Jonas Propheta
Chapter 3

Jonas Propheta

Clementine Vulgate, 1598
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers

Jonas Propheta 3

Clementine Vulgate, 1598
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Et factum est verbum Domini ad Jonam secundo, dicens:
1Voor de tweede maal werd nu het woord van Jahweh tot Jonas gericht:
2Surge, et vade in Niniven, civitatem magnam, et prædica in ea prædicationem quam ego loquor ad te.
2Sta op, ga naar Ninive, de grote stad, en kondig haar aan, wat Ik u heb bevolen.
3Et surrexit Jonas, et abiit in Niniven juxta verbum Domini: et Ninive erat civitas magna, itinere trium dierum.
3En nu stond Jonas op, en ging naar Ninive op Jahweh’s bevel. Ninive was een geweldige stad, drie dagreizen groot.
4Et cœpit Jonas introire in civitatem itinere diei unius: et clamavit, et dixit: Adhuc quadraginta dies, et Ninive subvertetur.
4Toen Jonas de stad een dagreis ver was binnengetrokken, begon hij te preken: “Nog veertig dagen, en Ninive zal vergaan!”
5Et crediderunt viri Ninivitæ in Deum, et prædicaverunt jejunium, et vestiti sunt saccis, a majore usque ad minorem.
5En de inwoners van Ninive geloofden in God; ze schreven een vasten uit; groot en klein trok het boetekleed aan.
6Et pervenit verbum ad regem Ninive: et surrexit de solio suo, et abjecit vestimentum suum a se, et indutus est sacco, et sedit in cinere.
6De mare kwam ook den koning ter ore. Onmiddellijk stond hij op van zijn troon, legde zijn koningskleed af, trok een boetekleed aan, en zat op as.
7Et clamavit, et dixit in Ninive ex ore regis et principum ejus, dicens: Homines, et jumenta, et boves, et pecora non gustent quidquam: nec pascantur, et aquam non bibant.
7Ook liet hij afkondigen: “Gegeven te Ninive, op last van den koning en zijn rijksgroten: Mensen noch dieren, runderen noch schapen mogen iets nuttigen, voedsel nemen of water drinken.
8Et operiantur saccis homines et jumenta, et clament ad Dominum in fortitudine: et convertatur vir a via sua mala, et ab iniquitate quæ est in manibus eorum.
8De mensen moeten het boetekleed aandoen, en met aandrang roepen tot God. Ook moeten allen zich van hun slecht gedrag bekeren, en van de ongerechtigheid hunner handen.
9Quis scit si convertatur et ignoscat Deus, et revertatur a furore iræ suæ, et non peribimus?
9Misschien dat God zich dan nog bedenkt, en berouw krijgt; dat Hij zijn grimmige toorn laat varen, en wij niet om ‘t leven komen.”
10Et vidit Deus opera eorum, quia conversi sunt de via sua mala: et misertus est Deus super malitiam quam locutus fuerat ut faceret eis, et non fecit.
10Toen God zag wat zij deden, en hoe zij zich van hun slecht gedrag hadden bekeerd, kreeg Hij spijt over het onheil, waarmee Hij ze gedreigd had, en voerde het niet uit.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.