2 Reis
Chapter 6
Bíblia Portuguesa Mundia…
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Bíblia Portuguesa Mundial (Brazilian Portuguese)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Os filhos dos profetas disseram a Eliseu: “Veja agora, o lugar onde moramos e nos reunimos com você é pequeno demais para nós.
1Eens zeiden de profetenzonen tot Eliseus: Zie eens; de ruimte, die wij met u bewonen, is te bekrompen voor ons.
2Por favor, deixe-nos ir ao Jordão, e cada um pegue uma viga de lá, e façamos para nós um lugar lá, onde possamos morar.” Ele respondeu: “Vão!”
2Laat ons daarom naar de Jordaan gaan, en er ieder een balk halen, dan kunnen we daar een woning bouwen. Hij antwoordde: Goed.
3Um deles disse: “Por favor, consinta em ir com os seus servos.” Ele respondeu: “Eu irei.”
3Maar een van hen zeide: Doe uw dienaren een genoegen, en ga met ons mee. Hij antwoordde: Goed, ik ga mee.
4Então ele foi com eles. Quando chegaram ao Jordão, cortaram madeira.
4Hij ging dus mee; en aan de Jordaan gekomen, begonnen ze bomen te vellen.
5Mas, enquanto um deles cortava uma árvore, o ferro do machado caiu na água. Então ele clamou e disse: “Ah, meu senhor! Pois era emprestado.”
5Maar terwijl er een met een bijl sloeg, vloog het ijzeren blad in het water. Hij riep: Ach heer; en het is nog wel een geleende.
6O homem de Deus perguntou: “Onde caiu?” Ele lhe mostrou o lugar. Ele cortou um galho, jogou-o lá e fez o ferro flutuar.
6De godsman vroeg: Waar is het gevallen? En de man wees de plaats aan. Toen sneed Eliseus een stuk hout af, wierp het erheen, en deed het ijzer boven drijven.
7Ele disse: “Pegue-o.” Então ele estendeu a mão e o pegou.
7Nu sprak hij: Haal het er uit. En de ander stak zijn hand uit en greep het.
8Ora, o rei da Síria estava em guerra contra Israel; e ele se aconselhou com os seus servos, dizendo: “Meu acampamento estará em tal e tal lugar.”
8Toen de koning van Aram met Israël in oorlog was, sprak hij bij een beraadslaging tot zijn bevelvoerders: Daar en daar moet gij u in een hinderlaag leggen.
9O homem de Deus mandou dizer ao rei de Israel: “Cuidado para não passar por este lugar, pois os sírios estão descendo para lá.”
9Maar de godsman liet den koning van Israël berichten: Wees op uw hoede, dat gij die plaats niet voorbij trekt; want daar liggen de Arameën in hinderlaag.
10O rei de Israel enviou homens ao lugar do qual o homem de Deus lhe falara e o avisara; e ele se salvou ali, não apenas uma ou duas vezes.
10En de koning van Israël zond een waarschuwing naar de plaats, die de godsman genoemd had, en men was op zijn hoede. Daar dit herhaaldelijk gebeurde,
11O coração do rei da Síria ficou muito perturbado com isso. Ele chamou os seus servos e lhes disse: “Vocês não me mostrarão qual de nós é a favor do rei de Israel?”
11werd de koning van Aram er woedend over. Hij riep zijn bevelvoerders bijeen, en zeide hun: Kunt gij me dan niet zeggen, wie ons aan den koning van Israël verraadt?
12Um de seus servos disse: “Não, meu senhor, ó rei; mas Eliseu, o profeta que está em Israel, conta ao rei de Israel as palavras que você fala no seu quarto de dormir.”
12Maar een van hen gaf ten antwoord: Er is geen verraad, mijn heer en koning; maar de profeet Eliseus in Israël bericht aan den koning van Israël zelfs wat gij in uw slaapkamer zegt.
13Ele disse: “Vão e vejam onde ele está, para que eu possa mandar buscá-lo.” Foi-lhe dito: “Eis que ele está em Dotã.”
13Toen beval de koning: Trekt er op uit, om te weten te komen, waar hij is; dan zal ik hem gevangen doen nemen. En toen hem gemeld werd, dat de profeet zich te Dotan bevond,
14Portanto, ele enviou cavalos, carros e um grande exército para lá. Eles chegaram de noite e cercaram a cidade.
14zond hij er een machtig leger met paarden en strijdwagens op af, dat ‘s nachts aankwam en de stad omsingelde.
15Quando o servo do homem de Deus se levantou cedo e saiu, eis que um exército com cavalos e carros cercava a cidade. Seu servo lhe disse: “Ah, meu senhor! O que faremos?”
15Toen de dienaar van den godsman de volgende morgen opstond en naar buiten ging, zag hij, dat er een leger met paarden en strijdwagens om de stad lag. En hij riep tot Eliseüs: Ach heer, wat moeten we nu beginnen?
16Ele respondeu: “Não tenha medo, pois os que estão conosco são mais do que os que estão com eles.”
16Maar deze antwoordde: Wees niet bang; want de onzen zijn talrijker dan zij.
17Eliseu orou e disse: “SENHOR, por favor, abre os olhos dele, para que ele possa ver.” O SENHOR abriu os olhos do jovem, e ele viu; e eis que o monte estava cheio de cavalos e carros de fogo ao redor de Eliseu.
17En hij bad: Jahweh, open zijn ogen, opdat hij kan zien. En Jahweh opende de ogen van den dienaar, en hij zag het gebergte, dat Eliseus omringde, vol vurige paarden en strijdwagens.
18Quando eles desceram contra ele, Eliseu orou ao SENHOR e disse: “Por favor, fere este povo com cegueira.” Ele os feriu com cegueira, conforme a palavra de Eliseu.
18Nu kwamen de Arameën op Eliseus af. Maar hij bad tot Jahweh: Sla dit volk met blindheid! En op het gebed van Eliseus werd het met blindheid geslagen.
19Eliseu lhes disse: “Este não é o caminho, nem é esta a cidade. Sigam-me, e eu os levarei ao homem que vocês procuram.” Ele os levou a Samaria.
19Toen sprak Eliseus tot hen: Dit is de weg niet, en de stad evenmin! Volgt mij maar, dan breng ik u bij den man, dien gij zoekt. Maar hij bracht ze naar Samaria.
20Quando chegaram a Samaria, Eliseu disse: “SENHOR, abre os olhos destes homens, para que possam ver.” O SENHOR abriu os olhos deles, e eles viram; e eis que estavam no meio de Samaria.
20Zodra zij in Samaria waren aangekomen, sprak Eliseus: Jahweh, open hun de ogen, opdat zij zien. En Jahweh opende hun de ogen, en nu zagen ze, dat ze in Samaria waren.
21O rei de Israel disse a Eliseu, quando os viu: “Meu pai, devo feri-los? Devo feri-los?”
21Toen de koning van Israël ze zag, vroeg hij Eliseus: Vader, zal ik ze neerslaan?
22Ele respondeu: “Você não deve feri-los. Você feriria aqueles que você fez cativos com a sua espada e com o seu arco? Coloque pão e água diante deles, para que comam e bebam, e depois voltem para o seu senhor.”
22Maar hij antwoordde: Neen; die ge met zwaard en boog gevangen hebt genomen, kunt ge neerslaan. Maar dezen moet ge spijs en drank verschaffen; dan kunnen ze eten en drinken en daarna teruggaan naar hun heer.
23Ele preparou um grande banquete para eles. Depois que comeram e beberam, ele os despediu e eles foram para o seu senhor. Assim, os bandos da Síria pararam de invadir a terra de Israel.
23Hij bereidde hun dus een grote maaltijd; en nadat ze gegeten en gedronken hadden, liet hij ze naar hun heer vertrekken. Ze gingen naar hun heer, en sinds die tijd drongen er geen aramese benden meer in het gebied van Israël.
24Depois disso, Ben-Hadade, rei da Síria, reuniu todo o seu exército, subiu e cercou Samaria.
24Enige tijd later riep koning Ben-Hadad van Aram heel zijn leger bijeen, trok tegen Samaria op, en sloot het in.
25Houve uma grande fome em Samaria. Eis que a cercaram até que a cabeça de um jumento fosse vendida por oitenta peças de prata, e a quarta parte de um cabo de esterco de pomba por cinco peças de prata.
25En het beleg duurde zo lang, dat er in Samaria een grote hongersnood ontstond, en een ezelskop tachtig zilverlingen, een kwart maatje schillen1 vijf zilverlingen kostte.
26Enquanto o rei de Israel passava pelo muro, uma mulher clamou a ele, dizendo: “Socorro, meu senhor, ó rei!”
26Toen nu de koning eens op de muur voorbijging, riep een vrouw hem smekend toe: Heer en koning, help toch!
27Ele disse: “Se o SENHOR não a ajudar, de onde eu poderia obter ajuda para você? Da eira, ou do lagar?”
27Hij antwoordde: Als Jahweh u niet helpt, hoe zal ik het dan kunnen? Soms met iets van de dorsvloer of perskuip2?
28Então o rei lhe perguntou: “Qual é o seu problema?” Ela respondeu: “Esta mulher me disse: ‘Dê o seu filho, para que o comamos hoje, e comeremos o meu filho amanhã.’
28De koning vroeg verder: Wat hebt ge eigenlijk? Zij antwoordde: Deze vrouw hier heeft tot mij gezegd: “Geef uw zoon, om hem vandaag op te eten; dan eten we morgen den mijne op.”
29Então cozinhamos o meu filho e o comemos; e eu disse a ela no dia seguinte: ‘Entregue o seu filho, para que o comamos;’ e ela escondeu o seu filho.”
29Zo hebben we dus mijn zoon gekookt en gegeten; maar toen ik haar de volgende dag zei, haar zoon te geven, om hem op te eten, had ze hem verborgen.
30Quando o rei ouviu as palavras da mulher, ele rasgou as suas roupas. Ora, ele estava passando pelo muro, e o povo olhou, e eis que ele usava pano de saco por baixo, sobre o seu corpo.
30Toen de koning de vrouw dit hoorde vertellen, scheurde hij zijn klederen, en daar hij op de muur liep, zag het volk, dat hij onder zijn kleed op het blote lijf een boetekleed droeg.
31Então ele disse: “Que Deus me faça assim, e muito mais, se a cabeça de Eliseu, filho de Safate, continuar sobre ele hoje.”
31En hij riep uit: Zo moge Jahweh mij doen en nog erger3, als het hoofd van Eliseus, den zoon van Sjafat, morgen nog op zijn romp staat4.
32Mas Eliseu estava sentado em sua casa, e os anciãos estavam sentados com ele. Então o rei enviou um homem à sua frente; mas antes que o mensageiro chegasse a ele, ele disse aos anciãos: “Vocês veem como este filho de um assassino mandou arrancar a minha cabeça? Eis que, quando o mensageiro chegar, fechem a porta, e mantenham a porta trancada contra ele. Não está o som dos pés do seu senhor atrás dele?”
32Terwijl de koning iemand voor zich uitzond, zat Eliseus in zijn woning met enigen van de oudsten om zich heen. Maar eer die bode Eliseus bereikt had, sprak deze tot de oudsten: Ziet ge; dat moordenaarskind heeft er iemand op uitgestuurd, om mij het hoofd af te slaan! Pas op; sla de deur dicht, als die bode wil binnenkomen, en duw hem met de deur naar buiten. Maar hoor ik daar niet de voetstappen van zijn meester achter hem aan?
33Enquanto ele ainda falava com eles, eis que o mensageiro desceu até ele. Então ele disse: “Eis que este mal vem do SENHOR. Por que eu deveria esperar mais pelo SENHOR?”
33En terwijl hij nog sprak, kwam de koning al naar hem toe en riep: Zie, zo groot is het onheil, dat Jahweh ons heeft berokkend! Wat zou ik nog langer op Jahweh hopen?

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.