Ii Croniche
Chapter 11
Diodati Bibbia 1885
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers

Ii Croniche 11

Diodati Bibbia 1885
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Roboamo adunque essendo giunto in Gerusalemme, raunò la casa di Giuda e di Beniamino in numero di centottantamila uomini di guerra scelti, per combattere contro ad Israele, per ridurre il regno sotto l'ubbidienza di Roboamo.
1Zodra Roboam nu te Jerusalem was aangekomen, verzamelde hij uit de stammen Juda en Benjamin wel honderd tachtigduizend strijdbare mannen, om tegen Israël oorlog te voeren en het koningschap voor Roboam terug te winnen.
2Ma la parola del Signore fu indirizzata a Semaia, uomo di Dio, dicendo:
2Maar het woord van Jahweh werd tot den godsman Sjemajáhoe gericht:
3Di' a Roboamo, figliuolo di Salomone, re di Giuda, ed a tutti gl'Israeliti, che sono in Giuda ed in Beniamino:
3Zeg aan Roboam, den zoon van Salomon, den koning van Juda:
4Così ha detto il Signore: Non salite, e non combattete contro a' vostri fratelli; ritornatevene ciascuno a casa sua; perciocchè questa cosa è proceduta da me. Ed essi ubbidirono alle parole del Signore, e se ne ritornarono, senza andare contro a Geroboamo.
4Zo spreekt Jahweh! Trekt niet op, en voert geen oorlog tegen uw broeders! Iedereen kere terug naar zijn huis; want door Mij is dit alles beschikt. Zij luisterden naar Jahweh, en zagen er van af, tegen Jeroboam op te trekken.
5E ROBOAMO abitò in Gerusalemme, ed edificò delle città in Giuda per fortezze.
5Roboam bleef dus in Jerusalem wonen en verbouwde verschillende steden in Juda tot vesting.
6Ed edificò Bet-lehem, ed Etam, e Tecoa,
6Zo bracht hij Betlehem, Etam, Tekóa,
7e Bet-sur, e Soco, ed Adullam,
7Bet-Soer, Soko, Adoellam,
8e Gat, e Maresa, e Zif,
8Gat, Maresja, Zif,
9ed Adoraim, e Lachis, ed Azeca,
9Adoráim, Lakisj, Azeka,
10e Sora, ed Aialon, ed Hebron, ch'erano città forti in Giuda ed in Beniamino.
10Sora, Ajjalon en Hebron, die in Juda en Benjamin lagen, in staat van verdediging,
11Così fortificò queste fortezze, e vi mise de' capitani, e de' magazzini di vittuaglia, e d'olio e di vino.
11maakte er sterke vestingen van, stelde er bevelhebbers aan en sloeg er voorraden op van proviand, olie en wijn;
12E in ciascuna città mise degli scudi e delle lance; e le fortificò grandemente. Così Giuda e Beniamino furono a lui.
12en daar in die verschillende steden schilden en lansen aanwezig waren, maakte hij ze buitengewoon sterk. Zo bleven Juda en Benjamin voor hem behouden.
13Or i sacerdoti ed i Leviti ch' erano in tutto il paese d 'Israele si ridussero appresso di lui da tutte le lor contrade.
13De priesters en levieten die in Israël woonden verhuisden uit hun woonplaatsen, en vestigden zich bij hem.
14Perciocchè i Leviti lasciarono i lor contadi, e le lor possessioni, ed andarono in Giuda ed in Gerusalemme; perciocchè Geroboamo ed i suoi figliuoli li scacciarono, acciocchè non esercitassero più il sacerdozio al Signore.
14De levieten moesten namelijk hun landerijen en bezittingen verlaten en naar Juda en Jerusalem uitwijken, omdat Jeroboam met zijn zonen hen had afgezet als priesters van Jahweh,
15E Geroboamo si costituì de' sacerdoti per gli alti luoghi, e per li demoni, e per li vitelli ch'egli fece.
15en zelf priesters aanstelde op de offerhoogten, bij de bokken- en kalverbeelden, die hij gemaakt had.
16E, dopo que' Leviti, quelli d'infra tutte le tribù d'Israele che disposero l'animo loro a cercare il Signore Iddio d'Israele, vennero in Gerusalemme, per sacrificare al Signore Iddio de' lor padri;
16Zij werden gevolgd door velen uit alle stammen van Israël, die vastbesloten waren, Jahweh te blijven vereren, den God van Israël, en die naar Jerusalem kwamen, om Jahweh te offeren, den God van hun vaderen.
17e fortificarono il regno di Giuda, e rinforzarono Roboamo, figliuolo di Salomone, per lo spazio di tre anni; perciocchè camminarono nella via di Davide e di Salomone, lo spazio di tre anni.
17Zij versterkten het koninkrijk Juda, en waren drie jaar lang een steun voor Roboam, den zoon van Salomon; want drie jaar lang bewandelde hij de weg van David en Salomon.
18Or Roboamo si prese per moglie Mahalat, figliuola di Ierimot, figliuolo di Davide, ed Abihail, figliuola di Eliab, figliuolo d'Isai;
18Roboam nam Abicháil tot vrouw, de dochter van Eliab, den zoon van Jerimot, zoon van David, zoon van Jesse.
19la quale gli partorì questi figliuoli, cioè: Ieus, e Semaria, e Zaham.
19Zij schonk hem de zonen Jeöesj, Sjemarja en Záham.
20E, dopo lei, prese Maaca, figliuola di Absalom, la quale gli partorì Abia, ed Attai, e Ziza, e Selomit.
20Na haar nam hij Maäka tot vrouw, de dochter van Absalom; zij schonk hem Abias, Attai, Ziza en Sjelomit.
21E Roboamo amò Maaca, figliuola di Absalom, sopra tutte le sue altre mogli e concubine; conciossiachè egli avesse prese diciotto mogli, e sessanta concubine; onde generò ventotto figliuoli, e sessanta figliuole.
21Roboam hield van Maäka, de dochter van Absalom, veel meer dan van al zijn andere vrouwen en bijvrouwen; hij had namelijk achttien vrouwen en zestig bijvrouwen, en was de vader van acht en twintig zonen en zestig dochters.
22E Roboamo costituì Abia, figliuolo di Maaca, per capo della sua casa , per principe sopra i suoi fratelli; perciocchè intendeva di farlo re.
22Roboam stelde Abias, den zoon van Maäka, als kroonprins aan het hoofd van zijn broers; want hem wilde hij koning maken.
23E prudentemente si avvisò di dispergere tutti i suoi figliuoli per tutte le contrade di Giuda e di Beniamino, per tutte le città forti; ed assegnò loro da vivere abbondantemente, e procacciò loro molte mogli.
23Hij was echter zo verstandig, enkelen van zijn andere zonen in alle streken van Juda en Benjamin over de verschillende vestingen te verdelen, waar hij hun een rijk bestaan verleende en veel vrouwen verschafte.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.