Jonas 3
Bíblia Portuguesa Mundial (Brazilian Portuguese)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1A palavra do SENHOR veio a Jonas pela segunda vez, dizendo:
1Voor de tweede maal werd nu het woord van Jahweh tot Jonas gericht:
2“Levante-se, vá à grande cidade de Nínive, e pregue a ela a mensagem que eu lhe dou.”
2Sta op, ga naar Ninive, de grote stad, en kondig haar aan, wat Ik u heb bevolen.
3Então Jonas se levantou e foi a Nínive, de acordo com a palavra do SENHOR. Ora, Nínive era uma cidade extremamente grande, de três dias de caminhada.
3En nu stond Jonas op, en ging naar Ninive op Jahweh’s bevel. Ninive was een geweldige stad, drie dagreizen groot.
4Jonas começou a entrar na cidade, caminhando a distância de um dia, e clamou, dizendo: “Em quarenta dias, Nínive será destruída!”
4Toen Jonas de stad een dagreis ver was binnengetrokken, begon hij te preken: “Nog veertig dagen, en Ninive zal vergaan!”
5O povo de Nínive creu em Deus; e proclamaram um jejum e vestiram-se de pano de saco, desde o maior até o menor deles.
5En de inwoners van Ninive geloofden in God; ze schreven een vasten uit; groot en klein trok het boetekleed aan.
6A notícia chegou ao rei de Nínive, e ele se levantou do seu trono, tirou o seu manto real, cobriu-se de pano de saco e sentou-se sobre cinzas.
6De mare kwam ook den koning ter ore. Onmiddellijk stond hij op van zijn troon, legde zijn koningskleed af, trok een boetekleed aan, en zat op as.
7Ele fez uma proclamação e a publicou por toda Nínive, por decreto do rei e de seus nobres, dizendo: “Que nem homem nem animal, nem gado nem rebanho, provem coisa alguma; não se alimentem, nem bebam água;
7Ook liet hij afkondigen: “Gegeven te Ninive, op last van den koning en zijn rijksgroten: Mensen noch dieren, runderen noch schapen mogen iets nuttigen, voedsel nemen of water drinken.
8mas que se cubram de pano de saco, tanto homem quanto animal, e clamem fortemente a Deus. Sim, que cada um se desvie do seu mau caminho e da violência que há em suas mãos.
8De mensen moeten het boetekleed aandoen, en met aandrang roepen tot God. Ook moeten allen zich van hun slecht gedrag bekeren, en van de ongerechtigheid hunner handen.
9Quem sabe se Deus não voltará atrás e se arrependerá, e se desviará da sua ira ardente, para que não pereçamos?”
9Misschien dat God zich dan nog bedenkt, en berouw krijgt; dat Hij zijn grimmige toorn laat varen, en wij niet om ‘t leven komen.”
10Deus viu as obras deles, que se desviaram do seu mau caminho. Deus se arrependeu do mal que disse que faria a eles, e não o fez.
10Toen God zag wat zij deden, en hoe zij zich van hun slecht gedrag hadden bekeerd, kreeg Hij spijt over het onheil, waarmee Hij ze gedreigd had, en voerde het niet uit.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.