サムエル記第二 21
Freedom Bible (フリーダム・バイブル)Translation
Freedom Bible (フリーダム・バイブル)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1ダビデの時代に、三年続きのききんがあった。ダビデが主の御顔を求めると、主は言われた。「これはサウルと、その血にまみれた家のためである。彼がギベオン人を殺したからだ。」
1Tijdens de regering van David heerste er eens een hongersnood, drie jaren achtereen. En toen David Jahweh daarover raadpleegde, sprak Jahweh: Op Saul en zijn huis rust een bloedschuld, omdat hij de Gibonieten gedood heeft
2王はギベオン人を呼び寄せて彼らに言った(ギベオン人はイスラエルの民ではなく、アモリ人の残りの者であった。イスラエルの民は彼らに誓っていたが、サウルはイスラエルとユダの人々への熱心から、彼らを殺そうとしていたのである)。
2Toen ontbood de koning de Gibonieten en onderhield zich met hen. Deze Gibonieten waren geen Israëlieten, maar een overblijfsel van de Amorieten; de Israëlieten hadden zich onder ede met hen verbonden, maar in zijn ijver voor Israël en Juda had Saul getracht, ze uit te roeien.
3ダビデはギベオン人に言った。「わたしはあなたがたのために何をすればよいのか。何をもって贖罪をすれば、あなたがたは主の民を祝福してくれるのか。」
3David zeide tot de Gibonieten: Wat moet ik voor u doen, en hoe kan ik het goed maken, opdat gij zegen afroept over het erfdeel van Jahweh?
4ギベオン人は彼に言った。「われわれとサウル、またその家との間の問題は、銀や金のことではありません。また、われわれがイスラエルの中でだれかを死なせることでもありません。」 彼は言った。「あなたがたの言うことなら、何でもあなたがたのために行おう。」
4De Gibonieten antwoordden hem: We hebben van Saul en zijn familie geen goud of zilver nodig; van de andere kant is het ons niet geoorloofd, iemand in Israël te doden. Hij vroeg daarop: Wat bedoelt gij dan, dat ik voor u doen zal?
5彼らは王に言った。「われわれを滅ぼし尽くし、イスラエルのどの領土にも残れないようにと企てたあの人、
5Toen zeiden ze tot den koning: De man, die ons heeft uitgemoord, en ons geheel wilde uitroeien, zodat we in geen enkele streek van Israël meer zouden voorkomen,
6その息子たちのうち七人を、われわれに引き渡してください。主に選ばれた者サウルのギブアで、われわれは主の御前に彼らを吊るします。」 王は言った。「わたしは彼らを引き渡そう。」
6van dien man moet men ons zeven nakomelingen uitleveren! We willen ze ophangen voor Jahweh in Gibon, op de berg van Jahweh. De koning beloofde: Ik zal ze geven.
7しかし王は、ダビデとサウルの息子ヨナタンとの間に結ばれた、主にかけた契約の誓いのゆえに、サウルの息子ヨナタンの息子メフィボシェテを惜しんだ。
7De koning wilde echter Mefibósjet sparen, den zoon van Jonatan, den zoon van Saul, omdat David en Jonatan, de zoon van Saul, een eed bij Jahweh aan elkander hadden gezworen.
8王は、アヤの娘リツパがサウルに産んだ二人の息子アルモニとメフィボシェテ、またサウルの娘メラブがメホラ人バルジライの息子アドリエルに産んだ五人の息子を捕らえた。
8Daarom koos de koning twee kinderen, Armoni en Mefibósjet, die Rispa, de dochter van Ajja, aan Saul geschonken had, met de vijf kinderen, die Merab, de dochter van Saul, geschonken had aan Adriël, den zoon van Barzillai, den Mecholatiet.
9彼は彼らをギベオン人の手に引き渡し、ギベオン人は主の御前の山で彼らを吊るした。こうして彼ら七人はともに倒れた。彼らは収穫の時期、すなわち大麦の収穫が始まる最初の日々に死に渡された。
9Hij liet ze uitleveren aan de Gibonieten, die ze voor Jahweh op de berg ophingen. Zo kwamen alle zeven tegelijk om het leven. Het was in de eerste dagen van de oogst, bij het begin van de gerstenoogst, dat ze ter dood werden gebracht.
10アヤの娘リツパは粗布を取り、収穫の初めから空から雨が彼らの上に降り注ぐまで、それを自分のために岩の上に広げた。彼女は昼には空の鳥が、夜には野の獣が彼らの上に下りることを許さなかった。
10Toen nam Rispa, de dochter van Ajja, het rouwkleed, spreidde het op de rots uit, en bleef er op zitten van het begin van de gerstenoogst af, totdat het hemelwater op hun lijken neerstroomde. Zo belette ze, dat overdag de vogels uit de lucht, en s nachts de wilde dieren er op aanvielen.
11サウルのそばめであったアヤの娘リツパがしたことが、ダビデに告げられた。
11Toen David vernam wat Rispa, de dochter van Ajja en bijvrouw van Saul, gedaan had,
12ダビデは行って、サウルの骨とその息子ヨナタンの骨を、ヤベシュ・ギレアデの人々から受け取った。彼らは、ペリシテ人がギルボアでサウルを殺した日に、ペリシテ人が二人を吊るしたベテ・シャンの広場から、それらを盗み出していたのである。
12liet hij bij de burgers van Jabesj-Gilad het gebeente weghalen van Saul en zijn zoon Jonatan, die door hen waren weggenomen van het plein in Bet-Sjean, waar de Filistijnen ze hadden opgehangen, toen ze Saul op de Gilbóa hadden verslagen.
13彼はそこからサウルの骨とその息子ヨナタンの骨を運び上った。人々は吊るされた者たちの骨も集めた。
13En toen het gebeente van Saul en zijn zoon Jonatan vandaar was overgebracht, legde men er het gebeente van de gehangenen bij,
14彼らはサウルとその息子ヨナタンの骨を、ベニヤミンの地ツェラにある、サウルの父キシュの墓に葬った。彼らは王が命じたすべてのことを行った。その後、神はその地のための祈りに答えられた。
14en begroef het met het gebeente van Saul en zijn zoon Jonatan te Sela, in het land van Benjamin, in het graf van zijn vader Kisj. Nadat men alles volgens voorschrift van den koning had volbracht, erbarmde Jahweh Zich over het land.
15ペリシテ人は再びイスラエルと戦った。ダビデは自分のしもべたちとともに下って行き、ペリシテ人と戦ったが、疲れ果てた。
15Toen er weer eens oorlog was tussen de Filistijnen en Israël, en David en zijn manschappen uitrukten, bezetten ze Gob, en raakten slaags met de Filistijnen.
16巨人の息子たちの一人であるイシュビ・ベノブは、ダビデを殺そうとした。彼の槍の重さは青銅三百シェケル であり、彼は新しい剣で武装していた。
16Daar stond iemand op van de Refaïeten! Zijn lans woog driehonderd sikkels aan koper, en hij was met een nieuw pantser omgord. Toen hij David dreigde neer te slaan,
17しかし、ツェルヤの息子アビシャイがダビデを助け、そのペリシテ人を打って殺した。そのとき、ダビデの部下たちは彼に誓って言った。「あなたはもう、われわれとともに戦いに出て行ってはなりません。イスラエルのともしびを消してはならないからです。」
17werd hem dat belet door Abisjai, den zoon van Seroeja, die den Filistijn doodsloeg. Maar Davids manschappen bezwoeren hem: Gij moogt niet meer met ons ten strijde trekken; anders dooft gij het licht van Israël nog uit!
18この後、ゴブで再びペリシテ人との戦いがあった。そのとき、フシャ人シベカイが、巨人の息子たちの一人であるサフを殺した。
18Later kwam het in Gob nog eens tot een gevecht met de Filistijnen. Bij die gelegenheid versloeg Sibbekai, de Choesjatiet, een zekeren Saf, die tot de Refaïeten behoorde.
19さらにゴブでペリシテ人との戦いがあった。ベツレヘム人ヤアレ・オレギムの息子エルハナンが、ガテ人ゴリアテの兄弟を殺した。その槍の柄は機織りの巻き棒のようであった。
19Toen de strijd met de Filistijnen weer in Gob losbarstte, versloeg Elchanan, de zoon van Jaïr den Betlehemiet, Goliat den Gatiet, ofschoon de schacht van zijn lans gelijk een weversboom was.
20さらにガテでも戦いがあった。そこには非常に背の高い男がいた。彼にはそれぞれの手に六本の指、それぞれの足に六本の指があり、その数は二十四本であった。彼もまた巨人の子孫であった。
20En toen er weer oorlog uitbrak in Gat, was er een reus, die aan zijn handen zes vingers, aan zijn voeten zes tenen had, in het geheel dus vier en twintig. Ook hij behoorde tot de Refaïeten.
21彼がイスラエルをそしったので、ダビデの兄弟シメイの息子ヨナタンが彼を殺した。
21Toen hij Israël uitlachte, sloeg Jonatan, de zoon van Sjamma, den broer van David, hem neer.
22これら四人はガテで巨人の子孫として生まれた者たちであり、ダビデの手とそのしもべたちの手によって倒れた。
22Deze vier waren allen Refaïeten uit Gat; zij vielen door de hand van David en zijn manschappen.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.