2 Reis
Chapter 9
Bíblia Portuguesa Mundia…
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Bíblia Portuguesa Mundial (Brazilian Portuguese)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1O profeta Eliseu chamou um dos filhos dos profetas e lhe disse: “Coloque o cinto na cintura, pegue este frasco de óleo na mão e vá para Ramote-Gileade.
1Nu ontbood de profeet Eliseus een van de profetenzonen, en beval hem: Omgord uw lenden, en ga met deze kruik olie naar Rama in Gilad.
2Quando chegar lá, procure Jeú, filho de Josafá, filho de Ninsi. Entre, faça-o levantar-se do meio de seus irmãos e leve-o para um quarto interior.
2Daar aangekomen, moet ge uitzien naar Jehoe, den zoon van Jehosjafat, zoon van Nimsji. En wanneer ge hem gevonden hebt, moet ge hem uit de kring van zijn gezellen roepen, en hem in een binnenkamer brengen.
3Então pegue o frasco de óleo, derrame-o sobre a cabeça dele e diga: ‘Assim diz o SENHOR: “Eu o ungi rei sobre Israel.”’ Depois abra a porta, fuja e não espere.”
3Neem dan de kruik met olie, giet die over zijn hoofd uit, en zeg: “Zo spreekt Jahweh! Ik zalf u tot koning over Israël.” Open daarna de deur, en loop hard weg.
4Assim o jovem, o jovem profeta, foi para Ramote-Gileade.
4De jonge profeet ging dus naar Rama in Gilad, en
5Quando ele chegou, eis que os capitães do exército estavam sentados. Então ele disse: “Tenho uma mensagem para você, capitão.” Jeú disse: “Para qual de nós?” Ele disse: “Para você, ó capitão.”
5kwam daar juist aan, toen de legeroversten bij elkander zaten. Hij sprak: Overste, ik heb u iets te zeggen. Jehoe vroeg: Wien van ons allen? Hij antwoordde: U, overste.
6Ele se levantou e entrou na casa. Então o jovem derramou o óleo sobre a cabeça dele e lhe disse: “Assim diz o SENHOR, o Deus de Israel: ‘Eu o ungi rei sobre o povo do SENHOR, sobre Israel.
6Nu stond Jehoe op, en toen hij binnen was, goot de jonge profeet de olie over zijn hoofd, en zeide tot hem: Zo spreekt Jahweh, Israëls God! Ik zalf u tot koning over Israël, het volk van Jahweh.
7Você deve ferir a casa de Acabe, seu senhor, para que eu possa vingar o sangue de meus servos, os profetas, e o sangue de todos os servos do SENHOR, derramado pelas mãos de Jezabel.
7Gij moet het huis van Achab, uw meester, verdelgen. Want Ik zal het bloed van mijn dienaars, de profeten, en van al de dienaars van Jahweh wreken op Izébel
8Pois toda a casa de Acabe perecerá. Eliminarei de Acabe todo aquele que urina contra a parede, tanto o que está preso quanto o que está livre em Israel.
8en op heel het huis van Achab; Ik zal al wat man is in Achabs huis, slaaf of vrij, in Israël uitroeien,
9Farei a casa de Acabe como a casa de Jeroboão, filho de Nebate, e como a casa de Baasa, filho de Aías.
9en met het huis van Achab handelen, zoals Ik met het huis van Jeroboam, den zoon van Nebat, en met dat van Basja, den zoon van Achi-ja, gedaan heb.
10Os cães comerão Jezabel no pedaço de terra de Jezreel, e não haverá ninguém para sepultá-la.’” Então ele abriu a porta e fugiu.
10En Izébel zullen de honden verslinden op de open plaats voor Jizreël, en niemand zal haar begraven. Toen opende hij de deur, en liep weg.
11Quando Jeú saiu para junto dos servos de seu senhor, um deles lhe perguntou: “Está tudo bem? Por que esse louco veio até você?” Ele lhes disse: “Vocês conhecem o homem e como ele fala.”
11Toen Jehoe bij de dienaren van zijn meester terugkwam, vroegen zij hem: Is er iets aan de hand? Wat kwam die razende doen? Hij antwoordde hun: Ge kent zulke mensen en hun manier van doen.
12Eles disseram: “Isso é mentira. Conte-nos agora.” Ele disse: “Ele me falou assim: ‘Assim diz o SENHOR: Eu o ungi rei sobre Israel.’”
12Maar ze zeiden: Uitvluchten; vertel het ons. Toen zei Jehoe: Hij heeft mij letterlijk gezegd: “Zo spreekt Jahweh! Ik zalf u tot koning over Israël”.
13Então eles se apressaram, e cada um pegou o seu manto e o colocou debaixo dele no alto dos degraus, e tocaram a trombeta, dizendo: “Jeú é rei!”
13Terstond namen nu allen hun mantels, en spreidden die boven op de trap onder hem uit, staken de bazuin en riepen: Jehoe is koning!
14Assim Jeú, filho de Josafá, filho de Ninsi, conspirou contra Jorão. (Ora, Jorão estava defendendo Ramote-Gileade, ele e todo o Israel, por causa de Hazael, rei da Síria;
14Zo kwam Jehoe, de zoon van Jehosjafat, zoon van Nimsji, tegen Joram in opstand. Deze had toen met heel Israël Rama in Gilad bezet tegen Chazaël, den koning van Aram,
15mas o rei Jorão havia voltado para ser curado em Jezreel dos ferimentos que os sírios lhe haviam causado quando lutou contra Hazael, rei da Síria.) Jeú disse: “Se é isso que vocês pensam, então não deixem ninguém escapar e sair da cidade para ir contar isso em Jezreel.”
15maar was nu naar Jizreël teruggekeerd, om daar te herstellen van de wonden, die de Arameën hem in de strijd tegen Chazaël, den koning van Aram, hadden toegebracht. Nu sprak Jehoe: Wanneer ge er niets op tegen hebt, laten we niemand uit de stad ontsnappen, om het in Jizreël te gaan melden.
16Então Jeú montou em um carro e foi para Jezreel, pois Jorão estava deitado lá. Acazias, rei de Judá, havia descido para ver Jorão.
16Toen besteeg hij zijn wagen en reed naar Jizreël; want daar lag Joram ziek, en koning Achazja van Juda was bij hem op bezoek.
17Ora, o vigia estava na torre em Jezreel, e ele avistou a tropa de Jeú que se aproximava, e disse: “Vejo uma tropa.” Jorão disse: “Pegue um cavaleiro e envie-o ao encontro deles, e que ele pergunte: ‘Há paz?’”
17De wachter op de toren van Jizreël zag de bende van Jehoe aankomen en riep: Ik zie een grote troep volk. Joram beval: Neem een ruiter en stuur hun die tegemoet om te vragen, wat er gaande is.
18Então um cavaleiro foi ao seu encontro e disse: “O rei pergunta: ‘Há paz?’” Jeú disse: “O que você tem a ver com a paz? Passe para trás de mim!” O vigia disse: “O mensageiro chegou até eles, mas não está voltando.”
18De ruiter reed hem dus tegemoet, en zeide: De koning vraagt, wat er gaande is. Jehoe antwoordde: Gij hebt er niets mee te maken, wat er gaande is. Keer om en volg mij! Nu berichtte de wachter: De bode heeft hen bereikt, maar keert niet terug.
19Então ele enviou um segundo cavaleiro, que chegou até eles e disse: “O rei pergunta: ‘Há paz?’” Jeú respondeu: “O que você tem a ver com a paz? Passe para trás de mim!”
19Toen stuurde Joram er een anderen ruiter op af. Ook deze kwam bij hem, en zeide: De koning vraagt, wat er gaande is. Jehoe antwoordde: Gij hebt er niets mee te maken, wat er gaande is. Keer om en volg mij!
20O vigia disse: “Ele chegou até eles, e não está voltando. A maneira de guiar é como a de Jeú, filho de Ninsi, pois ele guia furiosamente.”
20En weer berichtte de wachter: De bode heeft hen bereikt, maar keert niet terug. Maar dat rijden daar lijkt wel het rijden van Jehoe, den zoon van Nimsji; want hij rijdt als een razende.
21Jorão disse: “Preparem o carro!” Eles prepararam o seu carro. Então Jorão, rei de Israel, e Acazias, rei de Judá, saíram, cada um em seu carro; e saíram ao encontro de Jeú, e o encontraram na propriedade de Nabote, o jezreelita.
21Nu beval Joram: Span in! En toen de paarden waren ingespannen, reden koning Joram van Israël en koning Achazja van Juda, elk op zijn eigen wagen, de stad uit, Jehoe tegemoet; en juist bij de akker van Nabot uit Jizreël ontmoetten ze hem.
22Quando Jorão viu Jeú, ele disse: “Há paz, Jeú?” Ele respondeu: “Que paz, enquanto a prostituição de sua mãe Jezabel e as suas feitiçarias abundam?”
22Zodra Joram Jehoe zag, vroeg hij: Jehoe, wat is er toch gaande? Deze antwoordde: Wat er gaande is? Dat de afgoderij van uw moeder Izébel en haar duivelskunsten nog altijd voortduren!
23Jorão virou as rédeas e fugiu, e disse a Acazias: “É traição, Acazias!”
23Met een ruk wendde Joram de teugel, vluchtte weg, en schreeuwde tot Achazja: Verraad, Achazja!
24Jeú puxou o seu arco com toda a sua força e atingiu Jorão entre os braços; e a flecha saiu pelo seu coração, e ele caiu em seu carro.
24Maar Jehoe spande zijn boog, en trof Joram tussen de schouderbladen; de pijl doorboorde hem het hart, en hij zonk in zijn wagen ineen.
25Então Jeú disse a Bidcar, seu capitão: “Pegue-o e jogue-o no pedaço de campo de Nabote, o jezreelita; pois lembre-se de como, quando você e eu cavalgávamos juntos atrás de Acabe, seu pai, o SENHOR pronunciou esta sentença contra ele:
25Nu beval Jehoe Bidkar, zijn hoofdman: Neem hem op, en werp hem op de akker van den Jizreëliet Nabot. Want ik herinner mij, dat, toen wij samen achter zijn vader Achab reden, Jahweh deze godsspraak tot hem richtte:
26‘Certamente vi ontem o sangue de Nabote e o sangue de seus filhos’, diz o SENHOR; ‘e eu retribuirei a você neste pedaço de terra’, diz o SENHOR. Agora, portanto, pegue-o e jogue-o no pedaço de terra, de acordo com a palavra do SENHOR.”
26“Zo spreekt Jahweh! Gisteren heb ik het bloed van Nabot en zijn zonen gezien! Zo spreekt Jahweh! Op deze eigen akker vergeld Ik het u! “Neem hem dus op, en werp hem op de akker, naar het woord van Jahweh.
27Mas quando Acazias, o rei de Judá, viu isso, ele fugiu pelo caminho da casa do jardim. Jeú o perseguiu e disse: “Atinjam-no também no carro!” Eles o atingiram na subida de Gur, que fica perto de Ibleão. Ele fugiu para Megido e morreu lá.
27Toen Achazja, de koning van Juda, dit zag, vluchtte hij weg in de richting van Bet-Haggan; maar Jehoe zette hem achterna en riep: Nu hem; schiet hem neer! Zij schoten hem in zijn wagen neer in de pas van Goer, bij Jibleam. Hij kon nog juist naar Megiddo vluchten, maar daar stierf hij.
28Seus servos o levaram em um carro para Jerusalém, e o sepultaram em seu túmulo com seus pais na cidade de Davi.
28Zijn dienaren legden hem nu in zijn wagen, en brachten hem naar Jerusalem; daar begroeven zij hem in zijn eigen graf bij zijn vaderen in de Davidstad.
29No décimo primeiro ano de Jorão, filho de Acabe, Acazias começou a reinar sobre Judá.
29In het elfde jaar der regering van Joram, den zoon van Achab, was Achazja koning van Juda geworden.
30Quando Jeú chegou a Jezreel, Jezabel ouviu falar disso; então ela pintou os olhos, adornou a cabeça e olhou pela janela.
30Nu ging Jehoe naar Jizreël. Zodra Izébel dit hoorde, verfde zij haar ogen, maakte haar kapsel in orde, en ging door het venster staan kijken.
31Enquanto Jeú entrava pelo portão, ela disse: “Você vem em paz, Zinri, assassino de seu senhor?”
31En toen Jehoe de poort binnenreed, riep zij: Hoe gaat het, Zimri; hoe gaat het den moordenaar van zijn heer?
32Ele levantou o rosto para a janela e disse: “Quem está do meu lado? Quem?” Dois ou três eunucos olharam para ele.
32Hij keek op naar het venster, en riep: Wie houdt het met mij; wie? En tot een paar kamerlingen, die naar hem keken,
33Ele disse: “Joguem-na para baixo!” Então eles a jogaram para baixo; e parte de seu sangue espirrou na parede e nos cavalos. Então ele a pisoteou.
33riep hij: Gooit ze er uit! Dezen wierpen haar naar beneden; haar bloed spatte tegen de muur en tegen de paarden, die haar vertrapten.
34Quando ele entrou, comeu e bebeu. Então ele disse: “Cuidem agora desta mulher amaldiçoada e sepultem-na; pois ela é filha de um rei.”
34Daarop ging Jehoe de stad binnen; en toen hij gegeten en gedronken had, gaf hij bevel: Gaat kijken naar die vervloekte, en begraaft haar; want zij is tenslotte een koningsdochter.
35Eles foram sepultá-la, mas não encontraram mais nada dela além do crânio, dos pés e das palmas das mãos.
35Maar toen men heenging, om haar te begraven, vond men niets meer van haar dan de schedel, de voeten en de handen.
36Portanto, eles voltaram e lhe contaram. Ele disse: “Esta é a palavra do SENHOR, que ele falou por meio de seu servo Elias, o tesbita, dizendo: ‘Os cães comerão a carne de Jezabel no pedaço de terra de Jezreel,
36Ze keerden terug, om het aan Jehoe te melden. Hij riep uit: Zo heeft het Jahweh door zijn dienaar Elias uit Tisjbe voorspeld: “Op de plaats van Jizreël zullen de honden het vlees van Izébel verslinden;
37e o corpo de Jezabel será como esterco sobre a superfície do campo na propriedade de Jezreel, para que não digam: “Esta é Jezabel.”’”
37het lijk van Izébel zal zijn als mest op het land, zodat men niet zal kunnen zeggen: Daar ligt Izébel!”

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.