2 Crônicas
Chapter 11
Bíblia Portuguesa Mundia…
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Bíblia Portuguesa Mundial (Brazilian Portuguese)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Quando Roboão chegou a Jerusalém, ele reuniu a casa de Judá e Benjamim, cento e oitenta mil homens escolhidos que eram guerreiros, para lutar contra Israel, a fim de devolver o reino a Roboão.
1Zodra Roboam nu te Jerusalem was aangekomen, verzamelde hij uit de stammen Juda en Benjamin wel honderd tachtigduizend strijdbare mannen, om tegen Israël oorlog te voeren en het koningschap voor Roboam terug te winnen.
2Mas a palavra do SENHOR veio a Semaías, o homem de Deus, dizendo:
2Maar het woord van Jahweh werd tot den godsman Sjemajáhoe gericht:
3“Fale a Roboão, filho de Salomão, rei de Judá, e a todo o Israel em Judá e Benjamim, dizendo:
3Zeg aan Roboam, den zoon van Salomon, den koning van Juda:
4'Assim diz o SENHOR: “Vocês não devem subir, nem lutar contra os seus irmãos! Que cada homem volte para a sua casa; pois esta coisa vem de mim.”'” Então eles deram ouvidos às palavras do SENHOR, e voltaram, desistindo de ir contra Jeroboão.
4Zo spreekt Jahweh! Trekt niet op, en voert geen oorlog tegen uw broeders! Iedereen kere terug naar zijn huis; want door Mij is dit alles beschikt. Zij luisterden naar Jahweh, en zagen er van af, tegen Jeroboam op te trekken.
5Roboão habitou em Jerusalém, e construiu cidades para defesa em Judá.
5Roboam bleef dus in Jerusalem wonen en verbouwde verschillende steden in Juda tot vesting.
6Ele construiu Belém, Etã, Tecoa,
6Zo bracht hij Betlehem, Etam, Tekóa,
7Bete-Zur, Socó, Adulão,
7Bet-Soer, Soko, Adoellam,
8Gate, Maressa, Zife,
8Gat, Maresja, Zif,
9Adoraim, Laquis, Azeca,
9Adoráim, Lakisj, Azeka,
10Zorá, Aijalom e Hebrom, que são cidades fortificadas em Judá e em Benjamim.
10Sora, Ajjalon en Hebron, die in Juda en Benjamin lagen, in staat van verdediging,
11Ele fortificou as fortalezas e colocou comandantes nelas, com estoques de comida, azeite e vinho.
11maakte er sterke vestingen van, stelde er bevelhebbers aan en sloeg er voorraden op van proviand, olie en wijn;
12Ele colocou escudos e lanças em cada cidade, e as tornou extremamente fortes. Judá e Benjamim pertenciam a ele.
12en daar in die verschillende steden schilden en lansen aanwezig waren, maakte hij ze buitengewoon sterk. Zo bleven Juda en Benjamin voor hem behouden.
13Os sacerdotes e os levitas que estavam em todo o Israel se juntaram a ele de todos os seus territórios.
13De priesters en levieten die in Israël woonden verhuisden uit hun woonplaatsen, en vestigden zich bij hem.
14Pois os levitas deixaram as suas pastagens e as suas propriedades, e vieram para Judá e Jerusalém; porque Jeroboão e os seus filhos os rejeitaram, para que não exercessem o ofício sacerdotal ao SENHOR.
14De levieten moesten namelijk hun landerijen en bezittingen verlaten en naar Juda en Jerusalem uitwijken, omdat Jeroboam met zijn zonen hen had afgezet als priesters van Jahweh,
15Ele mesmo nomeou sacerdotes para os altos, para os ídolos de bodes e bezerros que ele havia feito.
15en zelf priesters aanstelde op de offerhoogten, bij de bokken- en kalverbeelden, die hij gemaakt had.
16Depois deles, de todas as tribos de Israel, aqueles que dispuseram os seus corações para buscar o SENHOR, o Deus de Israel, vieram a Jerusalém para sacrificar ao SENHOR, o Deus dos seus pais.
16Zij werden gevolgd door velen uit alle stammen van Israël, die vastbesloten waren, Jahweh te blijven vereren, den God van Israël, en die naar Jerusalem kwamen, om Jahweh te offeren, den God van hun vaderen.
17Assim eles fortaleceram o reino de Judá e tornaram Roboão, filho de Salomão, forte por três anos, pois andaram três anos no caminho de Davi e Salomão.
17Zij versterkten het koninkrijk Juda, en waren drie jaar lang een steun voor Roboam, den zoon van Salomon; want drie jaar lang bewandelde hij de weg van David en Salomon.
18Roboão tomou para si uma esposa, Maalate, filha de Jerimote, filho de Davi, e de Abiail, filha de Eliabe, filho de Jessé.
18Roboam nam Abicháil tot vrouw, de dochter van Eliab, den zoon van Jerimot, zoon van David, zoon van Jesse.
19Ela lhe deu à luz filhos: Jeús, Semarias e Zaão.
19Zij schonk hem de zonen Jeöesj, Sjemarja en Záham.
20Depois dela, ele tomou Maaca, neta de Absalão; e ela lhe deu à luz Abias, Atai, Ziza e Selomite.
20Na haar nam hij Maäka tot vrouw, de dochter van Absalom; zij schonk hem Abias, Attai, Ziza en Sjelomit.
21Roboão amou Maaca, neta de Absalão, mais do que a todas as suas esposas e suas concubinas; pois ele tomou dezoito esposas e sessenta concubinas, e se tornou pai de vinte e oito filhos e sessenta filhas.
21Roboam hield van Maäka, de dochter van Absalom, veel meer dan van al zijn andere vrouwen en bijvrouwen; hij had namelijk achttien vrouwen en zestig bijvrouwen, en was de vader van acht en twintig zonen en zestig dochters.
22Roboão nomeou Abias, filho de Maaca, para ser o chefe, o príncipe entre os seus irmãos, pois ele pretendia fazê-lo rei.
22Roboam stelde Abias, den zoon van Maäka, als kroonprins aan het hoofd van zijn broers; want hem wilde hij koning maken.
23Ele agiu com sabedoria, e dispersou alguns dos seus filhos por todas as terras de Judá e Benjamim, para cada cidade fortificada. Ele lhes deu comida em abundância; e buscou muitas esposas para eles.
23Hij was echter zo verstandig, enkelen van zijn andere zonen in alle streken van Juda en Benjamin over de verschillende vestingen te verdelen, waar hij hun een rijk bestaan verleende en veel vrouwen verschafte.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.