daar staan. En terwijl hij opzij ging en wachtte,
31そこへクシュ人が来た。クシュ人は言った。「わが君、王に勝利の知らせがあります。主が今日、あなたに立ち向かって起きたすべての者に復讐してくださったからです。」
31kwam de Ethiopiër aan. En deze sprak: Mijn heer en koning moge de blijde tijding ontvangen, dat Jahweh u heden recht gedaan heeft tegenover allen, die tegen u waren opgestaan!
32王はクシュ人に言った。「あの若者アブサロムは無事か。」 クシュ人は答えた。「わが君、王の敵たち、またあなたに悪を行うために立ち向かって起きるすべての者たちが、あの若者のようになりますように。」
32Maar de koning vroeg aan den Ethiopiër: Is de jonge Absalom ongedeerd? Toen zeide de Ethiopiër: Moge het de vijanden van mijn heer en koning, en allen die tegen u zijn opgestaan, op dezelfde wijze vergaan als die jongeman!
33王は激しく心を動かされ、門の上の部屋に上って行って泣いた。彼は歩きながらこう言った。「わが息子アブサロムよ!わが息子、わが息子アブサロムよ!わたしがあなたの代わりに死ねばよかったものを。アブサロム、わが息子、わが息子よ!」
33Diep geschokt ging de koning naar het vertrek boven de poort; daar liep hij wenend heen en weer en riep aldoor: Mijn zoon, Absalom mijn zoon, Absalom mijn zoon! Ach, was ik zelf maar in uw plaats gestorven, Absalom mijn zoon, mijn zoon!

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.