Четвертая книга Царств

Old Testament

New Testament

Chapter 9

Четвертая книга Царств

Synodal Translation (Син…
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers

Четвертая книга Царств 9

Synodal Translation (Синодальный перевод)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Елисей пророк призвал одного из сынов пророческих и сказал ему: опояшь чресла твои, и возьми сей сосуд с елеем в руку твою, и пойди в Рамоф Галаадский.
1Nu ontbood de profeet Eliseus een van de profetenzonen, en beval hem: Omgord uw lenden, en ga met deze kruik olie naar Rama in Gilad.
2Придя туда, отыщи там Ииуя, сына Иосафата, сына Намессиева, и подойди, и вели выступить ему из среды братьев своих, и введи его во внутреннюю комнату;
2Daar aangekomen, moet ge uitzien naar Jehoe, den zoon van Jehosjafat, zoon van Nimsji. En wanneer ge hem gevonden hebt, moet ge hem uit de kring van zijn gezellen roepen, en hem in een binnenkamer brengen.
3и возьми сосуд с елеем, и вылей на голову его, и скажи: “так говорит Господь: помазую тебя в царя над Израилем”. Потом отвори дверь, и беги, и не жди.
3Neem dan de kruik met olie, giet die over zijn hoofd uit, en zeg: “Zo spreekt Jahweh! Ik zalf u tot koning over Israël.” Open daarna de deur, en loop hard weg.
4И пошел отрок, слуга пророка, в Рамоф Галаадский,
4De jonge profeet ging dus naar Rama in Gilad, en
5и пришел, и вот сидят военачальники. И сказал: у меня слово до тебя, военачальник. И сказал Ииуй: до кого из всех нас? И сказал он: до тебя, военачальник.
5kwam daar juist aan, toen de legeroversten bij elkander zaten. Hij sprak: Overste, ik heb u iets te zeggen. Jehoe vroeg: Wien van ons allen? Hij antwoordde: U, overste.
6И встал он, и вошел в дом. И отрок вылил елей на голову его, и сказал ему: так говорит Господь Бог Израилев: “помазую тебя в царя над народом Господним, над Израилем,
6Nu stond Jehoe op, en toen hij binnen was, goot de jonge profeet de olie over zijn hoofd, en zeide tot hem: Zo spreekt Jahweh, Israëls God! Ik zalf u tot koning over Israël, het volk van Jahweh.
7и ты истребишь дом Ахава, господина твоего, чтобы Мне отмстить за кровь рабов Моих пророков и за кровь всех рабов Господних, павших от руки Иезавели;
7Gij moet het huis van Achab, uw meester, verdelgen. Want Ik zal het bloed van mijn dienaars, de profeten, en van al de dienaars van Jahweh wreken op Izébel
8и погибнет весь дом Ахава, и истреблю у Ахава мочащегося к стене, и заключенного и оставшегося в Израиле,
8en op heel het huis van Achab; Ik zal al wat man is in Achabs huis, slaaf of vrij, in Israël uitroeien,
9и сделаю дом Ахава, как дом Иеровоама, сына Наватова, и как дом Ваасы, сына Ахиина;
9en met het huis van Achab handelen, zoals Ik met het huis van Jeroboam, den zoon van Nebat, en met dat van Basja, den zoon van Achi-ja, gedaan heb.
10Иезавель же съедят псы на поле Изреельском, и никто не похоронит ее”. И отворил дверь, и убежал.
10En Izébel zullen de honden verslinden op de open plaats voor Jizreël, en niemand zal haar begraven. Toen opende hij de deur, en liep weg.
11И вышел Ииуй к слугам господина своего, и сказали ему: с миром ли? Зачем приходил этот неистовый к тебе? И сказал им: вы знаете этого человека и что он говорит.
11Toen Jehoe bij de dienaren van zijn meester terugkwam, vroegen zij hem: Is er iets aan de hand? Wat kwam die razende doen? Hij antwoordde hun: Ge kent zulke mensen en hun manier van doen.
12И сказали: неправда, скажи нам. И сказал он: то и то он сказал мне, говоря: “так говорит Господь: помазую тебя в царя над Израилем”.
12Maar ze zeiden: Uitvluchten; vertel het ons. Toen zei Jehoe: Hij heeft mij letterlijk gezegd: “Zo spreekt Jahweh! Ik zalf u tot koning over Israël”.
13И поспешили они, и взяли каждый одежду свою, и подостлали ему на самых ступенях, и затрубили трубою, и сказали: воцарился Ииуй!
13Terstond namen nu allen hun mantels, en spreidden die boven op de trap onder hem uit, staken de bazuin en riepen: Jehoe is koning!
14И восстал Ииуй, сын Иосафата, сына Намессиева, против Иорама; Иорам же находился со всеми Израильтянами в Рамофе Галаадском на страже против Азаила, царя Сирийского.
14Zo kwam Jehoe, de zoon van Jehosjafat, zoon van Nimsji, tegen Joram in opstand. Deze had toen met heel Israël Rama in Gilad bezet tegen Chazaël, den koning van Aram,
15Впрочем сам царь Иорам возвратился, чтобы лечиться в Изрееле от ран, которые причинили ему Сирияне, когда он воевал с Азаилом, царем Сирийским. И сказал Ииуй: если вы согласны со мною, то пусть никто не уходит из города, чтобы идти подать весть в Изрееле.
15maar was nu naar Jizreël teruggekeerd, om daar te herstellen van de wonden, die de Arameën hem in de strijd tegen Chazaël, den koning van Aram, hadden toegebracht. Nu sprak Jehoe: Wanneer ge er niets op tegen hebt, laten we niemand uit de stad ontsnappen, om het in Jizreël te gaan melden.
16И сел Ииуй на коня, и поехал в Изреель, где лежал Иорам царь Израильский, для лечения ран, которые причинили ему Сирияне в Рамофе, когда он воевал с Азаилом, царем Сирийским, сильным и могущественным, и куда Охозия, царь Иудейский, пришел посетить Иорама.
16Toen besteeg hij zijn wagen en reed naar Jizreël; want daar lag Joram ziek, en koning Achazja van Juda was bij hem op bezoek.
17На башне в Изрееле стоял сторож, и увидел он полчище Ииуево, когда оно шло, и сказал: полчище вижу я. И сказал Иорам: возьми всадника, и пошли навстречу им, и пусть скажет: с миром ли?
17De wachter op de toren van Jizreël zag de bende van Jehoe aankomen en riep: Ik zie een grote troep volk. Joram beval: Neem een ruiter en stuur hun die tegemoet om te vragen, wat er gaande is.
18И выехал всадник на коне навстречу ему, и сказал: так говорит царь: с миром ли? И сказал Ииуй: что тебе до мира? Поезжай за мною. И донес сторож, и сказал: доехал до них, но не возвращается.
18De ruiter reed hem dus tegemoet, en zeide: De koning vraagt, wat er gaande is. Jehoe antwoordde: Gij hebt er niets mee te maken, wat er gaande is. Keer om en volg mij! Nu berichtte de wachter: De bode heeft hen bereikt, maar keert niet terug.
19И послали другого всадника, и он приехал к ним, и сказал: так говорит царь: с миром ли? И сказал Ииуй: что тебе до мира? Поезжай за мною.
19Toen stuurde Joram er een anderen ruiter op af. Ook deze kwam bij hem, en zeide: De koning vraagt, wat er gaande is. Jehoe antwoordde: Gij hebt er niets mee te maken, wat er gaande is. Keer om en volg mij!
20И донес сторож, сказав: доехал до них, и не возвращается, а походка как будто Ииуя, сына Намессиева, потому что он идет стремительно.
20En weer berichtte de wachter: De bode heeft hen bereikt, maar keert niet terug. Maar dat rijden daar lijkt wel het rijden van Jehoe, den zoon van Nimsji; want hij rijdt als een razende.
21И сказал Иорам: запрягай. И запрягли колесницу его. И выступил Иорам, царь Израильский, и Охозия, царь Иудейский, каждый на колеснице своей. И выступили навстречу Ииую, и встретились с ним на поле Навуфея Изреелитянина.
21Nu beval Joram: Span in! En toen de paarden waren ingespannen, reden koning Joram van Israël en koning Achazja van Juda, elk op zijn eigen wagen, de stad uit, Jehoe tegemoet; en juist bij de akker van Nabot uit Jizreël ontmoetten ze hem.
22И когда увидел Иорам Ииуя, то сказал: с миром ли Ииуй? И сказал он: какой мир при любодействе Иезавели, матери твоей, и при многих волхвованиях ее?
22Zodra Joram Jehoe zag, vroeg hij: Jehoe, wat is er toch gaande? Deze antwoordde: Wat er gaande is? Dat de afgoderij van uw moeder Izébel en haar duivelskunsten nog altijd voortduren!
23И поворотил Иорам руки свои, и побежал, и сказал Охозии: измена, Охозия!
23Met een ruk wendde Joram de teugel, vluchtte weg, en schreeuwde tot Achazja: Verraad, Achazja!
24А Ииуй натянул лук рукою своею, и поразил Иорама между плечами его, и прошла стрела чрез сердце его, и пал он на колеснице своей.
24Maar Jehoe spande zijn boog, en trof Joram tussen de schouderbladen; de pijl doorboorde hem het hart, en hij zonk in zijn wagen ineen.
25И сказал Ииуй Бидекару, сановнику своему: возьми, брось его на участок поля Навуфея Изреелитянина, ибо вспомни, как мы с тобою ехали вдвоем сзади Ахава, отца его, и как Господь изрек на него такое пророчество:
25Nu beval Jehoe Bidkar, zijn hoofdman: Neem hem op, en werp hem op de akker van den Jizreëliet Nabot. Want ik herinner mij, dat, toen wij samen achter zijn vader Achab reden, Jahweh deze godsspraak tot hem richtte:
26истинно, кровь Навуфея и кровь сыновей его видел Я вчера, говорит Господь, и отмщу тебе на сем поле. Итак возьми, брось его на поле, по слову Господню.
26“Zo spreekt Jahweh! Gisteren heb ik het bloed van Nabot en zijn zonen gezien! Zo spreekt Jahweh! Op deze eigen akker vergeld Ik het u! “Neem hem dus op, en werp hem op de akker, naar het woord van Jahweh.
27Охозия, царь Иудейский, увидев сие, побежал по дороге к дому, что в саду. И погнался за ним Ииуй, и сказал: и его бейте на колеснице. Это было на возвышенности Гур, что при Ивлеаме. И побежал он в Мегиддон, и умер там.
27Toen Achazja, de koning van Juda, dit zag, vluchtte hij weg in de richting van Bet-Haggan; maar Jehoe zette hem achterna en riep: Nu hem; schiet hem neer! Zij schoten hem in zijn wagen neer in de pas van Goer, bij Jibleam. Hij kon nog juist naar Megiddo vluchten, maar daar stierf hij.
28И отвезли его рабы его в Иерусалим, и похоронили его в гробнице его, с отцами его, в городе Давидовом.
28Zijn dienaren legden hem nu in zijn wagen, en brachten hem naar Jerusalem; daar begroeven zij hem in zijn eigen graf bij zijn vaderen in de Davidstad.
29В одиннадцатый год Иорама, сына Ахавова, воцарился Охозия в Иудее.
29In het elfde jaar der regering van Joram, den zoon van Achab, was Achazja koning van Juda geworden.
30И прибыл Ииуй в Изреель. Иезавель же, получив весть, нарумянила лице свое и украсила голову свою, и глядела в окно.
30Nu ging Jehoe naar Jizreël. Zodra Izébel dit hoorde, verfde zij haar ogen, maakte haar kapsel in orde, en ging door het venster staan kijken.
31Когда Ииуй вошел в ворота, она сказала: мир ли Замврию, убийце государя своего?
31En toen Jehoe de poort binnenreed, riep zij: Hoe gaat het, Zimri; hoe gaat het den moordenaar van zijn heer?
32И поднял он лице свое к окну и сказал: кто со мною, кто? И выглянули к нему два, три евнуха.
32Hij keek op naar het venster, en riep: Wie houdt het met mij; wie? En tot een paar kamerlingen, die naar hem keken,
33И сказал он: выбросьте ее. И выбросили ее. И брызнула кровь ее на стену и на коней, и растоптали ее.
33riep hij: Gooit ze er uit! Dezen wierpen haar naar beneden; haar bloed spatte tegen de muur en tegen de paarden, die haar vertrapten.
34И пришел Ииуй, и ел, и пил, и сказал: отыщите эту проклятую и похороните ее, так как царская дочь она.
34Daarop ging Jehoe de stad binnen; en toen hij gegeten en gedronken had, gaf hij bevel: Gaat kijken naar die vervloekte, en begraaft haar; want zij is tenslotte een koningsdochter.
35И пошли хоронить ее, и не нашли от нее ничего, кроме черепа, и ног, и кистей рук.
35Maar toen men heenging, om haar te begraven, vond men niets meer van haar dan de schedel, de voeten en de handen.
36И возвратились, и донесли ему. И сказал он: таково было слово Господа, которое Он изрек чрез раба Своего Илию Фесвитянина, сказав: на поле Изреельском съедят псы тело Иезавели,
36Ze keerden terug, om het aan Jehoe te melden. Hij riep uit: Zo heeft het Jahweh door zijn dienaar Elias uit Tisjbe voorspeld: “Op de plaats van Jizreël zullen de honden het vlees van Izébel verslinden;
37и будет труп Иезавели на участке Изреельском, как навоз на поле, так что никто не скажет: это Иезавель.
37het lijk van Izébel zal zijn als mest op het land, zodat men niet zal kunnen zeggen: Daar ligt Izébel!”

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.