Jonah
Chapter 3

Jonah

JPS Tanakh (Jewish Publi…
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
JPS Tanakh (Jewish Publication Society, 1917)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1And the word of the LORD came unto Jonah the second time, saying:
1Voor de tweede maal werd nu het woord van Jahweh tot Jonas gericht:
2'Arise, go unto Nineveh, that great city, and make unto it the proclamation that I bid thee.'
2Sta op, ga naar Ninive, de grote stad, en kondig haar aan, wat Ik u heb bevolen.
3So Jonah arose, and went unto Nineveh, according to the word of the LORD. Now Nineveh was an exceeding great city, of three days' journey.
3En nu stond Jonas op, en ging naar Ninive op Jahweh’s bevel. Ninive was een geweldige stad, drie dagreizen groot.
4And Jonah began to enter into the city a day's journey, and he proclaimed, and said: 'Yet forty days, and Nineveh shall be overthrown.'
4Toen Jonas de stad een dagreis ver was binnengetrokken, begon hij te preken: “Nog veertig dagen, en Ninive zal vergaan!”
5And the people of Nineveh believed God; and they proclaimed a fast, and put on sackcloth, from the greatest of them even to the least of them.
5En de inwoners van Ninive geloofden in God; ze schreven een vasten uit; groot en klein trok het boetekleed aan.
6And the tidings reached the king of Nineveh, and he arose from his throne, and laid his robe from him, and covered him with sackcloth, and sat in ashes.
6De mare kwam ook den koning ter ore. Onmiddellijk stond hij op van zijn troon, legde zijn koningskleed af, trok een boetekleed aan, en zat op as.
7And he caused it to be proclaimed and published through Nineveh by the decree of the king and his nobles, saying: 'Let neither man nor beast, herd nor flock, taste any thing; let them not feed, nor drink water;
7Ook liet hij afkondigen: “Gegeven te Ninive, op last van den koning en zijn rijksgroten: Mensen noch dieren, runderen noch schapen mogen iets nuttigen, voedsel nemen of water drinken.
8but let them be covered with sackcloth, both man and beast, and let them cry mightily unto God; yea, let them turn every one from his evil way, and from the violence that is in their hands.
8De mensen moeten het boetekleed aandoen, en met aandrang roepen tot God. Ook moeten allen zich van hun slecht gedrag bekeren, en van de ongerechtigheid hunner handen.
9Who knoweth whether God will not turn and repent, and turn away from His fierce anger, that we perish not?'
9Misschien dat God zich dan nog bedenkt, en berouw krijgt; dat Hij zijn grimmige toorn laat varen, en wij niet om ‘t leven komen.”
10And God saw their works, that they turned from their evil way; and God repented of the evil, which He said He would do unto them; and He did it not.
10Toen God zag wat zij deden, en hoe zij zich van hun slecht gedrag hadden bekeerd, kreeg Hij spijt over het onheil, waarmee Hij ze gedreigd had, en voerde het niet uit.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.