2 Crônicas
Chapter 21
Bíblia Portuguesa Mundia…
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Bíblia Portuguesa Mundial (Brazilian Portuguese)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Josafá descansou com seus pais, e foi sepultado com seus pais na cidade de Davi; e Jeorão, seu filho, reinou em seu lugar.
1Josafat ging bij zijn vaderen te ruste, en werd bij zijn vaderen begraven in de Davidstad. Josafat werd opgevolgd door zijn zoon Joram.
2Ele tinha irmãos, os filhos de Josafá: Azarias, Jeiel, Zacarias, Azarias, Micael e Sefatias. Todos estes eram filhos de Josafá, rei de Israel.
2Deze had enige broeders, zonen van Josafat, namelijk Azarja, Jechiël, Zekarjáhoe, Azarjáhoe, Mikaël en Sjefatjáhoe: allen zonen van koning Josafat van Israël.
3Seu pai lhes deu grandes presentes de prata, de ouro e de coisas preciosas, com cidades fortificadas em Judá; mas ele deu o reino a Jeorão, porque ele era o primogênito.
3Hun vader had hun rijke geschenken in zilver en goud en andere kostbaarheden gegeven, benevens enige vestingen in Juda; maar het koningschap had hij voor Joram bestemd, omdat deze de oudste was.
4Ora, quando Jeorão assumiu o reino de seu pai e se fortaleceu, ele matou todos os seus irmãos à espada, e também alguns dos príncipes de Israel.
4Zodra echter Joram het koningschap van zijn vader had aanvaard, en zijn gezag had gevestigd, liet hij al zijn broers met enkele voorname Israëlieten vermoorden.
5Jeorão tinha trinta e dois anos de idade quando começou a reinar, e reinou oito anos em Jerusalém.
5Joram was twee en dertig jaar, toen hij koning werd, en regeerde acht jaar te Jerusalem.
6Ele andou no caminho dos reis de Israel, assim como fez a casa de Acabe, pois tinha a filha de Acabe por mulher. Ele fez o que era mau aos olhos do SENHOR.
6Hij volgde het wangedrag van de koningen van Israël, evenals het huis van Achab; want hij was met een dochter van Achab gehuwd. Hij deed wat kwaad was in de ogen van Jahweh.
7Contudo, o SENHOR não quis destruir a casa de Davi, por causa da aliança que havia feito com Davi, e como ele prometeu dar uma lâmpada a ele e aos seus filhos para sempre.
7Toch wilde Jahweh het huis van David niet vernietigen, terwille van het verbond, dat Hij met David gesloten had, en omdat Hij hem gezegd had, dat Hij hem en zijn zonen voor altijd een licht zou geven.
8Em seus dias, Edom se rebelou de debaixo da mão de Judá, e constituiu um rei sobre si mesmos.
8Tijdens zijn regering maakten de Edomieten zich onafhankelijk van Juda, en stelden een eigen koning aan.
9Então Jeorão foi para lá com seus comandantes e todos os seus carros com ele. Ele se levantou de noite e feriu os edomitas que o cercavam, juntamente com os comandantes dos carros.
9Daarom trok Joram er met zijn legeraanvoerders en alle strijdwagens heen, en bij een nachtelijke aanval versloeg hij de Edomieten, die hem en zijn wagenvoerders hadden omsingeld.
10Assim, Edom tem estado em rebelião de debaixo da mão de Judá até o dia de hoje. Então Libna se rebelou ao mesmo tempo de debaixo da mão dele, porque ele havia abandonado o SENHOR, o Deus de seus pais.
10Toch werd Edom onafhankelijk en is het gebleven tot heden toe. Ook Libna ging bij die gelegenheid verloren, omdat Joram Jahweh had verlaten, den God zijner vaderen.
11Além disso, ele fez lugares altos nas montanhas de Judá, e fez os habitantes de Jerusalém se prostituírem, e levou Judá a se desviar.
11Ook maakte hij offerhoogten op de bergen van Juda, verleidde de burgers van Jerusalem tot afgoderij, en bracht Juda af van het rechte pad.
12Uma carta lhe chegou da parte do profeta Elias, dizendo: “Assim diz o SENHOR, o Deus de Davi, seu pai: ‘Porque você não andou nos caminhos de Josafá, seu pai, nem nos caminhos de Asa, rei de Judá,
12Daarom ontving hij het volgend schrijven van den profeet Elias: Zo spreekt Jahweh, de God van uw vader David! Omdat ge het voorbeeld van uw vader Josafat en dat van uw vader Asa, den koning van Juda, niet hebt gevolgd,
13mas andou no caminho dos reis de Israel, e fez Judá e os habitantes de Jerusalém se prostituírem como fez a casa de Acabe, e também matou seus irmãos da casa de seu pai, que eram melhores do que você,
13maar het wangedrag van de koningen van Israël, en Juda met de burgers van Jerusalem tot afgoderij hebt verleid, zoals het huis Achab gedaan heeft; omdat ge ook uw broers hebt vermoord, het huis van uw vader, die beter waren dan gij:
14eis que o SENHOR ferirá o seu povo com uma grande praga, incluindo seus filhos, suas mulheres e todos os seus bens;
14daarom zal Jahweh een geweldige slag toebrengen aan uw volk, en aan uw zonen, uw vrouwen en al uw bezittingen;
15e você terá uma grande enfermidade com uma doença em suas entranhas, até que as suas entranhas caiam por causa da enfermidade, dia após dia.’”
15zelf zult ge door een vreselijke ziekte worden getroffen, namelijk door een kwaal in de ingewanden, totdat tengevolge der ziekte na twee jaar uw ingewanden uit uw lijf zullen komen.
16O SENHOR despertou contra Jeorão o espírito dos filisteus e dos árabes que são vizinhos dos etíopes;
16Daarom wakkerde Jahweh de strijdlust van de Filistijnen en van de Arabieren, die bij de Koesjieten wonen, tegen Joram aan.
17e eles subiram contra Judá, a invadiram, e levaram todos os bens que se acharam na casa do rei, incluindo seus filhos e suas mulheres, de modo que não lhe restou nenhum filho, exceto Jeoacaz, o mais novo de seus filhos.
17Zij trokken tegen Juda op, versloegen het, en sleepten heel de have, die in het koninklijk paleis werd aangetroffen, met zijn zonen en vrouwen weg, zodat Joram, behalve Jehoachaz, zijn jongsten zoon, geen enkel kind meer overhield.
18Depois de tudo isso, o SENHOR o feriu em suas entranhas com uma doença incurável.
18Na dit alles sloeg Jahweh hem met een ongeneselijke ziekte in de ingewanden.
19Com o passar do tempo, ao fim de dois anos, suas entranhas caíram por causa de sua enfermidade, e ele morreu de doenças graves. Seu povo não fez nenhuma fogueira para ele, como a fogueira de seus pais.
19En enige tijd later, toen het tweede jaar ten einde liep, drongen tengevolge der ziekte de ingewanden uit zijn lijf, en stierf hij onder hevige pijnen. Zijn volk ontstak echter voor hem geen dodenvuren, zoals het voor zijn vaderen had gedaan.
20Ele tinha trinta e dois anos de idade quando começou a reinar, e reinou em Jerusalém oito anos. Ele partiu sem deixar saudades. Eles o sepultaram na cidade de Davi, mas não nos túmulos dos reis.
20Hij was twee en dertig jaar, toen hij koning werd, en heeft acht jaar in Jerusalem geregeerd. Onbemind ging hij heen; men begroef hem in de Davidstad, maar niet in de graven der koningen.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.