ΠΑΡΑΛΕΙΠΟΜΕΝΩΝ Β 11
Septuagint (Brenton Greek text, with Apocrypha)Original language
Septuagint (Brenton Greek text, with Apocrypha)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Καὶ ἦλθε Ῥοβοὰμ εἰς Ἱερουσαλὴμ, καὶ ἐξεκκλησίασε τὸν Ἰούδαν καὶ Βενιαμὶν ἑκατὸν ὀγδοήκοντα χιλιάδας νεανίσκων ποιούντων πόλεμον, καὶ ἐπολέμει πρὸς Ἰσραὴλ τοῦ ἐπιστρέψαι τὴν βασιλείαν τῷ Ῥοβοάμ.
1Zodra Roboam nu te Jerusalem was aangekomen, verzamelde hij uit de stammen Juda en Benjamin wel honderd tachtigduizend strijdbare mannen, om tegen Israël oorlog te voeren en het koningschap voor Roboam terug te winnen.
2Καὶ ἐγένετο λόγος Κυρίου πρὸς Σαμαίαν ἄνθρωπον τοῦ Θεοῦ, λέγων,
2Maar het woord van Jahweh werd tot den godsman Sjemajáhoe gericht:
3εἶπον πρὸς Ῥοβοὰμ τὸν τοῦ Σαλωμὼν καὶ πάντα Ἰούδαν καὶ Βενιαμὶν, λέγων,
3Zeg aan Roboam, den zoon van Salomon, den koning van Juda:
4τάδε λέγει Κύριος, οὐκ ἀναβήσεσθε, καὶ οὐ πολεμήσεσθε πρὸς τοὺς ἀδελφοὺς ὑμῶν· ἀποστρέφετε ἕκαστος εἰς τὸν οἶκον αὐτοῦ, ὅτι παρʼ ἐμοῦ ἐγένετο τὸ ῥῆμα τοῦτο· καὶ ἐπήκουσαν τοῦ λόγου Κυρίου, καὶ ἀπεστράφησαν τοῦ μὴ πορευθῆναι ἐπὶ Ἱεροβοάμ.
4Zo spreekt Jahweh! Trekt niet op, en voert geen oorlog tegen uw broeders! Iedereen kere terug naar zijn huis; want door Mij is dit alles beschikt. Zij luisterden naar Jahweh, en zagen er van af, tegen Jeroboam op te trekken.
5Καὶ κατῴκησε Ῥοβοὰμ εἰς Ἱερουσαλὴμ, καὶ ᾠκοδόμησε πόλεις τειχήρεις ἐν τῇ Ἰουδαίᾳ.
5Roboam bleef dus in Jerusalem wonen en verbouwde verschillende steden in Juda tot vesting.
6Καὶ ᾠκοδόμησε τὴν Βηθλεὲμ, καὶ Αἰτὰν, καὶ Θεκωὲ,
6Zo bracht hij Betlehem, Etam, Tekóa,
7καὶ Βαιθσουρὰ, καὶ τὴν Σοχὼθ, καὶ τὴν Ὀδολλὰμ,
7Bet-Soer, Soko, Adoellam,
8καὶ τὴν Γὲθ, καὶ τὴν Μαρισὰν, καὶ τὴν Ζὶφ,
8Gat, Maresja, Zif,
9καὶ τὴν Ἀδωραὶ, καὶ Λαχὶς, καὶ τὴν Ἀζηκά,
9Adoráim, Lakisj, Azeka,
10καὶ τὴν Σαραὰ, καὶ τὴν Αἰλὼμ, καὶ τὴν Χεβρὼν, ἥ ἐστι τοῦ Ἰούδα καὶ Βενιαμὶν, πόλεις τειχήρεις.
10Sora, Ajjalon en Hebron, die in Juda en Benjamin lagen, in staat van verdediging,
11Καὶ ὠχύρωσεν αὐτὰς τειχήρεις, καὶ ἔδωκεν ἐν αὐταῖς ἡγουμένους, καὶ παραθέσεις βρωμάτων, ἔλαιον καὶ οἶνον,
11maakte er sterke vestingen van, stelde er bevelhebbers aan en sloeg er voorraden op van proviand, olie en wijn;
12κατὰ πόλιν καὶ κατὰ πόλιν θυρεοὺς καὶ δόρατα, καὶ κατίσχυσεν αὐτὰς εἰς πλῆθος σφόδρα· καὶ ἦσαν αὐτῷ Ἰούδα καὶ Βενιαμίν.
12en daar in die verschillende steden schilden en lansen aanwezig waren, maakte hij ze buitengewoon sterk. Zo bleven Juda en Benjamin voor hem behouden.
13Καὶ οἱ ἱερεῖς καὶ οἱ Λευῖται οἳ ἦσαν ἐν παντὶ Ἰσραὴλ συνήχθησαν πρὸς αὐτὸν ἐκ πάντων τῶν ὁρίων·
13De priesters en levieten die in Israël woonden verhuisden uit hun woonplaatsen, en vestigden zich bij hem.
14Ὅτι ἐγκατέλιπον οἱ Λευῖται τὰ σκηνώματα τῆς κατασχέσεως αὐτῶν, καὶ ἐπορεύθησαν πρὸς Ἰούδα εἰς Ἱερουσαλὴμ, ὅτι ἐξέβαλεν αὐτοὺς Ἱεροβοὰμ καὶ οἱ υἱοὶ αὐτοῦ μὴ λειτουργεῖν Κυρίῳ,
14De levieten moesten namelijk hun landerijen en bezittingen verlaten en naar Juda en Jerusalem uitwijken, omdat Jeroboam met zijn zonen hen had afgezet als priesters van Jahweh,
15καὶ κατέστησεν ἑαυτῷ ἱερεῖς τῶν ὑψηλῶν καὶ τοῖς εἰδώλοις καὶ τοῖς ματαίοις καὶ τοῖς μόσχοις, ἃ ἐποίησεν Ἱεροβοάμ.
15en zelf priesters aanstelde op de offerhoogten, bij de bokken- en kalverbeelden, die hij gemaakt had.
16Καὶ ἐξέβαλεν αὐτοὺς ἀπὸ φυλῶν Ἰσραὴλ, οἳ ἔδωκαν καρδίαν αὐτῶν τοῦ ζητῆσαι Κύριον Θεὸν Ἰσραήλ· καὶ ἦλθον εἰς Ἱερουσαλὴμ θῦσαι Κυρίῳ Θεῷ τῶν πατέρων αὐτῶν.
16Zij werden gevolgd door velen uit alle stammen van Israël, die vastbesloten waren, Jahweh te blijven vereren, den God van Israël, en die naar Jerusalem kwamen, om Jahweh te offeren, den God van hun vaderen.
17Καὶ κατίσχυσαν τὴν βασιλείαν Ἰούδα· καὶ κατίσχυσε Ῥοβοὰμ τὸν τοῦ Σαλωμὼν εἰς ἔτη τρία, ὅτι ἐπορεύθη ἐν ταῖς ὁδοῖς Δαυὶδ καὶ Σαλωμὼν ἔτη τρία.
17Zij versterkten het koninkrijk Juda, en waren drie jaar lang een steun voor Roboam, den zoon van Salomon; want drie jaar lang bewandelde hij de weg van David en Salomon.
18Καὶ ἔλαβεν ἑαυτῷ Ῥοβοὰμ γυναῖκα τὴν Μοολὰθ θυγατέρα Ἱεριμοὺθ υἱοῦ Δαυὶδ, καὶ Ἀβιγαίαν θυγατέρα Ἑλιὰβ τοῦ Ἰεσσαί.
18Roboam nam Abicháil tot vrouw, de dochter van Eliab, den zoon van Jerimot, zoon van David, zoon van Jesse.
19Καὶ ἔτεκεν αὐτῷ υἱοὺς, τὸν Ἰεοὺς, καὶ τὸν Σαμαρία, καὶ τὸν Ζαάμ.
19Zij schonk hem de zonen Jeöesj, Sjemarja en Záham.
20Καὶ μετὰ ταῦτα ἔλαβεν ἑαυτῷ τὴν Μααχὰ θυγατέρα Ἀβεσσαλὼμ, καὶ ἔτεκεν αὐτῷ τὸν Ἀβιὰ, καὶ τὸν Ἰετθὶ, καὶ τὸν Ζηζὰ, καὶ τὸν Σαλημώθ.
20Na haar nam hij Maäka tot vrouw, de dochter van Absalom; zij schonk hem Abias, Attai, Ziza en Sjelomit.
21Καὶ ἠγάπησε Ῥοβοὰμ τὴν Μααχά θυγατέρα Ἀβεσσαλὼμ ὑπὲρ πάσας τὰς γυναῖκας αὐτοῦ καὶ τὰς παλλακὰς αὐτοῦ, ὅτι γυναῖκας δεκαοκτὼ εἶχε καὶ παλλακὰς ἑξήκοντα· καὶ ἐγέννησεν υἱοὺς εἴκοσι καὶ ὀκτὼ, καὶ θυγατέρας ἑξήκοντα.
21Roboam hield van Maäka, de dochter van Absalom, veel meer dan van al zijn andere vrouwen en bijvrouwen; hij had namelijk achttien vrouwen en zestig bijvrouwen, en was de vader van acht en twintig zonen en zestig dochters.
22Καὶ κατέστησεν εἰς ἄρχοντα Ἀβιὰ τὸν τῆς Μααχὰ εἰς ἡγούμενον ἐν τοῖς ἀδελφοῖς αὐτοῦ, ὅτι βασιλεῦσαι διενοεῖτο αὐτόν.
22Roboam stelde Abias, den zoon van Maäka, als kroonprins aan het hoofd van zijn broers; want hem wilde hij koning maken.
23Καὶ ηὐξήθη παρὰ πάντας τοὺς υἱοὺς αὐτοῦ ἐν πᾶσι τοῖς ὁρίοις Ἰούδα καὶ Βενιαμὶν, καὶ ἐν ταῖς πόλεσι ταῖς ὀχυραῖς, καὶ ἔδωκεν αὐταῖς τροφὰς πλῆθος πολὺ, καὶ ᾐτήσατο πλῆθος γυναικῶν.
23Hij was echter zo verstandig, enkelen van zijn andere zonen in alle streken van Juda en Benjamin over de verschillende vestingen te verdelen, waar hij hun een rijk bestaan verleende en veel vrouwen verschafte.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.